Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2016-05-04
ECLI:NL:RBNHO:2016:3526
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,453 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/4561
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.M. van Breet),
en
de Minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.M.A. van Wijngaarden-Gooijer).
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de door eiseres gestelde schade.
Bij besluit van 4 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] .
Overwegingen
1.1
Eiseres was sinds 25 augustus 2003 bij het Ministerie van Defensie in dienst als medewerker personeelszaken te Den Helder. De functie was ingedeeld in salarisschaal 6 van het Inkomensbesluit Burgerlijke Ambtenaren Defensie (IBBAD). Eiseres zou op 13 oktober 2005 starten met een ontwikkeltraject naar de hogere functie van personeelsadviseur, schaal 10. Op 12 oktober 2005 overkomt haar echter een verkeersongeval. Eiseres start op 21 november 2005 met haar re-integratie en met het ontwikkeltraject, op basis van 50% arbeidsongeschiktheid. In september 2006 start zij met de HBO-opleiding, die bij het ontwikkeltraject hoort. Eiseres houdt last van de gevolgen van het ongeval, met name van concentratieproblemen en hoofdpijn en wordt in september 2008 volledig arbeidsongeschikt. In november 2008 stopt zij met de HBO-opleiding. Per 1 januari 2011 wordt eiseres eervol ontslag verleend.
1.2
Vanwege het ongeval in oktober 2005 vordert eiseres schadevergoeding van de veroorzaker van het ongeval. Eiseres wordt daarbij bijgestaan door mr. [naam 2] , letselschadeadvocaat. In het kader van de financiële afwikkeling van de schadezaak verzoekt [naam 2] bij brief van 8 februari 2011 aan verweerder om aan te geven hoe de carrière van eiseres zou zijn verlopen, indien het ongeval haar niet was overkomen, en tot welke financiële consequenties dit zou hebben geleid.
1.3
Bij brief van 4 mei 2011 antwoordt [naam 1] , senior personeelsadviseur, dat de re-integratie van eiseres in de praktijk een moeizaam proces bleek. Pogingen eiseres te ontwikkelen in de adviserende rol bleken ook op de lange termijn niet haalbaar. Eiseres bleek veel last van concentratieproblemen te hebben, waardoor ook het continueren van haar studie en het voltooien daarvan een te zware belasting bleek te zijn. Het voorgenomen ontwikkeltraject naar de functie van personeelsadviseur, salarisschaal 10, werd beëindigd.
1.4
Bij brief van 10 november 2011 dient [naam 2] namens eiseres een onderbouwing van de schadevordering in bij verzekeringmaatschappij [naam verzekeringsmaatschappij] . Daarin stelt [naam 2] dat er sprake is van verlies van verdienvermogen in indirecte zin, omdat eiseres sinds en door het ongeval geen carrière heeft kunnen maken en dat eiseres na de voltooiing van de HBO-opleiding een hogere functie zou gaan bekleden.
1.5
Eiseres heeft op 25 juni 2011 en op 23 augustus 2011 verweerder verzocht om reactie op een aantal zaken, waaronder de bevordering in salarisschaal in het kader van het ontwikkeltraject indien zij dit had kunnen vervolgen. Eiseres wijst in dit verband op een collega die gedurende eenzelfde ontwikkeltraject tussentijds bevorderd werd.
1.6
Bij brief van 6 februari 2012 antwoordt verweerder op deze verzoeken. Verweerder stelt dat er tijdens de re-integratie rekening is gehouden met de belastbaarheid van eiseres. Het ontwikkeltraject verliep vanwege de beperkte inzetbaarheid moeizaam en om die reden is er geen sprake geweest van bevordering naar een naasthogere schaal. Vergelijking met een collega is volgens verweerder niet aan de orde.
1.7
Op 4 november 2013 stelt eiseres verweerder aansprakelijk voor de materiële schade als gevolg van het niet volledig beantwoorden van de vragen van [naam 2] van 8 februari 2011, met betrekking tot de carrière van eiseres, indien zij geen verkeersongeluk zou hebben gehad, en de financiële consequenties. Eiseres stelt daarbij dat uit verweerders brief van 6 februari 2012 volgt dat zij zou zijn bevorderd, indien het verkeersongeval haar niet zou zijn overkomen. Dit is volgens eiseres ten onrechte niet vermeld in de eerdere brief van 4 mei 2011 en [naam 2] heeft deze informatie dan ook niet kunnen meenemen bij de financiële afwikkeling van de gevolgen van het ongeval. Door eiseres in de brief van 4 mei 2011 niet volledig te informeren, heeft verweerder onrechtmatig gehandeld, aldus eiseres.
