Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-02-24
ECLI:NL:RBMNE:2026:612
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,179 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:612 text/xml public 2026-03-05T11:45:46 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-24 16.200424.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:612 text/html public 2026-02-24T10:06:47 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:612 Rechtbank Midden-Nederland , 24-02-2026 / 16.200424.25 Minderjarige. Veroordeling voor het veroorzaken van een verkeersongeval (art. 6 WVW) door zonder rijbewijs met een opgevoerde bromfiets fors te hard over het fietspad te rijden en met onverminderde snelheid een onoverzichtelijke kruising te naderen. Verdachte is daarbij op een fietser gebotst, aan wie zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Aan verdachte is opgelegd een taakstraf van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16.200424.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] , (hierna: [verdachte] ). 1 Zitting De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 10 februari 2026. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte] ; de officier van justitie: mr. F.E. Leeman; de advocaat van [verdachte] : mr. S.F.J. Smeets (hierna: de advocaat);(vul naam advocaat in met voorletters)(vul vestigingsplaats advocaat in) de advocaat van het slachtoffer: mr. S. Deldjou Fard; de ouders van [verdachte] :; de partner van het slachtoffer. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat: Primair op 21 september 2024 in Almere als bestuurder van een bromfiets een verkeersongeval heeft veroorzaakt door zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht; Subsidiair op 21 september 2024 in Almere als bestuurder van een bromfiets gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op de weg heeft gehinderd. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] het primaire feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht om [verdachte] vrij te spreken van het primaire feit. Voor het subsidiaire feit heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De advocaat heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om twee getuigen, namelijk [getuige 1] en [getuige 2] , te horen als de rechtbank deze verklaringen terzijde schuift. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen De rechtbank oordeelt dat het primaire feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan. 3.3.2 Bewijsoverweging Vaststaat dat [verdachte] op een bromfiets reed over het fietspad van de Wittewerf in Almere. Op de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf is hij met een fietser in botsing gekomen, die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De vraag die voorligt, is of [verdachte] schuld heeft aan het veroorzaken van dit ongeval door zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig te handelen. Dat [verdachte] met zijn bromfiets heeft gereden met een hogere snelheid dan op de kruising verantwoord was, blijkt uit drie verschillende berekeningen die zijn uitgevoerd door de politie. Twee daarvan zijn gebaseerd op camerabeelden. Op deze beelden is te zien dat [verdachte] afrijdt op het kruispunt waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Hij is tot ongeveer 20 meter van dat kruispunt gefilmd. Door te berekenen hoelang [verdachte] heeft gedaan over de afstand van ongeveer 105 meter tussen de twee plekken waarop hij is gefilmd, stelt de politie vast dat hij met een indicatieve gemiddelde snelheid van ongeveer 51 km per uur heeft gereden. Voor de tweede berekening is gebruik gemaakt van het programma Amped Five. Daarbij is de snelheid van de bromfiets berekend op een snelheid tussen de 55 en 57 km per uur. Ten slotte is, voor de derde berekening, de telefoon van [verdachte] uitgelezen. Op basis van de GPS-locaties in de telefoon is berekend dat zijn gemiddelde snelheid tussen de 26,9 en 45,8 km per uur lag. Volgens de advocaat berusten deze berekeningen op aannames en zitten er behoorlijke foutmarges in. De rechtbank vindt daarentegen dat de berekeningen valide en betrouwbaar zijn en dat de politie goed heeft uitgelegd waarop ze zijn gebaseerd. Het klopt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoe hard [verdachte] heeft gereden, maar de rechtbank kan op basis van de berekeningen wel vaststellen dat [verdachte] aanzienlijk te hard heeft gereden. Want ook als de foutmarges die bij de berekeningen zijn gegeven worden meegenomen, blijkt dat [verdachte] op het fietspad voor de kruising harder heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 30 km per uur. Bovendien blijkt uit twee metingen dat [verdachte] geen snelheid heeft geminderd vlak voor de kruising. De rechtbank vindt dan ook dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] heeft gereden met een snelheid die de toegestane maximumsnelheid van 30 km per uur fors overschreed. Hij is met een te hoge snelheid de kruising genaderd, terwijl hij wist dat het een onoverzichtelijke kruising was en er dus alle reden was om zijn snelheid tot een minimum te beperken. [verdachte] wist bovendien dat hij op een bromfiets reed die opgevoerd was. Daar komt nog bij dat hij geen rijbewijs had voor het besturen van deze bromfiets. