Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-02
ECLI:NL:RBMNE:2026:793
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:793 text/xml public 2026-03-23T10:57:22 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-02 UTR 25/464 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:793 text/html public 2026-03-23T10:56:55 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:793 Rechtbank Midden-Nederland , 02-03-2026 / UTR 25/464 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om aan hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toe te kennen. Het Uwv heeft deze WIA-uitkering geweigerd, omdat eiser op de beoordelingsdatum minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht aan eiser geen WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank kan de medische- en arbeidskundigebeoordeling volgen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4264 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (gemachtigde: R. van den Brink). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om aan hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toe te kennen. Het Uwv heeft deze WIA-uitkering geweigerd, omdat eiser op de beoordelingsdatum minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht aan eiser geen WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank kan de medische- en arbeidskundigebeoordeling volgen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voorgeschiedenis en besluitvorming 2. Eiser heeft zich op 24 maart 2022 ziek gemeld, terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken heeft hij op 8 december 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 5 maart 2024 afgewezen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was (namelijk 16,04 %). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van de bezwaren heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw onderzoek gedaan en in meer rubrieken in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) beperkingen aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de inflatiecorrectie van het maatmanloon gecorrigeerd en heeft vanwege de aanpassing in de FML het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd. De eerder geduide voorbeeldfuncties waren niet langer geschikt, maar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kon wel drie andere voorbeeldfuncties en één reserve functie duiden. Dat heeft geleid tot een aanpassing van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 25,67 %. Aangezien eiser nog steeds minder dan 35 % arbeidsongeschikt was, is het Uwv met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift en rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 augustus 2025. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv. Beoordeling door de rechtbank Grondslag van het besluit 3. Het Uwv legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser op 21 maart 2024 minder dan 35 % arbeidsongeschikt is, namelijk 25,67 %. Volgens het Uwv is eiser ongeschikt voor zijn eigen werk, maar wel geschikt voor ander werk. Beoordelingskader 4. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten: - zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen; - bevatten geen tegenstrijdigheden; - zijn voldoende begrijpelijk. 4.1 De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is. 4.2 De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiser op de zogenaamde datum in geding, de beoordelingsdatum. Dat is in dit geval 21 maart 2024. Beoordeling van de beroepsgronden van eiser De medische beoordeling 5. Eiser voert aan dat zijn beperkingen zijn onderschat. Er hadden meer beperkingen aangenomen moeten worden, omdat hij concentratieproblemen heeft als gevolg van zijn depressieve klachten. Alledaagse handelingen kosten meer tijd vanwege medicatie en pijn. Eisers incontinentieproblematiek levert hem schaamte op en dit kost hem energie. Vanwege zijn medicatiegebruik had een beperking aangenomen moeten worden voor beroepsmatig vervoer. Bovendien zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen voor horen, duwen, trekken, tillen en de beweeglijkheid van het hoofd. Tot slot begrijpt eiser niet dat hij, gelet op zijn klachten en beperkingen, niet voldoet aan de voorwaarde voor een urenbeperking. 5.1 Het Uwv voert aan dat eiser geen nieuwe medische feiten of omstandigheden heeft ingebracht op basis waarvan het eerder ingenomen standpunt dient te worden herzien. 5.2 De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 juni 2025 beschrijft dat bij eiser sprake is van psychische klachten, pijnklachten in de nek en rug, mictiestoornis op basis van prostaathypertrofie en licht gehoorverlies met tinnitus. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, waaronder een beperking voor beroepsmatig vervoer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert dat vanwege verminderde mentale flexibiliteit en adaptatievermogen door depressie en paniekstoornis aanvullende beperkingen worden aangenomen ten aanzien van sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, veelvuldige storingen en onderbrekingen en hoog handelingstempo bij complexe taken. Ook wordt een beperking aangenomen ten aanzien van horen. In de FML zijn al beperkingen aangenomen bij diverse items in de rubrieken: fysieke omgevingseisen, dynamische handelen en statische houdingen, waaronder beperkingen voor duwen, trekken en tillen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert onder verwijzing naar de ‘Standaard Duurbelasting in Arbeid’ waarom een urenbeperking, naast de aangenomen beperking om 's nachts te werken, niet aan de orde is. Er is namelijk in geruime mate rekening gehouden met vermoeidheid, pijnklachten en mictieproblemen. 5.3 De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 juni 2025 begrijpelijk en concreet motiveert hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. In de aanvullende rapportage van 1 augustus 2025 gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in op de argumenten van eiser. Daarin blijft deze verzekeringsarts bij zijn eerdere bevindingen en conclusies. De rechtbank kan dit medisch oordeel volgen. Verder blijkt ook niet dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig was.