Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2016-12-15
ECLI:NL:RBNHO:2016:10432
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,154 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 16/2129
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2016 in de zaak tussen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam 1] B.V., te [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: mr. R.A.M. Schram),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder
(gemachtigden: R.E. van der Linden en mr. R.A.J. de Jong).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij [naam 2] B.V., te [plaats 2] .
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken ten behoeve van het oprichten van een gebouw voor het gebruik van aan het activiteitenstrand gerelateerde horeca en windschermen op het perceel [adres] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 8 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van door derde-partij ingediende bezwaren het primaire besluit in stand gelaten en daaraan ter verduidelijking voorschriften verbonden.
Eiseres heeft tegen delen van het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Eiseres is vertegenwoordigd door mr. M.C. Ligtenstein, kantoorgenote van mr. R.A.M. Schram, en [naam 3] en [naam 4] . Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is niemand verschenen.
Overwegingen
1. Het beroep van eiseres richt zich niet tegen de verleende omgevingsvergunning als zodanig. Het beroep richt zich in de eerste plaats tegen de stelling van verweerder in het bestreden besluit dat een terras met een oppervlakte van meer dan 55 m2 in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Zeezicht”. In de tweede plaats richt het zich tegen een aantal voorschriften dat verweerder bij het bestreden besluit ter verduidelijking aan het primaire besluit heeft verbonden.
2.1
Met betrekking tot de door eiseres bestreden stelling van verweerder in het bestreden besluit dat een terras met een oppervlakte van meer dan 55 m2 in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Zeezicht” overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0232, als volgt.
2.2
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om omgevingsvergunning die heeft geleid tot het primaire besluit niet ziet op het gebruik van (een deel van) het perceel als terras.
Wanneer een bestuursorgaan, los van een aanvraag om vergunning of een verzoek om handhaving, een oordeel geeft over de vraag, als hier aan de orde, of het gebruik van het perceel als terras met een oppervlakte van meer dan 55 m2 in overeenstemming is met het bestemmingsplan, kan het antwoord op die vraag in de regel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om daar in dit geval anders over te oordelen, nu niet valt in te zien dat eiseres het antwoord op die vraag niet langs een andere weg in rechte beoordeeld kan krijgen dan louter door aan te vangen met dat gebruik en een eventuele handhavingsactie van verweerder af te wachten. Eiseres kan bijvoorbeeld een vergunning aanvragen voor het gebruik van het perceel als terras en daarbij aanvoeren dat zij van mening is dat voor het gebruik geen vergunning nodig is. Het doen van een zodanig verzoek kan niet als een onevenredig bezwarende weg worden aangemerkt om het door haar gewenste bestuurlijke oordeel te verkrijgen.
2.3
Het beroep van eiseres richt zich, voor zover het is gericht tegen de voornoemde stelling van verweerder, gelet op het voorgaande niet tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3.1
Met betrekking tot de door eiseres bestreden voorschriften die verweerder bij het bestreden besluit ter verduidelijking aan het primaire besluit heeft verbonden, overweegt de rechtbank als volgt.
3.2
Op grond van artikel 2.22, tweede lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.
3.3
Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij de door eiseres bestreden voorschriften uitsluitend ter verduidelijking aan het primaire besluit heeft verbonden. Verweerder heeft beoogd duidelijk te maken wat ter plaatse op grond van de aan eiseres verleende omgevingsvergunning en het geldende bestemmingsplan is toegestaan.
3.4
De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres bestreden voorschriften die verweerder bij het bestreden besluit aan het primaire besluit heeft verbonden niet zijn aan te merken als voorschriften als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo. Er bestaat namelijk, gegeven de toelichting van verweerder ter zitting, geen verband tussen het belang waartoe de voorschriften strekken, te weten verduidelijking, en de strijdigheden van het bestemmingsplan waarvoor verweerder omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken heeft verleend. Er bestaat evenmin een verband tussen het belang waartoe de voorschriften strekken en de belangen die voor de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn aangegeven in artikel 2.10 van de Wabo.
De voorschriften behelzen slechts een oordeel van verweerder over wat er volgens hem ter plaatse is toegestaan op basis van de verleende omgevingsvergunning en het bestemmingsplan. De voorschriften zijn daarmee aan te merken als een uitleg van de zijde van verweerder en niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3.5
Het beroep van eiseres richt zich ook in zoverre niet tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Nu het beroep van eiseres zich gelet op het voorgaande richt tegen niet voor beroep vatbare delen van het bestreden besluit is de rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van dat beroep. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren.
5. Omdat verweerder in de rechtsmiddelenclausule die onder het bestreden besluit staat vermeld ten onrechte de indruk heeft gewekt dat beroep openstond tegen alle delen daarvan bij de bestuursrechter, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
6. Om dezelfde reden ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,00 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank
- verklaart zich onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,00 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2016.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.