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, als gevolg waarvan aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Het voorwaardelijke verzoek van de advocaat om twee getuigen te horen, wijst de rechtbank af, omdat zij deze verklaringen niet nodig vindt voor het bewijs. De twee getuigen hebben een ontlastende verklaring afgelegd over de snelheid van [verdachte] , maar de rechtbank hecht bij het vaststellen van de snelheid van [verdachte] meer waarde aan de snelheidsberekeningen van de politie en gebruikt enkel deze voor het bewijs. Daarom is het niet noodzakelijk voor het onderzoek om de getuigen alsnog te horen. Bovendien heeft de advocaat eerder tijdens het proces de kans gehad om onderzoekswensen in te dienen. De rechter-commissaris heeft, bij het uitblijven van een reactie, in een proces-verbaal van 30 september 2025 aangegeven ervan uit te gaan dat de advocaat geen onderzoekswensen heeft.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:612 text/xml public 2026-03-05T11:45:46 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-24 16.200424.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:612 text/html public 2026-02-24T10:06:47 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:612 Rechtbank Midden-Nederland , 24-02-2026 / 16.200424.25 Minderjarige. Veroordeling voor het veroorzaken van een verkeersongeval (art. 6 WVW) door zonder rijbewijs met een opgevoerde bromfiets fors te hard over het fietspad te rijden en met onverminderde snelheid een onoverzichtelijke kruising te naderen. Verdachte is daarbij op een fietser gebotst, aan wie zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Aan verdachte is opgelegd een taakstraf van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16.200424.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] , (hierna: [verdachte] ). 1 Zitting De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 10 februari 2026. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte] ; de officier van justitie: mr. F.E. Leeman; de advocaat van [verdachte] : mr. S.F.J. Smeets (hierna: de advocaat);(vul naam advocaat in met voorletters)(vul vestigingsplaats advocaat in) de advocaat van het slachtoffer: mr. S. Deldjou Fard; de ouders van [verdachte] :; de partner van het slachtoffer. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat: Primair op 21 september 2024 in Almere als bestuurder van een bromfiets een verkeersongeval heeft veroorzaakt door zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te gedragen, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht; Subsidiair op 21 september 2024 in Almere als bestuurder van een bromfiets gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op de weg heeft gehinderd. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] het primaire feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht om [verdachte] vrij te spreken van het primaire feit. Voor het subsidiaire feit heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De advocaat heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om twee getuigen, namelijk [getuige 1] en [getuige 2] , te horen als de rechtbank deze verklaringen terzijde schuift. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen De rechtbank oordeelt dat het primaire feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan. 3.3.2 Bewijsoverweging Vaststaat dat [verdachte] op een bromfiets reed over het fietspad van de Wittewerf in Almere. Op de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf is hij met een fietser in botsing gekomen, die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De vraag die voorligt, is of [verdachte] schuld heeft aan het veroorzaken van dit ongeval door zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig te handelen. Dat [verdachte] met zijn bromfiets heeft gereden met een hogere snelheid dan op de kruising verantwoord was, blijkt uit drie verschillende berekeningen die zijn uitgevoerd door de politie. Twee daarvan zijn gebaseerd op camerabeelden. Op deze beelden is te zien dat [verdachte] afrijdt op het kruispunt waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Hij is tot ongeveer 20 meter van dat kruispunt gefilmd. Door te berekenen hoelang [verdachte] heeft gedaan over de afstand van ongeveer 105 meter tussen de twee plekken waarop hij is gefilmd, stelt de politie vast dat hij met