Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-04
ECLI:NL:RBMNE:2026:885
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,643 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBMNE:2026:885 text/xml public 2026-03-27T13:04:35 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-04 UTR 25/6322 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:885 text/html public 2026-03-27T13:04:10 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:885 Rechtbank Midden-Nederland , 04-03-2026 / UTR 25/6322 Wht; Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie afgewezen. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij in 2014 een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend. In de systemen zijn ook geen gegevens terug te vinden over uitbetalingen van kinderopvangtoeslag of voorschotbeschikkingen. Evenmin is gebleken dat eiseres met een daadwerkelijke correctie, stopzetting of terugvordering is geconfronteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat eiseres gedupeerd is als gevolg van de toeslagenaffaire. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6322 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] (Turkije), eiseres en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. 1.1. Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie in het besluit van 14 april 2023 (het primaire besluit) afgewezen. In het bestreden besluit van 2 oktober 2025 is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven. 1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van Dienst Toeslagen deelgenomen. Eiseres heeft, zonder bericht van afmelding, niet deelgenomen. Totstandkoming van het besluit 2. Eiseres heeft zich op 14 februari 2022 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 tot en met 2018. 3. Dienst Toeslagen heeft in het kader van de integrale beoordeling geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat eiseres een gedupeerde is van de toeslagenaffaire, omdat eiseres volgens de gegevens van Dienst Toeslagen geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen over de jaren 2013 tot en met 2018. Beoordeling door de rechtbank 4. De vraag die hier voorligt is of Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie op goede gronden heeft afgewezen. Afwijzing compensatie 5. Uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding van materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van Dienst Toeslagen. 6. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. Eiseres moet dus meer doen dan alleen zeggen dat zij een aanvraag om kinderopvangtoeslag heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier van eiseres geen stukken bevinden waaruit blijkt dat in 2014 een aanvraag om kinderopvangtoeslag is ingediend. Dienst Toeslagen stelt dat hij een doorzoeking heeft gedaan van zijn informatiesystemen en dat daarbij geen aanvraag van eiseres is aangetroffen. In de informatiesystemen van Dienst Toeslagen zijn ook geen gegevens terug te vinden over uitbetalingen van kinderopvangtoeslag of voorschotbeschikkingen over de jaren 2013 tot en met 2018. Ook is niet gebleken dat eiseres voor die jaren met een daadwerkelijke correctie, stopzetting of terugvordering van de kinderopvangtoeslag geconfronteerd is geweest. Om die reden kan dus ook geen sprake zijn van schade als gevolg van het handelen van Dienst Toeslagen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. 7. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de toelichting van Dienst Toeslagen. Te meer omdat eiseres geen begin van bewijs heeft geleverd op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat zij daadwerkelijk voor het jaar 2014 een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Ook overigens heeft de rechtbank in het dossier geen aanwijzingen gevonden voor het oordeel dat Dienst Toeslagen over de jaren 2013 tot en met 2018 vooringenomen zou hebben gehandeld. 8. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiseres gedupeerd is als gevolg van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een compensatie aan eiseres. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Daarom blijft het bestreden besluit in stand. Eiseres krijgt geen vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond; Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.