Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2014-12-12
ECLI:NL:RBNHO:2014:11602
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,655 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 14/1339 en HAA 14/2504
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2014 in de zaken tussen
[eiser], te[woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. V.J.M. Janszen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: T. A. van den Hoff).
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de over de periode van 21 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 aan eiser verstrekte uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ten bedrage van € 1.034,97 teruggevorderd.
Bij besluit van 13 mei 2014 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Deze procedure is bij de rechtbank
bekend onder HAA 14/2504.
Bij besluit van 21 oktober 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 1.040,00.
Bij besluit van 20 februari 2014 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard in die zin dat de boete wordt vastgesteld op € 1.034,97.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Deze procedure is bij de rechtbank
bekend onder HAA 14/1339.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ten aanzien van het besluit van 13 mei 2014.
1.1.
In geschil is of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens de niet tijdige indiening daarvan.
1.2.
Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hem, onder wie begrepen de aanvrager.
1.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 september 2009 en 21 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7888, respectievelijk ECLI:NL:CRVB:2011:BR0473), heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het adres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.
1.4.
Vast staat dat eiser verweerder niet van zijn adreswijziging in kennis heeft gesteld. Nu het primaire besluit van 20 augustus 2013 is verzonden naar het bij verweerder laatstelijk bekende en opgegeven adres van eiser, waar eiser op dat moment volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven, is de rechtbank van oordeel dat dit besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend is gemaakt. De termijn waarbinnen eiser bezwaar had kunnen indienen, is dan ook begonnen op
21 augustus 2013, de dag na die waarop dit besluit aan hem is toegezonden. De termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar was ten tijde van de indiening daarvan op 14 november 2013 ruimschoots verstreken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder had moeten onderzoeken waar hij verbleef, nu eiser zijn verplichting om verweerder te informeren over zijn verblijfplaats niet is nagekomen.
1.5.
Van redenen om de termijnoverschrijding als verschoonbaar aan te merken, zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, is de rechtbank niet gebleken.
1.6.
Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2013 terecht
niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het besluit van 20 februari 2014.
3. Vast staat dat eiser tot 11 september 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres[adres 1]. Voorts staan de intrekking van eisers WWB-uitkering per 21 mei 2013 en de beëindiging daarvan per 26 juli 2013 bij besluit van 25 juli 2013 in rechte vast, nu eiser tegen laatstgenoemd besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Eveneens staat, gelet op hetgeen de rechtbank onder 1.6 heeft overwogen, in rechte vast dat eiser € 1.034,97 aan onverschuldigd betaalde WWB-uitkering moet terugbetalen, nu hij tegen het besluit van 20 augustus 2013 niet tijdig bewaar heeft gemaakt. Aan de orde is thans of verweerders besluit tot oplegging van een boete (het bestreden besluit 2) in stand kan blijven.
4. Het bestreden besluit 2 berust op verweerders standpunt dat eiser heeft nagelaten inlichtingen te verstrekken teneinde zijn recht op bijstand te kunnen vaststellen doordat het mutatieformulier van mei 2013 door eiser niet is ingevuld en aan verweerder retour is gezonden en eiser niet is verschenen op de afspraken op 2 juli 2013 en 16 juli 2013. Eiser heeft hiermee volgens verweerder zijn inlichtingenplicht geschonden en zijn recht op een WWB-uitkering per 21 mei 2013 kan niet worden vastgesteld. Dit heeft geleid tot de onder 3 genoemde intrekking en beëindiging van eisers bijstandsuitkering en de terugvordering van de daardoor onverschuldigd betaalde uitkering. De brief van 10 september 2012 met het voornemen om eiser een boete op te leggen is verzonden naar eisers GBA-adres, [adres 1]. Ook deze brief is bij verweerder retour gekomen. Vervolgens heeft verweerder nogmaals op 21 oktober 2013 een voornemen tot boeteoplegging naar eisers inmiddels bij verweerder bekend geworden nieuwe GBA-adres [adres 2] verzonden. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid op het voornemen te reageren en verweerder heeft hem hierop een boete opgelegd van € 1.040,00, na bezwaar verlaagd tot € 1.034,97. Er zijn volgens verweerder geen dringende redenen of omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden afgezien van de boeteoplegging. Evenmin ziet verweerder aanleiding tot matiging van de boete.
5. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte een boete heeft opgelegd. Vast staat dat hij de brieven niet heeft ontvangen waarin hij wordt oproepen tot het geven van inlichtingen. Verweerder heeft deze brieven naar het GBA adres verzonden waar eiser niet meer verbleef en ook retour ontvangen. Het voornemen tot het opleggen van een boete noch het boetebesluit zelf kan niet worden beschouwd als een oproep tot het geven van inlichtingen. Het kan eiser dan ook niet worden verweten dat hij geen inlichtingen heeft verstrekt. Volgens eiser had verweerder ook op andere manieren kunnen bereiken dan per post, bijvoorbeeld via email of telefonisch.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
6.2.
Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van artikel 18a, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt in dit artikel onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.
Op grond van artikel 18a, zevende lid, van de WWB, kan het college:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
6.3.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3785, overweegt de rechtbank dat in artikel 6b van het Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Besluit aanscherping, Stb. 2012, 484), is bepaald dat het Boetebesluit mede is gebaseerd op onder meer artikel 18a, negende lid, van de WWB. Daarmee krijgt dit besluit ook voor de WWB een wettelijke grondslag. Dit artikel is pas inwerking getreden door opname in van artikel 13 "Wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten", onderdeel C, van het Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit, Stb. 2014, 99) welk besluit bij Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (Heroverweging Remigratiewet) middels het inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2014, 156) is bepaald op 1 juli 2014.
Omdat het Boetebesluit socialezekerheidswetten ten tijde van de periode waarin de overtreding heeft plaatsgevonden niet op de WWB was gebaseerd, is het Boetebesluit socialezekerheidswetten in deze zaak niet van toepassing. De onderhavige boete moet dan ook worden getoetst aan de WWB en aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep tegen het besluit van 13 mei 2014 ongegrond;
verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2014 gegrond;
vernietigt het besluit van 20 februari 2014;
herroept het besluit van 21 oktober 2013, legt aan eiser een boete op van € 776,22 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van
20 februari 2014;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.J.B. Corbey, voorzitter, mr. W.B. Klaus en
mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 14/1339 en HAA 14/2504
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2014 in de zaken tussen
[eiser], te[woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. V.J.M. Janszen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: T. A. van den Hoff).
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de over de periode van 21 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 aan eiser verstrekte uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ten bedrage van € 1.034,97 teruggevorderd.
Bij besluit van 13 mei 2014 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Deze procedure is bij de rechtbank
bekend onder HAA 14/2504.
Bij besluit van 21 oktober 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 1.040,00.
Bij besluit van 20 februari 2014 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard in die zin dat de boete wordt vastgesteld op € 1.034,97.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Deze procedure is bij de rechtbank
bekend onder HAA 14/1339.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ten aanzien van het besluit van 13 mei 2014.
1.1.
In geschil is of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens de niet tijdige indiening daarvan.
1.2.
Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hem, onder wie begrepen de aanvrager.
1.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 september 2009 en 21 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7888, respectievelijk ECLI:NL:CRVB:2011:BR0473), heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het adres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.
1.4.
Vast staat dat eiser verweerder niet van zijn adreswijziging in kennis heeft gesteld. Nu het primaire besluit van 20 augustus 2013 is verzonden naar het bij verweerder laatstelijk bekende en opgegeven adres van eiser, waar eiser op dat moment volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven, is de rechtbank van oordeel dat dit besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend is gemaakt. De termijn waarbinnen eiser bezwaar had kunnen indienen, is dan ook begonnen op
21 augustus 2013, de dag na die waarop dit besluit aan hem is toegezonden. De termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar was ten tijde van de indiening daarvan op 14 november 2013 ruimschoots verstreken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder had moeten onderzoeken waar hij verbleef, nu eiser zijn verplichting om verweerder te informeren over zijn verblijfplaats niet is nagekomen.
1.5.
Van redenen om de termijnoverschrijding als verschoonbaar aan te merken, zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, is de rechtbank niet gebleken.
1.6.
Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2013 terecht
niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het besluit van 20 februari 2014.
3. Vast staat dat eiser tot 11 september 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres[adres 1]. Voorts staan de intrekking van eisers WWB-uitkering per 21 mei 2013 en de beëindiging daarvan per 26 juli 2013 bij besluit van 25 juli 2013 in rechte vast, nu eiser tegen laatstgenoemd besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Eveneens staat, gelet op hetgeen de rechtbank onder 1.6 heeft overwogen, in rechte vast dat eiser € 1.034,97 aan onverschuldigd betaalde WWB-uitkering moet terugbetalen, nu hij tegen het besluit van 20 augustus 2013 niet tijdig bewaar heeft gemaakt. Aan de orde is thans of verweerders besluit tot oplegging van een boete (het bestreden besluit 2) in stand kan blijven.