een indicatieve gemiddelde snelheid van ongeveer 51 km per uur heeft gereden. Voor de tweede berekening is gebruik gemaakt van het programma Amped Five. Daarbij is de snelheid van de bromfiets berekend op een snelheid tussen de 55 en 57 km per uur. Ten slotte is, voor de derde berekening, de telefoon van [verdachte] uitgelezen. Op basis van de GPS-locaties in de telefoon is berekend dat zijn gemiddelde snelheid tussen de 26,9 en 45,8 km per uur lag. Volgens de advocaat berusten deze berekeningen op aannames en zitten er behoorlijke foutmarges in. De rechtbank vindt daarentegen dat de berekeningen valide en betrouwbaar zijn en dat de politie goed heeft uitgelegd waarop ze zijn gebaseerd. Het klopt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoe hard [verdachte] heeft gereden, maar de rechtbank kan op basis van de berekeningen wel vaststellen dat [verdachte] aanzienlijk te hard heeft gereden. Want ook als de foutmarges die bij de berekeningen zijn gegeven worden meegenomen, blijkt dat [verdachte] op het fietspad voor de kruising harder heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 30 km per uur. Bovendien blijkt uit twee metingen dat [verdachte] geen snelheid heeft geminderd vlak voor de kruising. De rechtbank vindt dan ook dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] heeft gereden met een snelheid die de toegestane maximumsnelheid van 30 km per uur fors overschreed. Hij is met een te hoge snelheid de kruising genaderd, terwijl hij wist dat het een onoverzichtelijke kruising was en er dus alle reden was om zijn snelheid tot een minimum te beperken. [verdachte] wist bovendien dat hij op een bromfiets reed die opgevoerd was. Daar komt nog bij dat hij geen rijbewijs had voor het besturen van deze bromfiets. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, als gevolg waarvan aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Het voorwaardelijke verzoek van de advocaat om twee getuigen te horen, wijst de rechtbank af, omdat zij deze verklaringen niet nodig vindt voor het bewijs. De twee getuigen hebben een ontlastende verklaring afgelegd over de snelheid van [verdachte] , maar de rechtbank hecht bij het vaststellen van de snelheid van [verdachte] meer waarde aan de snelheidsberekeningen van de politie en gebruikt enkel deze voor het bewijs. Daarom is het niet noodzakelijk voor het onderzoek om de getuigen alsnog te horen. Bovendien heeft de advocaat eerder tijdens het proces de kans gehad om onderzoekswensen in te dienen. De rechter-commissaris heeft, bij het uitblijven van een reactie, in een proces-verbaal van 30 september 2025 aangegeven ervan uit te gaan dat de advocaat geen onderzoekswensen heeft.
Volledig
3.4 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] : op 21 september 2024, te Almere, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, het fietspad van de Wittewerf en de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, - terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en - met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was over het fietspad van de Wittewerf te rijden en - vervolgens met onverminderde snelheid voornoemde kruising te naderen en - zich daarbij niet of in onvoldoende mate ervan te vergewissen dat de kruising vrij was van verkeer, terwijl op dat moment een van links komende fiets, bestuurd door [slachtoffer] , zich op voornoemde kruising bevond en - vervolgens tegen die fietsster te botsen en/of aan te rijden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten - een forse zwelling van de weke delen op het voorhoofd en - bloederige kneuzinghaarden in de hersenen en bloedingen onder het spinnenwebvormig hersenvlies en een bloeding onder het harde hersenvlies en - een breuk in de oogkas (met een uitpuilend oog en uitgerekte oogzenuw) en - een breuk tussen de oogkas en de bijholte en - een breuk in de neus en - meerdere breuken in de kaak en - ernstig neurologisch letsel, werd toegebracht. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht . 4.2. Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en [verdachte] zijn strafbaar. 5 Straf 5.1 Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot: - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; - een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 6 maanden. 5.2 Standpunt van de verdediging De advocaat heeft aangevoerd dat het feit al langer geleden gebeurd is, wat moet meewegen in de strafoplegging. Hij heeft verzocht om aan [verdachte] een beperkte werkstraf op te leggen, waarvan minimaal de helft voorwaardelijk. 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan [verdachte] een taakstraf op, in de vorm van een werkstraf, van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, eveneens met een proeftijd van 2 jaren. Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit [verdachte] heeft een verkeersongeval veroorzaakt door zonder rijbewijs met een opgevoerde bromfiets fors te hard over het fietspad te rijden en met onverminderde snelheid een onoverzichtelijke kruising te naderen. Hij is daar op een fietser gebotst en daarna op een auto. Het slachtoffer (de fietser) heeft na het ongeval twee maanden in coma gelegen en ondervindt nog dagelijks veel pijn en beperkingen. Zij schrijft in haar slachtofferverklaring dat niets meer is zoals vroeger en dat zij nooit meer volledig zal herstellen. Zij kan niet meer normaal lopen, haar zicht is verslechterd en zij heeft last van spasmen. Ook is haar gezicht voorgoed veranderd en zijn haar verstandelijke vermogens aangetast. Zij lijdt dagelijks en wordt er steeds aan herinnerd hoe haar leven is veranderd. De rechtbank is zich ervan bewust dat [verdachte] niet met opzet het verkeersongeval heeft veroorzaakt en de gevolgen hiervan niet heeft gewild, maar hij heeft dusdanig onvoorzichtig gehandeld dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval. Daarvoor moet [verdachte] een straf krijgen. Persoonlijke omstandigheden van [verdachte] De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 8 januari 2026. Daaruit blijkt dat hij eerder al een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor het besturen van een motorrijtuig terwijl hij daarvoor nog niet de minimumleeftijd had bereikt. Op 23 september 2025 heeft hij ook een geldboete opgelegd gekregen omdat hij in juli 2025 zonder rijbewijs heeft gereden. De rechtbank vindt het zorgelijk dat [verdachte] opnieuw op de bromfiets is gestapt terwijl er tien maanden daarvoor door zijn toedoen zo’n ernstig ongeluk was gebeurd. Positief is dat [verdachte] op de zitting heeft aangegeven na afloop van de strafzaak open te staan voor mediation met het slachtoffer. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 februari 2026. Daarin staat dat de Raad in haar onderzoek geen risicofactoren ziet die de kans op herhaling van delictgedrag vergroten. Het ongeval heeft veel impact gehad op [verdachte] en zijn gezin. [verdachte] heeft er veel spijt van en beseft dat hij nooit de scooter had moeten pakken. De Raad vraagt zich echter wel sterk af waarom [verdachte] er in juli 2025 nogmaals voor heeft gekozen om te rijden zonder rijbewijs. Het lijkt erop dat hij onvoldoende heeft geleerd van de gevolgen van het rijden zonder rijbewijs. De Raad ziet daarom pedagogische meerwaarde in het opleggen van een straf en adviseert om aan [verdachte] een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel is een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. Omdat [verdachte] minderjarig is, komt de rechtbank uit op een lagere taakstraf en legt zij een deel daarvan voorwaardelijk op. Omdat [verdachte] nog niet over een rijbewijs beschikt en een ontzegging van de rijbevoegdheid daarom op dit moment vrijwel geen toegevoegde waarde heeft, legt de rechtbank die ontzegging ook voorwaardelijk op. Het doel van deze voorwaardelijke straffen is om [verdachte] ervan te weerhouden dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: Artikelen 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht; Artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Volledig
3.4 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] : op 21 september 2024, te Almere, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, het fietspad van de Wittewerf en de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, - terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en - met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was over het fietspad van de Wittewerf te rijden en - vervolgens met onverminderde snelheid voornoemde kruising te naderen en - zich daarbij niet of in onvoldoende mate ervan te vergewissen dat de kruising vrij was van verkeer, terwijl op dat moment een van links komende fiets, bestuurd door [slachtoffer] , zich op voornoemde kruising bevond en - vervolgens tegen die fietsster te botsen en/of aan te rijden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten - een forse zwelling van de weke delen op het voorhoofd en - bloederige kneuzinghaarden in de hersenen en bloedingen onder het spinnenwebvormig hersenvlies en een bloeding onder het harde hersenvlies en - een breuk in de oogkas (met een uitpuilend oog en uitgerekte oogzenuw) en - een breuk tussen de oogkas en de bijholte en - een breuk in de neus en - meerdere breuken in de kaak en - ernstig neurologisch letsel, werd toegebracht. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht . 4.2. Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en [verdachte] zijn strafbaar. 5 Straf 5.1 Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot: - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; - een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 6 maanden. 