Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-09
ECLI:NL:RBMNE:2026:831
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,034 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:831 text/xml public 2026-03-20T08:29:12 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-09 UTR 24/3125 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:831 text/html public 2026-03-20T08:28:35 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:831 Rechtbank Midden-Nederland , 09-02-2026 / UTR 24/3125 Parkeerbelasting. Ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/3125 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht , de heffingsambtenaar (gemachtigde: W.G. Vos). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 maart 2024. 1.1. In de beschikking van 26 april 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 25 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar, [A] , [B] en [C] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd, omdat er door eiser geen of te weinig parkeerbelasting is betaald. In geschil is of bij de naheffingsaanslag terecht een bedrag van € 72,90 aan kosten is opgelegd. 3. In de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht (hierna: de Verordening) is de volgende raming/kostenonderbouwing voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgenomen (Onder de bijlage): Berekening kostendeel 2022 Per naheffingsaanslag Informatie/verwerkingskosten € 3.278.633 Personeelskosten € 3.868.678 Overhead € 1.622.779 Kosten naheffingsaanslagen € 8.770.090 Aantal naheffingen 2022 91.939 Kosten per naheffingsaanslag € 95,39 4. In de wet is geregeld dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht waarbij de kosten onderdeel zijn van de naheffingsaanslag. Dat bedrag dient te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Het betreft hier het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). Artikel 2 van het Besluit luidt als volgt: 1) De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen: a. vaste informatieverwerkingskosten; b. variabele informatieverwerkingskosten; c. kosten van afschrijving; d. kosten van interest; e. personeelskosten; f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen. 2) Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren. Verschil in geraamde naheffingsaanslagen en de daadwerkelijke naheffingsaanslagen 5. Eiser stelt dat er reden is om aan te nemen dat de gegevens in de bijlage bij de verordening niet juist kunnen zijn. Het aantal naheffingsaanslagen is lager dan in de voorgaande jaren werd opgelegd. Uit de verordening blijkt namelijk dat is uitgegaan van 91.939 naheffingsaanslagen. Uit de handhavingsverslagen van 2021 en 2022 blijkt echter dat er in 2021, 92.099 naheffingen zijn opgelegd en in 2022, 100.663. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er in 2023 daadwerkelijk 112.411 naheffingsaanslagen zijn opgelegd. 5.1. De heffingsambtenaar heeft hierover in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat het aantal naheffingsaanslagen is gebaseerd op de meest recente cijfers die beschikbaar zijn op het moment van ramen. Omdat de raming voor het jaar 2023 in het jaar 2022 is opgesteld, is deze gebaseerd op de cijfers van het voorafgaande jaar. De verordening dateert immers van 10 november 2022. De voorstellen voor de raadsvergadering van november, gaan al voor de zomer de besluitvormingslijn in. Het definitieve aantal daadwerkelijk opgelegde naheffingsaanslagen in 2021 is pas op een later moment beschikbaar en wordt opgenomen in het Handhavingsverslag 2021. Hierdoor is er een verschil van 160 naheffingsaanslagen. Dit is verwaarloosbaar. Bovendien liggen de werkelijke kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag ver boven het maximumtarief van € 72,90. Verder heeft de heffingsambtenaar hierover op de zitting toegelicht dat de definitieve aantallen van het jaar 2023 pas bekend zijn in de loop 2024. De raming is altijd gebaseerd op een schatting die vooraf wordt gemaakt. 5.2. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat de raming van het aantal naheffingsaanslagen wordt gebaseerd op een inschatting die plaatsvindt voordat een raadsvoorstel voor de vaststelling van de verordening voor het aankomende jaar de procedure van besluitvorming ingaat. Concreet betekent dit dat de verordening voor het jaar 2023, die in november 2022 door raad werd vastgesteld, gebaseerd is op beschikbare cijfers en een op basis daarvan gemaakte inschatting uit het voorjaar van 2022. De heffingsambtenaar had gelet hierop dan ook een inschatting mogen maken aan de hand van beschikbare gegevens van vóór 2023. Dit is volgens de rechtbank in lijn met artikel 2 lid 2 van het Besluit. Nu de verordening in het voorjaar van 2022 is voorbereid, kan de rechtbank de heffingsambtenaar volgen dat naar gegevens is gekeken van vóór 2022. Het daadwerkelijke aantal naheffingsaanslagen in 2023 is dan ook relevant voor de ramingen na 2023. De rechtbank ziet naar aanleiding van de toelichting van de heffingsambtenaar geen reden de schatting van het aantal naheffingsaanslagen naar boven toe bij te stellen. Er bestaat namelijk naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over de juistheid van de door de heffingsambtenaar gebruikte gegevens om de raming vast te stellen. De schatting is immers gemaakt aan de hand van de gegevens die op dat moment beschikbaar waren. De beroepsgrond slaagt niet. 5.3. Overigens merkt de rechtbank op dat de kostenlimiet alsnog niet zou zijn overschreden in het geval bij de ramingsprocedure was uitgegaan van een aantal van 92.099, 100.663 of zelfs 112.411 naheffingsaanslagen. Bij 112.411 naheffingsaanslagen zouden de kosten per naheffingsaanslag immers € 78,02 zijn. Hieruit blijkt dat ook al zou het betoog van eiser slagen en de rechtbank het aantal naheffingsaanslagen naar boven zou bijstellen, het bedrag van € 72,90 per naheffing alsnog gehanteerd zou mogen worden, zonder dat de kostenlimiet zou worden overschreden. De doorberekening van kosten voor parkeerautomaten, vergunningensysteem en belparkeren 6. Eiser stelt dat ten onrechte de kosten voor het vergunningensysteem, belparkeren en parkeerautomaten via de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting toegelicht dat een vergunningensysteem ook een manier van betaald parkeren is. Dat heeft hetzelfde verband als bij parkeerautomaten en belparkeren. Het is namelijk mogelijk om met een vergunning op een bepaalde plek te parkeren.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:831 text/xml public 2026-03-20T08:29:12 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-09 UTR 24/3125 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:831 text/html public 2026-03-20T08:28:35 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:831 Rechtbank Midden-Nederland , 09-02-2026 / UTR 24/3125 Parkeerbelasting. Ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/3125 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht , de heffingsambtenaar (gemachtigde: W.G. Vos). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 maart 2024. 1.1. In de beschikking van 26 april 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 25 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar, [A] , [B] en [C] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd, omdat er door eiser geen of te weinig parkeerbelasting is betaald. In geschil is of bij de naheffingsaanslag terecht een bedrag van € 72,90 aan kosten is opgelegd. 3. In de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht (hierna: de Verordening) is de volgende raming/kostenonderbouwing voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgenomen (Onder de bijlage): Berekening kostendeel 2022 Per naheffingsaanslag Informatie/verwerkingskosten € 3.278.633 Personeelskosten € 3.868.678 Overhead € 1.622.779 Kosten naheffingsaanslagen € 8.770.090 Aantal naheffingen 2022 91.939 Kosten per naheffingsaanslag € 95,39 4. In de wet is geregeld dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht waarbij de kosten onderdeel zijn van de naheffingsaanslag. Dat bedrag dient te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Het betreft hier het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). Artikel 2 van het Besluit luidt als volgt: 1) De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen: a. vaste informatieverwerkingskosten; b. variabele informatieverwerkingskosten; c. kosten van afschrijving; d. kosten van interest; e. personeelskosten; f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen. 2) Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren. Verschil in geraamde naheffingsaanslagen en de daadwerkelijke naheffingsaanslagen 5. Eiser stelt dat er reden is om aan te nemen dat de gegevens in de bijlage bij de verordening niet juist kunnen zijn. Het aantal naheffingsaanslagen is lager dan in de voorgaande jaren werd opgelegd. Uit de verordening blijkt namelijk dat is uitgegaan van 91.939 naheffingsaanslagen. Uit de handhavingsverslagen van 2021 en 2022 blijkt echter dat er in 2021, 92.099 naheffingen zijn opgelegd en in 2022, 100.663. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er in 2023 daadwerkelijk 112.411 naheffingsaanslagen zijn opgelegd. 5.1. De heffingsambtenaar heeft hierover in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat het aantal naheffingsaanslagen is gebaseerd op de meest recente cijfers die beschikbaar zijn op het moment van ramen. Omdat de raming voor het jaar 2023 in het jaar 2022 is opgesteld, is deze gebaseerd op de cijfers van het voorafgaande jaar. De verordening dateert immers van 10 november 2022. De voorstellen voor de raadsvergadering van november, gaan al voor de zomer de besluitvormingslijn in. Het definitieve aantal daadwerkelijk opgelegde naheffingsaanslagen in 2021 is pas op een later moment beschikbaar en wordt opgenomen in het Handhavingsverslag 2021. Hierdoor is er een verschil van 160 naheffingsaanslagen. Dit is verwaarloosbaar. Bovendien liggen de werkelijke kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag ver boven het maximumtarief van € 72,90. Verder heeft de heffingsambtenaar hierover op de zitting toegelicht dat de definitieve aantallen van het jaar 2023 pas bekend zijn in de loop 2024. De raming is altijd gebaseerd op een schatting die vooraf wordt gemaakt. 5.2. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat de raming van het aantal naheffingsaanslagen wordt gebaseerd op een inschatting die plaatsvindt voordat een raadsvoorstel voor de vaststelling van de verordening voor het aankomende jaar de procedure van besluitvorming ingaat. Concreet betekent dit dat de verordening voor het jaar 2023, die in november 2022 door raad werd vastgesteld, gebaseerd is op beschikbare cijfers en een op basis daarvan gemaakte inschatting uit het voorjaar van 2022. De heffingsambtenaar had gelet hierop dan ook een inschatting mogen maken aan de hand van beschikbare gegevens van vóór 2023. Dit is volgens de rechtbank in lijn met artikel 2 lid 2 van het Besluit. Nu de verordening in het voorjaar van 2022 is voorbereid, kan de rechtbank de heffingsambtenaar volgen dat naar gegevens is gekeken van vóór 2022. Het daadwerkelijke aantal naheffingsaanslagen in 2023 is dan ook relevant voor de ramingen na 2023. De rechtbank ziet naar aanleiding van de toelichting van de heffingsambtenaar geen reden de schatting van het aantal naheffingsaanslagen naar boven toe bij te stellen. Er bestaat namelijk naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over de juistheid van de door de heffingsambtenaar gebruikte gegevens om de raming vast te stellen. De schatting is immers gemaakt aan de hand van de gegevens die op dat moment beschikbaar waren. De beroepsgrond slaagt niet. 5.3. Overigens merkt de rechtbank op dat de kostenlimiet alsnog niet zou zijn overschreden in het geval bij de ramingsprocedure was uitgegaan van een aantal van 92.099, 100.663 of zelfs 112.411 naheffingsaanslagen. Bij 112.411 naheffingsaanslagen zouden de kosten per naheffingsaanslag immers € 78,02 zijn. Hieruit blijkt dat ook al zou het betoog van eiser slagen en de rechtbank het aantal naheffingsaanslagen naar boven zou bijstellen, het bedrag van € 72,90 per naheffing alsnog gehanteerd zou mogen worden, zonder dat de kostenlimiet zou worden overschreden. De doorberekening van kosten voor parkeerautomaten, vergunningensysteem en belparkeren 6. Eiser stelt dat ten onrechte de kosten voor het vergunningensysteem, belparkeren en parkeerautomaten via de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting toegelicht dat een vergunningensysteem ook een manier van betaald parkeren is. Dat heeft hetzelfde verband als bij parkeerautomaten en belparkeren. Het is namelijk mogelijk om met een vergunning op een bepaalde plek te parkeren.