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:793 text/xml public 2026-03-23T10:57:22 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-02 UTR 25/464 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:793 text/html public 2026-03-23T10:56:55 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:793 Rechtbank Midden-Nederland , 02-03-2026 / UTR 25/464 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om aan hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toe te kennen. Het Uwv heeft deze WIA-uitkering geweigerd, omdat eiser op de beoordelingsdatum minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht aan eiser geen WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank kan de medische- en arbeidskundigebeoordeling volgen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4264 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (gemachtigde: R. van den Brink). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om aan hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toe te kennen. Het Uwv heeft deze WIA-uitkering geweigerd, omdat eiser op de beoordelingsdatum minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft geweigerd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht aan eiser geen WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank kan de medische- en arbeidskundigebeoordeling volgen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voorgeschiedenis en besluitvorming 2. Eiser heeft zich op 24 maart 2022 ziek gemeld, terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken heeft hij op 8 december 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 5 maart 2024 afgewezen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was (namelijk 16,04 %). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding van de bezwaren heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw onderzoek gedaan en in meer rubrieken in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) beperkingen aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de inflatiecorrectie van het maatmanloon gecorrigeerd en heeft vanwege de aanpassing in de FML het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd. De eerder geduide voorbeeldfuncties waren niet langer geschikt, maar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kon wel drie andere voorbeeldfuncties en één reserve functie duiden. Dat heeft geleid tot een aanpassing van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 25,67 %. Aangezien eiser nog steeds minder dan 35 % arbeidsongeschikt was, is het Uwv met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift en rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 augustus 2025. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv. Beoordeling door de rechtbank Grondslag van het besluit 3. Het Uwv legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser op 21 maart 2024 minder dan 35 % arbeidsongeschikt is, namelijk 25,67 %. Volgens het Uwv is eiser ongeschikt voor zijn eigen werk, maar wel geschikt voor ander werk. Beoordelingskader 4. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten: - zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen; - bevatten geen tegenstrijdigheden; - zijn voldoende begrijpelijk. 4.1 De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is. 4.2 De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiser op de zogenaamde datum in geding, de beoordelingsdatum. Dat is in dit geval 21 maart 2024. Beoordeling van de beroepsgronden van eiser De medische beoordeling 5. Eiser voert aan dat zijn beperkingen zijn onderschat. Er hadden meer beperkingen aangenomen moeten worden, omdat hij concentratieproblemen heeft als gevolg van zijn depressieve klachten. Alledaagse handelingen kosten meer tijd vanwege medicatie en pijn. Eisers incontinentieproblematiek levert hem schaamte op en dit kost hem energie. Vanwege zijn medicatiegebruik had een beperking aangenomen moeten worden voor beroepsmatig vervoer. Bovendien zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen voor horen, duwen, trekken, tillen en de beweeglijkheid van het hoofd. Tot slot begrijpt eiser niet dat hij, gelet op zijn klachten en beperkingen, niet voldoet aan de voorwaarde voor een urenbeperking. 5.1 Het Uwv voert aan dat eiser geen nieuwe medische feiten of omstandigheden heeft ingebracht op basis waarvan het eerder ingenomen standpunt dient te worden herzien. 5.2 De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 juni 2025 beschrijft dat bij eiser sprake is van psychische klachten, pijnklachten in de nek en rug, mictiestoornis op basis van prostaathypertrofie en licht gehoorverlies met tinnitus. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, waaronder een beperking voor beroepsmatig vervoer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert dat vanwege verminderde mentale flexibiliteit en adaptatievermogen door depressie en paniekstoornis aanvullende beperkingen worden aangenomen ten aanzien van sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, veelvuldige storingen en onderbrekingen en hoog handelingstempo bij complexe taken. Ook wordt een beperking aangenomen ten aanzien van horen. In de FML zijn al beperkingen aangenomen bij diverse items in de rubrieken: fysieke omgevingseisen, dynamische handelen en statische houdingen, waaronder beperkingen voor duwen, trekken en tillen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert onder verwijzing naar de ‘Standaard Duurbelasting in Arbeid’ waarom een urenbeperking, naast de aangenomen beperking om 's nachts te werken, niet aan de orde is. Er is namelijk in geruime mate rekening gehouden met vermoeidheid, pijnklachten en mictieproblemen. 5.3 De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 juni 2025 begrijpelijk en concreet motiveert hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. In de aanvullende rapportage van 1 augustus 2025 gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in op de argumenten van eiser. Daarin blijft deze verzekeringsarts bij zijn eerdere bevindingen en conclusies. De rechtbank kan dit medisch oordeel volgen. Verder blijkt ook niet dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig was.