1.8
Bij het primaire besluit weigert verweerder aansprakelijkheid voor de door eiseres gestelde schade te erkennen. Bij het bestreden besluit verklaart verweerder het bezwaar ongegrond. Uit de brief van 6 februari 2012 is volgens verweerder niet op te maken dat eiseres zou zijn bevorderd indien haar geen ongeval was overkomen. De inhoud en strekking van de brief van 6 februari 2012 is volgens verweerder gelijk aan de brief van de 4 mei 2011. Uit beide brieven blijkt dat het ontwikkeltraject van eiseres naar de functie van personeelsadviseur op schaal 10-niveau uiteindelijk is beëindigd als gevolg van de ongevalsgerelateerde klachten. Van onvolledig informeren en daarmee van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van [naam 1] is derhalve geen sprake geweest. Het had volgens verweerder op de weg van [naam 2] gelegen om nadere informatie op te vragen indien het verlies aan verdienvermogen nader onderbouwd had moeten worden.
2. In beroep stelt eiseres dat het ontwikkeltraject naar de functie van personeelsadviseur niet enkel bestond uit het voltooien van de HBO-opleiding, die zou leiden tot de bevordering naar schaal 10 IBBAD. In zijn brief van 4 mei 2011 heeft verweerder - in de visie van eiseres ten onrechte - niet uiteengezet uit welke onderdelen het ontwikkeltraject bestond en op welke momenten eiseres gedurende het traject zou zijn bevorderd. Dit kon [naam 2] dan ook niet meenemen in haar schadeberekening. Verweerder heeft derhalve gehandeld in strijd met de wettelijk op hem rustende plicht om de uit zijn functie voortvloeiende plichten nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Eiseres stelt dat [naam 2] uit mocht gaan van de juistheid en volledigheid van de brief van 4 mei 2011, en dat het niet op haar weg lag om nadere vragen te stellen.
Voorts stelt eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu het hoofd personeelszaken, [naam 4] , niet om informatie is gevraagd, noch om zijn aandeel in deze kwestie. Volgens eiseres was [naam 1] tot februari 2011 niet bekend met de zaak en hij moet dus informatie van [naam 4] hebben gekregen.
3. Verweerder stelt dat het ontwikkeltraject is ingezet vanwege het vervallen van de functie van eiseres vanwege een reorganisatie. In dat verband zou eiseres een HBO-opleiding gaan volgen. Anders dan de reguliere functionerings- en beoordelingsgesprekken waren er geen voor dit ontwikkelingstraject specifiek geplande evaluatiemomenten. Er waren ook geen op voorhand vastgelegde momenten waarop eiseres bevorderd zou kunnen worden. Verweerder stelt dat hoe de ontwikkeling zou verlopen en daarmee een eventuele bevordering naar een naasthogere schaal, afhankelijk was van het functioneren en de studieresultaten van eiseres en dat dat niet vooraf concreet was aan te geven.
Verweerder stelt voorts dat de brief van 4 mei 2011 ondubbelzinnig is over het feit dat eiseres een ontwikkeling naar schaal 10 zou kunnen doormaken, maar dat die ontwikkeling vanwege de concentratieproblemen niet voltooid kon worden. De concentratieproblemen hielden verband met het ongeluk. Deze brief was volledig en zorgvuldig en daarmee heeft verweerder aan de op hem rustende plichten voldaan. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen.
Voorts stelt verweerder dat eiseres van 21 november 2005 tot aan het einde van haar dienstverband op 1 januari 2011 werkzaam was onder de begeleiding van [naam 1] . Hij kon dan ook alle informatie uit eigen wetenschap verstrekken. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake.
4.1
In geschil is of verweerder in zijn brief van 4 mei 2011 onvolledig is geweest, en wel zo dat verweerder aansprakelijk is voor de door eiseres dientengevolge geleden schade.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J. de Lange, voorzitter, en mr. M.E. Fortuin en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.