4. Het bestreden besluit 2 berust op verweerders standpunt dat eiser heeft nagelaten inlichtingen te verstrekken teneinde zijn recht op bijstand te kunnen vaststellen doordat het mutatieformulier van mei 2013 door eiser niet is ingevuld en aan verweerder retour is gezonden en eiser niet is verschenen op de afspraken op 2 juli 2013 en 16 juli 2013. Eiser heeft hiermee volgens verweerder zijn inlichtingenplicht geschonden en zijn recht op een WWB-uitkering per 21 mei 2013 kan niet worden vastgesteld. Dit heeft geleid tot de onder 3 genoemde intrekking en beëindiging van eisers bijstandsuitkering en de terugvordering van de daardoor onverschuldigd betaalde uitkering. De brief van 10 september 2012 met het voornemen om eiser een boete op te leggen is verzonden naar eisers GBA-adres, [adres 1]. Ook deze brief is bij verweerder retour gekomen. Vervolgens heeft verweerder nogmaals op 21 oktober 2013 een voornemen tot boeteoplegging naar eisers inmiddels bij verweerder bekend geworden nieuwe GBA-adres [adres 2] verzonden. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid op het voornemen te reageren en verweerder heeft hem hierop een boete opgelegd van € 1.040,00, na bezwaar verlaagd tot € 1.034,97. Er zijn volgens verweerder geen dringende redenen of omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden afgezien van de boeteoplegging. Evenmin ziet verweerder aanleiding tot matiging van de boete.
5. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte een boete heeft opgelegd. Vast staat dat hij de brieven niet heeft ontvangen waarin hij wordt oproepen tot het geven van inlichtingen. Verweerder heeft deze brieven naar het GBA adres verzonden waar eiser niet meer verbleef en ook retour ontvangen. Het voornemen tot het opleggen van een boete noch het boetebesluit zelf kan niet worden beschouwd als een oproep tot het geven van inlichtingen. Het kan eiser dan ook niet worden verweten dat hij geen inlichtingen heeft verstrekt. Volgens eiser had verweerder ook op andere manieren kunnen bereiken dan per post, bijvoorbeeld via email of telefonisch.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
6.2.
Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van artikel 18a, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt in dit artikel onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.
Op grond van artikel 18a, zevende lid, van de WWB, kan het college:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
6.3.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3785, overweegt de rechtbank dat in artikel 6b van het Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Besluit aanscherping, Stb. 2012, 484), is bepaald dat het Boetebesluit mede is gebaseerd op onder meer artikel 18a, negende lid, van de WWB. Daarmee krijgt dit besluit ook voor de WWB een wettelijke grondslag. Dit artikel is pas inwerking getreden door opname in van artikel 13 "Wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten", onderdeel C, van het Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit, Stb. 2014, 99) welk besluit bij Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (Heroverweging Remigratiewet) middels het inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2014, 156) is bepaald op 1 juli 2014.
Omdat het Boetebesluit socialezekerheidswetten ten tijde van de periode waarin de overtreding heeft plaatsgevonden niet op de WWB was gebaseerd, is het Boetebesluit socialezekerheidswetten in deze zaak niet van toepassing. De onderhavige boete moet dan ook worden getoetst aan de WWB en aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep tegen het besluit van 13 mei 2014 ongegrond;
verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2014 gegrond;
vernietigt het besluit van 20 februari 2014;
herroept het besluit van 21 oktober 2013, legt aan eiser een boete op van € 776,22 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van
20 februari 2014;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.J.B. Corbey, voorzitter, mr. W.B. Klaus en
mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 14/1339 en HAA 14/2504
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2014 in de zaken tussen
[eiser], te[woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. V.J.M. Janszen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: T. A. van den Hoff).
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de over de periode van 21 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 aan eiser verstrekte uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ten bedrage van € 1.034,97 teruggevorderd.
Bij besluit van 13 mei 2014 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Deze procedure is bij de rechtbank
bekend onder HAA 14/2504.
Bij besluit van 21 oktober 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 1.040,00.
Bij besluit van 20 februari 2014 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard in die zin dat de boete wordt vastgesteld op € 1.034,97.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Deze procedure is bij de rechtbank
bekend onder HAA 14/1339.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ten aanzien van het besluit van 13 mei 2014.
1.1.
In geschil is of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens de niet tijdige indiening daarvan.
1.2.
Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hem, onder wie begrepen de aanvrager.
1.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraken van 1 september 2009 en 21 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7888, respectievelijk ECLI:NL:CRVB:2011:BR0473), heeft verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het adres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.
1.4.
Vast staat dat eiser verweerder niet van zijn adreswijziging in kennis heeft gesteld. Nu het primaire besluit van 20 augustus 2013 is verzonden naar het bij verweerder laatstelijk bekende en opgegeven adres van eiser, waar eiser op dat moment volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven, is de rechtbank van oordeel dat dit besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb bekend is gemaakt. De termijn waarbinnen eiser bezwaar had kunnen indienen, is dan ook begonnen op
21 augustus 2013, de dag na die waarop dit besluit aan hem is toegezonden. De termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar was ten tijde van de indiening daarvan op 14 november 2013 ruimschoots verstreken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder had moeten onderzoeken waar hij verbleef, nu eiser zijn verplichting om verweerder te informeren over zijn verblijfplaats niet is nagekomen.