5.2 Standpunt van de verdediging De advocaat heeft aangevoerd dat het feit al langer geleden gebeurd is, wat moet meewegen in de strafoplegging. Hij heeft verzocht om aan [verdachte] een beperkte werkstraf op te leggen, waarvan minimaal de helft voorwaardelijk. 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan [verdachte] een taakstraf op, in de vorm van een werkstraf, van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, eveneens met een proeftijd van 2 jaren. Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit [verdachte] heeft een verkeersongeval veroorzaakt door zonder rijbewijs met een opgevoerde bromfiets fors te hard over het fietspad te rijden en met onverminderde snelheid een onoverzichtelijke kruising te naderen. Hij is daar op een fietser gebotst en daarna op een auto. Het slachtoffer (de fietser) heeft na het ongeval twee maanden in coma gelegen en ondervindt nog dagelijks veel pijn en beperkingen. Zij schrijft in haar slachtofferverklaring dat niets meer is zoals vroeger en dat zij nooit meer volledig zal herstellen. Zij kan niet meer normaal lopen, haar zicht is verslechterd en zij heeft last van spasmen. Ook is haar gezicht voorgoed veranderd en zijn haar verstandelijke vermogens aangetast. Zij lijdt dagelijks en wordt er steeds aan herinnerd hoe haar leven is veranderd. De rechtbank is zich ervan bewust dat [verdachte] niet met opzet het verkeersongeval heeft veroorzaakt en de gevolgen hiervan niet heeft gewild, maar hij heeft dusdanig onvoorzichtig gehandeld dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval. Daarvoor moet [verdachte] een straf krijgen. Persoonlijke omstandigheden van [verdachte] De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 8 januari 2026. Daaruit blijkt dat hij eerder al een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor het besturen van een motorrijtuig terwijl hij daarvoor nog niet de minimumleeftijd had bereikt. Op 23 september 2025 heeft hij ook een geldboete opgelegd gekregen omdat hij in juli 2025 zonder rijbewijs heeft gereden. De rechtbank vindt het zorgelijk dat [verdachte] opnieuw op de bromfiets is gestapt terwijl er tien maanden daarvoor door zijn toedoen zo’n ernstig ongeluk was gebeurd. Positief is dat [verdachte] op de zitting heeft aangegeven na afloop van de strafzaak open te staan voor mediation met het slachtoffer. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 februari 2026. Daarin staat dat de Raad in haar onderzoek geen risicofactoren ziet die de kans op herhaling van delictgedrag vergroten. Het ongeval heeft veel impact gehad op [verdachte] en zijn gezin. [verdachte] heeft er veel spijt van en beseft dat hij nooit de scooter had moeten pakken. De Raad vraagt zich echter wel sterk af waarom [verdachte] er in juli 2025 nogmaals voor heeft gekozen om te rijden zonder rijbewijs. Het lijkt erop dat hij onvoldoende heeft geleerd van de gevolgen van het rijden zonder rijbewijs. De Raad ziet daarom pedagogische meerwaarde in het opleggen van een straf en adviseert om aan [verdachte] een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel is een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. Omdat [verdachte] minderjarig is, komt de rechtbank uit op een lagere taakstraf en legt zij een deel daarvan voorwaardelijk op. Omdat [verdachte] nog niet over een rijbewijs beschikt en een ontzegging van de rijbevoegdheid daarom op dit moment vrijwel geen toegevoegde waarde heeft, legt de rechtbank die ontzegging ook voorwaardelijk op. Het doel van deze voorwaardelijke straffen is om [verdachte] ervan te weerhouden dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: Artikelen 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht; Artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Volledig
7 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat [verdachte] het primaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; Strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; Strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde; Straffen - veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren ; - beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie; - bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 40 uren , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - beveelt dat, als [verdachte] het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen; - als voorwaarde geldt dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ontzegt [verdachte] ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden ; bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; als voorwaarde geldt dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. T. van Haaren-Paulus en mr. C. Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026. De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 21 september 2024, te Almere, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, het fietspad van de Wittewerf en/of de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of - met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was over het fietspad van de Wittewerf te rijden en/of - ( vervolgens) met onverminderde snelheid voornoemde kruising te naderen en/of op te rijden en/of - zich daarbij niet of in onvoldoende mate ervan te vergewissen dat de kruising vrij was van verkeer, terwijl op dat moment een (van links komende) fietsster, bestuurd door [slachtoffer] , zich op voornoemde kruising bevond en/of - ( vervolgens) tegen die fietsster te botsen en/of aan te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten - een forse zwelling van de weke delen op het voorhoofd en/of - bloederige kneuzinghaarden in de hersenen en/of bloedingen onder het spinnenwebvormig hersenvlies en/of een bloeding onder het harde hersenvlies en/of - een breuk in de oogkas (met een uitpuilend oog en uitgerekte oogzenuw) en/of - een breuk tussen de oogkas en de bijholte en/of - een breuk in de neus en/of - meerdere breuken in de kaak en/of - ernstig neurologisch letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 21 september 2024, te Almere, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bromfiets), daarmee rijdende op de weg, het fietspad van de Wittewerf en/of de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf, - terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of - met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was over het fietspad van de Wittewerf heeft gereden en/of - ( vervolgens) met onverminderde snelheid voornoemde kruising is genaderd en/of is opgereden en/of - zich daarbij niet of in onvoldoende mate ervan heeft vergewist dat de kruising vrij was van verkeer, terwijl op dat moment een (van links komende) fietsster, bestuurd door [slachtoffer] , zich op voornoemde kruising bevond en/of - ( vervolgens) tegen die fietsster is gebotst en/of aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Bijlage II: Bewijsmiddelen De verklaring van [verdachte] op de zitting van 10 februari 2026 Ik zat op de scooter en reed door Almere. Ik wist wel dat de scooter opgevoerd was. Ik mocht niet rijden omdat ik geen rijbewijs heb. Ik kende de plek van het ongeval, ik ben er vaker geweest. Het zicht is er slecht, je ziet echt niks. Het proces-verbaal van verkeersongevalsanalyse d.d. 9 november 2024, p. 32, 37, 50, 56 t/m 58: Voertuig 1: bromfiets, betreft bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur (snorfiets). Op zaterdag 21 september 2024, omstreeks 18.00 uur, heeft er op de Wittewerf te Almere een verkeersongeval plaatsgevonden waar een bromfiets, een fiets en een personenauto bij betrokken waren. De bestuurder van de bromfiets reed op het fietspad van de Wittewerf, komende uit de richting van Schoolwerf en gaande in de richting Achterwerfbrug. De bestuurder van de fiets reed op de Wittewerf, komende uit de richting Pedersenpad en gaande in de richting van Goedewerf. Op het kruispunt gevormd door het fietspad en de rijbaan van de Wittewerf is de bromfiets tegen de fiets gebotst. De bestuurders van de fiets en bromfiets hebben door het verkeersongeval letsel opgelopen. De fiets kwam voor de bestuurder van de bromfiets gezien van links. Ingevolge artikel 62 jo bord A1 van bijlage 1 van het RW 1990, waarboven het woord ‘zone’ was aangebracht, bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor weggebruikers 30 km per uur. De maximumconstructie-snelheid van de bromfiets werd vastgesteld op 51 kilometer per uur. Op basis van de camerabeelden van Wittewerf perceelnummer [nummer] heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , indicatief een gemiddelde snelheid van de bromfiets berekend over een gedeelte van het fietspad van de Wittewerf. Het traject begin bij het kruispunt met de Schoolwerf en eindigt ter hoogte van de voortuin van Wittewerf perceelnummer [nummer] . De afstand van dit traject heb ik opgemeten in Politieatlas en was ongeveer 105 meter. Voor de berekening heb ik 100 meter aangehouden omdat de positie van de bromfiets aan het begin van het traject niet precies bepaald kan worden. Een kortere afstand in dezelfde tijd resulteert in een lagere gemiddelde snelheid. Er zaten ongeveer 170 frames tussen het begin en het einde van het traject, wat overeenkomt met ongeveer 7 seconden. Een afstand afgelegd in een langere tijd resulteert in een lagere gemiddelde snelheid. De formule om de gemiddelde snelheid te berekenen is: gemiddelde snelheid = afgelegde afstand (in meters) / de tijd (in seconden) 100 / 7 = 14,3 meters per seconde = 51 km per uur De bestuurder van de bromfiets had over het fietspad gereden met een indicatieve gemiddelde snelheid van ongeveer 51 km per uur.
