Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2015-09-23
ECLI:NL:RBNHO:2015:7930
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,781 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/1283 en HAA 15/2286
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 september 2015 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder
(gemachtigde: C.B.B. Dohmen en F. Traksel).
Procesverloop
HAA 15/1283
Bij besluit van 15 december 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning (WMO) maatschappelijk opvang (MO) toegekend tot en met 29 december 2014. Hieraan heeft verweerder een aantal voorwaarden verbonden.
Bij besluit van 24 december 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het recht op MO van eiser verlengd tot 13 januari 2015. Nadien is de MO van eiser wekelijks verlengd.
Bij besluit van 12 maart 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
HAA 15/2286
Bij besluit van 17 februari 2015 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eisers recht op MO op grond van de WMO 2015 per 17 maart 2015 beëindigd.
De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 20 maart 2015 een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat het besluit van 17 februari 2015 wordt geschorst totdat is beslist op het bezwaar en bepaald dat eiser tot de MO moet worden toegelaten.
Bij besluit van 21 mei 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J. Sprakel, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Op 4 november 2014 heeft eiser zich bij verweerder gemeld, omdat hij dakloos was en hulp wilde bij het zoeken naar een woning. Daarnaast had hij zijn financiën niet op orde, had hij geen dagbesteding en zocht hij hulp vanwege zijn (gok)verslaving. Met eiser is een trajectplan gemaakt, waarin is afgesproken dat hij zo spoedig mogelijk met hulpverlening vanuit de Brijder zou starten, hij zou zorgen dat de schuldhulpverlening werd opgestart, dat hij zijn afspraken omtrent (de aanvraag op grond van) de Wet werk en bijstand (WWB) zou nakomen en actief op zoek zou gaan naar een goedkope kamer, waarbij hij regelmatig de acties hieromtrent inzichtelijk zou maken. Eiser heeft toestemming gekregen voor MO (in [locatie 1] te Haarlem) tot 16 december 2014. Vervolgens is eiser bij het primaire besluit 1 tot en met 29 december 2014 de MO toegezegd. Bij het primaire besluit 2 is de MO verlengd tot 13 januari 2015. Bij het primaire besluit 3 is aan eiser het einde van zijn verblijf in de MO aangezegd. Per 17 maart 2015 zou hij de opvang moeten verlaten omdat hij zich niet aan de gemaakte afspraken zou hebben gehouden. De voorzieningenrechter heeft dit besluit in zijn uitspraak van 20 maart 2015 geschorst tot verweerder heeft beslist op het bezwaar en heeft verweerder opgedragen om de nachtopvang van eiser te hervatten. Feitelijk is aan eiser tot 3 juni 2015 MO geboden. Vanaf die datum heeft eiser eigen woonruimte aan de [locatie 2] .
2. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroepen, nu hij in bezwaar en beroep heeft verzocht om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt vanwege de door hem gemaakte bezwaren en in dat verband, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maatgevend is of verweerder was gehouden de primaire besluiten te herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank zal daarom aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden nagaan of verweerder gehouden was over te gaan tot die herroeping.
3. De beroepen van eiser, waarin de beroepsgronden over en weer gelden, zijn gericht tegen de aan de MO verbonden voorwaarden, alsmede de daaraan verbonden einddatum. Eiser heeft in beroep - samengevat en onder verwijzing naar diverse beslissingen en uitspraken - aangevoerd dat op grond van Nederlands en internationaal recht een onvoorwaardelijke aanspraak op opvang geldt. Deze aanspraak is of mag alleen afhankelijk zijn van de behoefte van de betrokkene en de noodzaak tot opvang. Er mogen daarom geen voorwaarden worden verbonden aan de opvang en geen einddatum aan de opvang worden gesteld. Eiser heeft, anders dan verweerder heeft gesteld, wel degelijk aan de gestelde voorwaarden voor opvang voldaan, zodat geen grond was voor beëindiging van de MO. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende onderzocht of sprake is van mogelijke discriminatie bij het verkrijgen van woonruimte en onvoldoende individuele begeleiding geboden om uit de problemen te raken. Eiser staat op een achterstand vanwege zijn Turkse afkomst en zijn status van werkzoekende, zodat van verweerder een intensievere begeleiding en actieve bemiddeling naar passende woonruimte had mogen worden verlangd, zo stelt eiser in beroep.
4. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten, en aanvullend in het verweerschrift, op het standpunt dat het niet onredelijk en toegestaan is om voorwaarden aan de MO te verbinden, zoals vastgelegd in het trajectplan. Ook mag er een einddatum aan de opvang worden gesteld. Uit de memorie van toelichting op de WMO 2015 volgt dat de opvang zo kort mogelijk dient te zijn. Daarnaast moet de MO een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin de betrokkene in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Volgens verweerder is tot 17 februari 2015 onvoldoende gebleken dat eiser zich heeft gehouden aan de afspraak dat hij er alles aan doet om woonruimte te vinden en zijn zoekacties regelmatig inzichtelijk te maken. Uit de stukken na 17 februari 2015 kan dit evenmin worden afgeleid. Hieruit volgt niet dat eiser daadwerkelijk heeft gereageerd op aangeboden woonruimte of dat meer dan een reactie is afgewezen. Niet is gebleken dat eiser actief op zoek is geweest naar woonruimte. Er is geen aanleiding om te concluderen dat het hebben van een bepaalde nationaliteit een structurele afwijzingsgrond vormt voor het huren van een kamer of een andere woonruimte. Verweerder stelt dan ook dat in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen de MO te beëindigen, omdat eiser niet optimaal meewerkte aan het vinden van woonruimte. Daarbij komt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich voldoende heeft ingespannen voor het verkrijgen van schuldhulpverlening. Aan eiser is ruimschoots de gelegenheid geboden om maatregelen te nemen om zich weer op eigen kracht te kunnen handhaven in de samenleving.
5.1.
Eiser meent dat uit de beslissingen van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 1 juli 2014 inzake CEC (no. 90/2013) en FEANTSA (no. 86/2012) tegen Nederland, waarin is geconcludeerd tot een schending van het bepaalde in de artikelen 13, vierde lid, en artikel 31, tweede lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH), en de daarop gebaseerde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4178 en 4179) een onvoorwaardelijke en ongelimiteerde aanspraak op opvang kan worden afgeleid. In dat verband stelt de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de CRvB voorop dat artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) niet kan worden beschouwd als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686). De rechtbank sluit zich voorts bij het oordeel van de voorzieningenrechter van de CRvB in de hiervoor genoemde uitspraken van 17 december 2014 aan dat dit voor artikel 31 van het ESH niet anders is en dat de beslissingen van het ECSR, zoals die van 1 juli 2014 inzake CEC en FEANTSA tegen Nederland, niet rechtstreeks bindend zijn voor de (verdrags)partij(en).
5.2.
Voorgaande betekent echter niet dat de bepalingen van het ESH en de beslissingen van het ECSR zonder betekenis zijn voor de beoordeling van aanvragen voor MO op grond van de WMO. In het onderhavige geval kunnen deze bepalingen en beslissingen eiser echter naar het oordeel van de rechtbank niet baten. De rechtbank acht daarbij in de eerste plaats van belang dat eiser vanaf 4 november 2014 tot 3 juni 2015 onafgebroken toegang heeft (gehad) tot de MO. Hem is de toegang derhalve niet geweigerd. De uitspraak van 1 juli 2014 van het ECSR in de zaak CEC, waar eiser naar heeft verwezen, alsmede de hiervoor genoemde uitspraken van de CRvB van 17 december 2014 betreffen de opvangvoorziening inhoudende bed, bad en brood voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven. De rechtbank stelt vast dat eiser niet tot deze groep personen behoort, alleen al omdat eiser rechtmatig in Nederland verblijft en aanspraak kan maken op sociale voorzieningen waaronder een WWB-uitkering. De zaak FEANTSA tegen Nederland is voortgevloeid uit een collectieve klacht over de toegang, capaciteit en kwaliteit van de MO op basis van de WMO. Vooral de beslissing in die zaak zou derhalve van betekenis kunnen zijn voor eiser. Hoewel het ESH in zijn beslissing van 1 juli 2014 in die zaak materieel heeft geconcludeerd tot een schending van het bepaalde in de (voor eiser met name relevante) artikelen 13 en 31 van het ESH, kan in deze beslissing naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende steun worden gevonden voor de juistheid van het - vergaande - betoog van eiser dat aan de MO geen einddatum of voorwaarden zouden mogen worden verbonden. Uit de overwegingen van die beslissing kan de rechtbank dat niet afleiden. Desgevraagd ter zitting heeft eiser ook niet kunnen concretiseren uit welke overwegingen van het ECSR dit zou moeten worden afgeleid.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis , voorzitter, en mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr.dr. R. Stijnen, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.