Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-12
ECLI:NL:RBMNE:2026:686
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND StrafrechtZittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.148620.23 (vordering omzetting tbs dwang) Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 12 februari 2026 in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde: [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] , hierna te noemen: betrokkene. 1 De stukken De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder: het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2025 waarbij betrokkene ter beschikking is gesteld (hierna: tbs) onder voorwaarden omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Het gerechtshof heeft de tbs dadelijk uitvoerbaar verklaard; stukken waaruit blijkt dat de tbs is ingegaan op; het voorlopige advies omzetting naar tbs met verpleging van overheidswege van Reclassering Nederland van 11 november 2025, opgemaakt door E. Konings, reclasseringswerker; de vordering van de officier van justitie van 13 november 2025, inhoudende dat de rechter-commissaris de voorlopige verpleging van overheidswege van betrokkene zal bevelen; de vordering van de officier van justitie van 13 november 2025, inhoudende dat de rechtbank zal bevelen dat betrokkene alsnog van overheidswege zal worden verpleegd; het proces-verbaal van de rechter-commissaris van verhoor ter beschikking gestelde vordering tot voorlopige verpleging van 13 november 2025; het bevel van de rechter-commissaris van 13 november 2025, waarbij de vordering van de officier van justitie toegewezen is en de voorlopige verpleging van betrokkene is bevolen; het definitief advies omzetting naar tbs met verpleging van overheidswege van Reclassering Nederland van 26 november 2025, opgemaakt door E. Konings, reclasseringswerker; het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken op 1 december 2025. 2 Het onderzoek ter terechtzitting De behandeling van de zaak heeft op 1 december 2025 en 12 februari 2026 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord: de officier van justitie, mr. A. Drogt; de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn; de aan de reclassering verbonden deskundigen, E. Konings en D. Duinkerke. 3 Het standpunt van de reclassering Het standpunt van de reclassering blijkt uit de onder 1 genoemde adviezen. Op zitting heeft de aan de reclassering verbonden deskundige de adviezen nader toegelicht. De reclassering schrijft in haar laatste advies van 26 november 2025 het volgende. Betrokkene heeft van 3 september 2024 tot 30 juli 2025 positief in de eerste behandeling bij de [kliniek 1] gestaan, is afgeschaald in beveiligingsniveau en had meerdaagse onbegeleide verloven. Hierna werd hij voor een time-out opgenomen vanwege een terugval in middelen en sterk onsamenhangend gedrag. Hierop is een tweede behandel-poging van 25 september 2025 tot 11 november 2025 naar de [kliniek 2] ingezet. Deze behandelpoging is in deze korte periode onvoldoende van de grond gekomen om aan gedragsverandering en risicobeperking te werken. Betrokkene heeft tijdens zijn eerste behandelpoging laten zien dat hij zich goed in kan zetten tijdens een klinische behandeling, te werken aan gedragsveranderingen en risico’s kan verlagen. Onder andere hierdoor ziet de reclassering nog mogelijkheden voor een nieuwe behandelpoging, maar meer gericht op persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast toont betrokkene voldoende inzicht in zijn valkuilen en problematieken maar heeft hij nog onvoldoende geleerd om hier op een adequate manier mee om te gaan. Ook toont hij intrinsieke motivatie. De deskundige heeft op de zitting van 12 februari 2026 verklaard dat voor betrokkene op vrijdag 13 februari 2026 een plek beschikbaar is in [kliniek 3] voor een nieuwe behandelpoging. 4 Het