Volledig
7 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart bewezen dat [verdachte] het primaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; Strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; Strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde; Straffen - veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren ; - beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie; - bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 40 uren , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - beveelt dat, als [verdachte] het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen; - als voorwaarde geldt dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ontzegt [verdachte] ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden ; bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; als voorwaarde geldt dat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. T. van Haaren-Paulus en mr. C. Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026. De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 21 september 2024, te Almere, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, het fietspad van de Wittewerf en/of de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of - met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was over het fietspad van de Wittewerf te rijden en/of - ( vervolgens) met onverminderde snelheid voornoemde kruising te naderen en/of op te rijden en/of - zich daarbij niet of in onvoldoende mate ervan te vergewissen dat de kruising vrij was van verkeer, terwijl op dat moment een (van links komende) fietsster, bestuurd door [slachtoffer] , zich op voornoemde kruising bevond en/of - ( vervolgens) tegen die fietsster te botsen en/of aan te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten - een forse zwelling van de weke delen op het voorhoofd en/of - bloederige kneuzinghaarden in de hersenen en/of bloedingen onder het spinnenwebvormig hersenvlies en/of een bloeding onder het harde hersenvlies en/of - een breuk in de oogkas (met een uitpuilend oog en uitgerekte oogzenuw) en/of - een breuk tussen de oogkas en de bijholte en/of - een breuk in de neus en/of - meerdere breuken in de kaak en/of - ernstig neurologisch letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 21 september 2024, te Almere, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bromfiets), daarmee rijdende op de weg, het fietspad van de Wittewerf en/of de kruising van het fietspad van de Wittewerf met de rijbaan van de Wittewerf, - terwijl aan hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven en/of - met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was over het fietspad van de Wittewerf heeft gereden en/of - ( vervolgens) met onverminderde snelheid voornoemde kruising is genaderd en/of is opgereden en/of - zich daarbij niet of in onvoldoende mate ervan heeft vergewist dat de kruising vrij was van verkeer, terwijl op dat moment een (van links komende) fietsster, bestuurd door [slachtoffer] , zich op voornoemde kruising bevond en/of - ( vervolgens) tegen die fietsster is gebotst en/of aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Bijlage II: Bewijsmiddelen De verklaring van [verdachte] op de zitting van 10 februari 2026 Ik zat op de scooter en reed door Almere. Ik wist wel dat de scooter opgevoerd was. Ik mocht niet rijden omdat ik geen rijbewijs heb. Ik kende de plek van het ongeval, ik ben er vaker geweest. Het zicht is er slecht, je ziet echt niks. Het proces-verbaal van verkeersongevalsanalyse d.d. 9 november 2024, p. 32, 37, 50, 56 t/m 58: Voertuig 1: bromfiets, betreft bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur (snorfiets). Op zaterdag 21 september 2024, omstreeks 18.00 uur, heeft er op de Wittewerf te Almere een verkeersongeval plaatsgevonden waar een bromfiets, een fiets en een personenauto bij betrokken waren. De bestuurder van de bromfiets reed op het fietspad van de Wittewerf, komende uit de richting van Schoolwerf en gaande in de richting Achterwerfbrug. De bestuurder van de fiets reed op de Wittewerf, komende uit de richting Pedersenpad en gaande in de richting van Goedewerf. Op het kruispunt gevormd door het fietspad en de rijbaan van de Wittewerf is de bromfiets tegen de fiets gebotst. De bestuurders van de fiets en bromfiets hebben door het verkeersongeval letsel opgelopen. De fiets kwam voor de bestuurder van de bromfiets gezien van links. Ingevolge artikel 62 jo bord A1 van bijlage 1 van het RW 1990, waarboven het woord ‘zone’ was aangebracht, bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor weggebruikers 30 km per uur. De maximumconstructie-snelheid van de bromfiets werd vastgesteld op 51 kilometer per uur. Op basis van de camerabeelden van Wittewerf perceelnummer [nummer] heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , indicatief een gemiddelde snelheid van de bromfiets berekend over een gedeelte van het fietspad van de Wittewerf. Het traject begin bij het kruispunt met de Schoolwerf en eindigt ter hoogte van de voortuin van Wittewerf perceelnummer [nummer] . De afstand van dit traject heb ik opgemeten in Politieatlas en was ongeveer 105 meter. Voor de berekening heb ik 100 meter aangehouden omdat de positie van de bromfiets aan het begin van het traject niet precies bepaald kan worden. Een kortere afstand in dezelfde tijd resulteert in een lagere gemiddelde snelheid. Er zaten ongeveer 170 frames tussen het begin en het einde van het traject, wat overeenkomt met ongeveer 7 seconden. Een afstand afgelegd in een langere tijd resulteert in een lagere gemiddelde snelheid. De formule om de gemiddelde snelheid te berekenen is: gemiddelde snelheid = afgelegde afstand (in meters) / de tijd (in seconden) 100 / 7 = 14,3 meters per seconde = 51 km per uur De bestuurder van de bromfiets had over het fietspad gereden met een indicatieve gemiddelde snelheid van ongeveer 51 km per uur.