Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2014-08-29
ECLI:NL:RBNHO:2014:9482
Civiel recht
Eerste aanleg - meervoudig
1,229 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C15/216327 HA/RK 14/53
Dictum
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
de rechtbank/mr. H.M. van Dam.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 17 juli 2014 om 08.26 uur, voorafgaand aan de zitting van 17 juli 2014 om 9.30 uur, schriftelijk de wraking verzocht van de zitting houdende rechter in de bij deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Familie & Jeugd, locatie Haarlem aanhangige zaak met zaaknummer C/15/211686/FA RK 14/723 (voorlopige voorzieningenprocedure), hierna te noemen: de hoofdzaak.
De zitting houdende rechter op 17 juli 2014 in de hoofdzaak was mr. H.M. van Dam.
2Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ambtshalve mevrouw [A] van Bureau Jeugdzorg Regio Amsterdam opgeroepen om aanwezig te zijn bij de behandeling ter zitting van de hoofdzaak op 17 juli 2014. Mevrouw [A] is een hulpverleenster van de wederpartij in de hoofdzaak en zij heeft niet (meer) het mandaat van verzoeker. De oproeping van mevrouw [A] is gedaan door de rechtbank, niet op verzoek van een van de partijen. Verzoeker is van mening dat de rechtbank zich hiermee vooringenomen heeft getoond. Verzoeker wenst daarom een nieuwe behandeling van de zaak, zonder oproeping van mevrouw [A] door de rechtbank.
Beoordeling
3.1
In artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
Alvorens de wrakingskamer kan toekomen aan de beoordeling van de haar voorgelegde inhoudelijke vraag of de vrees voor vooringenomenheid van de rechter onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geacht kan worden, dient in verband met de ontvankelijkheid te worden bezien of aan de voorwaarden voor het indienen van een verzoek tot wraking is voldaan.
3.3
In artikel 37, lid 1, Rv is bepaald dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Uit artikel 278, leden 2 en 3, Rv volgt dat het verzoekschrift, gelet op de aard van de procedure waarin het wrakingsverzoek is gedaan, ondertekend dient te zijn door een advocaat. Mocht niet aan deze eis zijn voldaan, dan wordt de verzoeker op grond van artikel 281, lid 1, Rv de gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen.
3.4
Het op 17 juli 2014 ontvangen verzoekschrift is niet (mede) ondertekend door een advocaat en voldoet daarom niet aan de hiervoor vermelde wettelijke bepalingen. Gelet op voornoemde artikelen en de vaste jurisprudentie hieromtrent heeft de rechtbank verzoeker op 21 juli 2014 schriftelijk op dit verzuim gewezen en hem op 22 juli 2014 alsnog in de gelegenheid gesteld dit binnen zeven dagen te herstellen. Vervolgens heeft verzoeker telefonisch aan de administratie van de wrakingskamer medegedeeld dat hij het er niet mee eens is dat in de onderhavige wrakingsprocedure procesvertegenwoordiging verplicht is en hij heeft om een behandeling van zijn verzoek ter zitting verzocht.
3.5
Nu verzoeker in deze wrakingsprocedure uitdrukkelijk op de gevolgen van het niet herstellen van zijn verzuim is gewezen en hij niet tot herstel van het verzuim is overgegaan, dient hij op grond van artikel 281, lid 1, tweede volzin, Rv niet-ontvankelijk in het verzoek te worden verklaard. De rechtbank zal dan ook in die zin beslissen.
Dictum
De rechtbank:
3.1
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechtbank/mr. H.M. van Dam;
3.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter mr. H.M. van Dam en de wederpartij in de hoofdzaak (mevrouw [B], bijgestaan door mr. Q. Overeijnder, advocaat te Den Haag) een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
3.3
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.I. de Vreese-Rood, voorzitter, mr. K.I. Oyunlu en mr. A. van Dongen, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van M. Struijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2014.
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.