1.5.
Van redenen om de termijnoverschrijding als verschoonbaar aan te merken, zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, is de rechtbank niet gebleken.
1.6.
Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2013 terecht
niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het besluit van 20 februari 2014.
3. Vast staat dat eiser tot 11 september 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres[adres 1]. Voorts staan de intrekking van eisers WWB-uitkering per 21 mei 2013 en de beëindiging daarvan per 26 juli 2013 bij besluit van 25 juli 2013 in rechte vast, nu eiser tegen laatstgenoemd besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Eveneens staat, gelet op hetgeen de rechtbank onder 1.6 heeft overwogen, in rechte vast dat eiser € 1.034,97 aan onverschuldigd betaalde WWB-uitkering moet terugbetalen, nu hij tegen het besluit van 20 augustus 2013 niet tijdig bewaar heeft gemaakt. Aan de orde is thans of verweerders besluit tot oplegging van een boete (het bestreden besluit 2) in stand kan blijven.
4. Het bestreden besluit 2 berust op verweerders standpunt dat eiser heeft nagelaten inlichtingen te verstrekken teneinde zijn recht op bijstand te kunnen vaststellen doordat het mutatieformulier van mei 2013 door eiser niet is ingevuld en aan verweerder retour is gezonden en eiser niet is verschenen op de afspraken op 2 juli 2013 en 16 juli 2013. Eiser heeft hiermee volgens verweerder zijn inlichtingenplicht geschonden en zijn recht op een WWB-uitkering per 21 mei 2013 kan niet worden vastgesteld. Dit heeft geleid tot de onder 3 genoemde intrekking en beëindiging van eisers bijstandsuitkering en de terugvordering van de daardoor onverschuldigd betaalde uitkering. De brief van 10 september 2012 met het voornemen om eiser een boete op te leggen is verzonden naar eisers GBA-adres, [adres 1]. Ook deze brief is bij verweerder retour gekomen. Vervolgens heeft verweerder nogmaals op 21 oktober 2013 een voornemen tot boeteoplegging naar eisers inmiddels bij verweerder bekend geworden nieuwe GBA-adres [adres 2] verzonden. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid op het voornemen te reageren en verweerder heeft hem hierop een boete opgelegd van € 1.040,00, na bezwaar verlaagd tot € 1.034,97. Er zijn volgens verweerder geen dringende redenen of omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden afgezien van de boeteoplegging. Evenmin ziet verweerder aanleiding tot matiging van de boete.
5. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte een boete heeft opgelegd. Vast staat dat hij de brieven niet heeft ontvangen waarin hij wordt oproepen tot het geven van inlichtingen. Verweerder heeft deze brieven naar het GBA adres verzonden waar eiser niet meer verbleef en ook retour ontvangen. Het voornemen tot het opleggen van een boete noch het boetebesluit zelf kan niet worden beschouwd als een oproep tot het geven van inlichtingen. Het kan eiser dan ook niet worden verweten dat hij geen inlichtingen heeft verstrekt. Volgens eiser had verweerder ook op andere manieren kunnen bereiken dan per post, bijvoorbeeld via email of telefonisch.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
6.2.
Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van artikel 18a, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt in dit artikel onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen.
Op grond van artikel 18a, zevende lid, van de WWB, kan het college:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
6.3.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3785, overweegt de rechtbank dat in artikel 6b van het Besluit van 13 oktober 2012, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Besluit aanscherping, Stb. 2012, 484), is bepaald dat het Boetebesluit mede is gebaseerd op onder meer artikel 18a, negende lid, van de WWB. Daarmee krijgt dit besluit ook voor de WWB een wettelijke grondslag. Dit artikel is pas inwerking getreden door opname in van artikel 13 "Wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten", onderdeel C, van het Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit, Stb. 2014, 99) welk besluit bij Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (Heroverweging Remigratiewet) middels het inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2014, 156) is bepaald op 1 juli 2014.
Omdat het Boetebesluit socialezekerheidswetten ten tijde van de periode waarin de overtreding heeft plaatsgevonden niet op de WWB was gebaseerd, is het Boetebesluit socialezekerheidswetten in deze zaak niet van toepassing. De onderhavige boete moet dan ook worden getoetst aan de WWB en aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep tegen het besluit van 13 mei 2014 ongegrond;
verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2014 gegrond;
vernietigt het besluit van 20 februari 2014;
herroept het besluit van 21 oktober 2013, legt aan eiser een boete op van € 776,22 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van
20 februari 2014;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.J.B. Corbey, voorzitter, mr. W.B. Klaus en
mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.