Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-03
ECLI:NL:RBMNE:2026:637
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht zittingsplaats Utrecht zaaknummer: 11283477 UM VERZ 24-3646 CJIB-nummer: 253873725 beslissing van de kantonrechter van 3 februari 2026 en proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2026 inzake [betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] , hierna te noemen: betrokkene , gemachtigde: Adviesbureau Skandara. PROCESVERLOOP Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 350,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 16 november 2022 om 14:18 uur te A2 (Nieuwegein) met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om de gedraging: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 20 januari 2025 hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is een gemachtigde verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen. De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en binnen 14 dagen uitspraak gedaan. STANDPUNTEN De gemachtigde ontkent dat de gedraging door betrokkene is verricht. Op grond van het zaakoverzicht kan niet worden vastgesteld dat betrokkene een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden. Daarnaast stelt gemachtigde dat betrokkene ten onrechte niet is staandegehouden, dat de hoorplicht is geschonden en dat er grond bestaat voor matiging vanwege de looptermijn van de zaak. De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk gegrond is. BEOORDELING Staandehouding De kantonrechter stelt allereerst vast dat de verbalisant terecht heeft mogen afzien van staandehouding. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid heeft bestaan om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. De kantonrechter toetst de vraag of bij het vaststellen van de gedraging een reële mogelijkheid tot staandehouding heeft bestaan met enige terughoudendheid. Zo beoordeelt hij of de reden die door verbalisant is opgeschreven in geheel voldoende toereikend is, maar treedt hij zeer beperkt in de afweging van de verbalisant omtrent de precieze verkeerssituatie en verkeersveiligheid ter plaatse. Naar het oordeel van de kantonrechter is de opgegeven reden van de verbalisant voldoende toereikend om te kunnen vaststellen terecht van staandehouding is afgezien. Uit het zaakoverzicht volgt dat de verbalisant niet ter plaatse was ten tijde van de gedraging. De gedraging is immers vastgesteld met behulp van een camerasysteem. De foto’s zijn pas later beoordeeld. Gelet hierop ligt het voor de hand dat er geen mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft bestaan. De sanctie mocht dus terecht aan de kentekenhouder worden opgelegd. De kantonrechter verwijst hiervoor mede naar het arrest van 8 december 2023 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2023:10448. Voorgaande leidt tot het oordeel dat van de verbalisant niet in redelijkheid worden verwacht toepassing te geven aan artikel 5 Wahv, en dus terecht op kenteken heeft mogen bekeuren. De beroepsgrond van betrokkene slaagt derhalve niet. Vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat Uit hetgeen bepaald in artikel 61A Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV1990), volgt dat het degene die een voertuig bestuurt verboden is tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobi