Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2015-10-13
ECLI:NL:RBNHO:2015:8668
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,611 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 13/5121
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2015 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.H.R. van Heeks),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland, verweerder.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] B.V., te Amsterdam, gemachtigde: mr. H.J. Breeman.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.
Bij besluit van 19 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. E. Bressers. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, van de Wro is een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid, een besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, c of g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.
Op grond van artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b van de Wro blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:
1°. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of
2°. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.
Op grond van artikel 6.3 van de Wro betrekt het college met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:
a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;
b. de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.
2. Eiseres is sinds 27 juni 2005 eigenaar van het perceel met woonhuis en aanhorigheden gelegen aan de [adres] . Zij heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de door verweerder bij besluit van 13 november 2007 verleende bouwvergunning eerste fase en vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het vergroten van een bedrijfsgebouw van [naam bedrijf] B.V. Het besluit is op 25 december 2007 onherroepelijk geworden.
3. Ter beoordeling van het onderhavige verzoek om een tegemoetkoming in planschade heeft verweerder het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ). Deze heeft in het advies van mei 2013 geadviseerd een tegemoetkoming in de planschade af te wijzen.
Voor zover het bouwplan voorziet in bouwhoogtes van deels 12 en deels 15 meter, is sprake van een planologisch nadeel. Voor zover de vrijstelling voorziet in een bouwhoogte tot 13,2 meter was deze evenwel voorzienbaar op grond van het bestemmingsplan “Industrieterrein Knollendammerstraat 1975”. Op grond van dit bestemmingsplan kon in afwijking van de toegestane bouwhoogte van 9 meter immers middels een binnenplanse vrijstelling een maximale bouwhoogte van 13,2 meter worden vergund.
De bebouwing hoger dan 13,2 meter met een maximale hoogte van 15 meter veroorzaakt ten opzichte van de bebouwing waarmee rekening moest worden gehouden, te weten tot 13,2 meter, een gering nadeel; voor wat betreft schaduwwerking en karakter van de omgeving levert het geen verder nadeel op dat tot schade leidt. De door eiseres gestelde wateroverlast is van feitelijke aard, welke niet tot nadeel kan leiden.
Door de verleende vrijstelling treedt geen wijziging op in de gebruiksintensiteit. Ten tijde van de aankoop van de woning was voor eiseres verder voorzienbaar dat ter plaatse een cacaofabriek was toegestaan. De hinder en overlast van een dergelijke fabriek zijn door de gewijzigde bebouwing niet anders. De trillingshinder is veroorzaakt door de uitbreiding van de fabriek en de vervolgens gewijzigde opzet van de productie. Dit is evenwel van feitelijke en niet van planologische aard omdat het ook in de oude situatie mogelijk zou zijn geweest het productieproces te wijzigen.
Geconcludeerd wordt tot een gering planologisch nadeel door de toegestane toename van de bebouwing boven de 13,2 meter. De schade die aldus is ontstaan overstijgt niet het normaal maatschappelijk risico van 2% van de waarde van de woning, aldus de SAOZ. Verweerder heeft het verzoek onder verwijzing naar dit advies afgewezen. De afwijzing van het verzoek is in bezwaar gehandhaafd.
4. De rechtbank ziet geen grond voor de stelling van eiseres dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat daarin onvoldoende is ingegaan op door haar ingebrachte bezwaren. In het bestreden besluit, waarin het advies van de bezwarencommissie is herhaald en ingelast, is immers ingegaan op de door eiseres aangevoerde bezwaren. Dat verweerder daarin geen aanleiding heeft gezien het primaire besluit te herroepen, maakt het bestreden besluit op zichzelf niet onzorgvuldig.
5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag verweerder bij zijn besluit op een verzoek om een tegemoetkoming in de planschade, indien uit het advies van een door hem benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk zijn, van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.
6.1
Eiseres betoogt dat de SAOZ ten onrechte stelt dat de gestelde trillingshinder, wateroverlast en schade als gevolg van bouwwerkzaamheden van feitelijke aard zijn en buiten het toetsingskader van het verzoek om een tegemoetkoming in de planschade vallen.
6.2
De rechtbank volgt haar daarin niet. De gevolgen van de wijzigingen die na de verbouwing van de fabriek in het productieproces zijn doorgevoerd, zoals de toename van de trillingshinder, geur en geluidsoverlast, vallen buiten het toepassingsbereik van de Wro. Daartoe is van belang dat het ter plaatse vigerende bestemmingsplan noch het vrijstellingsbesluit zien op de wijze waarop het productieproces in de fabriek wordt ingericht; ook zonder het vrijstellingsbesluit was het mogelijk in het productieproces een verandering aan te brengen.
6.3
De door eiseres gestelde wateroverlast houdt voorts verband met uitgevoerde bouwwerkzaamheden, waaronder het weghalen van drainage. De als gevolg daarvan door eiseres gestelde schade is feitelijk en niet planologisch van aard en valt derhalve buiten het kader van het onderhavige verzoek.
7.1
Eiseres stelt verder dat verweerder niet kon uitgaan van het advies van de SAOZ omdat deze ten onrechte een ongebruikte binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of de planologische ontwikkeling voor eiseres (deels) voorzienbaar was.
7.2
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:403) overweegt de rechtbank dat als ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen, de planschade voorzienbaar is en voor rekening van de koper dient te worden gelaten, omdat hij in dat geval geacht wordt de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling te hebben betrokken bij het overeenkomen van de koopprijs. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is voldoende dat er een concreet beleidsvoornemen is dat openbaar is gemaakt.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,00 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 367,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzitter, mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.