Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-20
ECLI:NL:RBMNE:2026:611
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht zittingsplaats Utrecht zaaknummer: 11390796 UM VERZ 24-6040 CJIB-nummer: 250736037 beslissing van de kantonrechter van 20 februari 2026 en proces-verbaal van de zitting van 6 februari 2026 inzake [betrokkene] uit [plaats] , hierna te noemen: de betrokkene gemachtigde: M.J.M. Bergers. Inleiding In 2022 vonden er op verschillende plaatsen in Nederland protestacties van boeren plaats die gericht waren tegen het toenmalige stikstofbeleid van de Nederlandse overheid. Begin juli 2022 werd het distributiecentrum van Jumbo in Nieuwegein geblokkeerd met trekkers. De betrokkene was hierbij aanwezig met zijn trekker. Op 6 juli 2022 hebben de actievoerders de blokkade beëindigd en zijn zij in een stoet van landbouwvoertuigen vertrokken van het terrein. Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd van € 250,00, omdat hij op 6 juli 2022 in Nieuwegein zou hebben geclaxonneerd kort nadat hij in de stoet van landbouwvoertuigen was vertrokken. De boete is aanvankelijk opgelegd vanwege het met een landbouwvoertuig onnodig geluid veroorzaken, terwijl de betrokkene de kentekenhouder van het voertuig was. De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene gegrond verklaarden heeft de boete verlaagd tot € 150,00. De proceskosten van de betrokkene zijn daarbij vergoed. Aan de boete is nu ten grondslag gelegd dat het landbouwvoertuig signalen heeft gegeven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan, door zonder noodzaak te claxonneren. Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 6 februari 2026. Namens de betrokkene was de gemachtigde aanwezig. Namens de officier van justitie was een zittingsvertegenwoordiger aanwezig. De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan. De standpunten van de partijen De betrokkene betwist dat hij heeft geclaxonneerd. Voor het geval waarin de kantonrechter dit niet volgt, is op de zitting namens de betrokkene verder (subsidiair) aangevoerd dat de boete moet worden gematigd gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. De officier van justitie vindt dat uit het dossier volgt dat de betrokkene zonder reden heeft geclaxonneerd en ziet geen reden voor het matigen van de boete. Beoordeling door de kantonrechter Wat staat er (onder meer) in het dossier? 1. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van de politie, waarin het volgende staat: “ Op woensdag 7 juli (de kantonrechter begrijpt: 6 juli) 2022 om 23:52 uur zag ik het voertuig met het kenteken [kenteken] gebruik maken van de openbare weg te Nieuwegein. Ik was op deze locatie aanwezig vanwege mijn neventaak, zijnde groepscommandant mobiele eenheid. Het distributiecentrum van de supermarktketen Jumbo was geblokkeerd door onder andere het betrokken voertuig. Op last van de burgemeester van Nieuwegein is de ME ter plaatse gekomen om de betrokken partijen te vorderen om te vertrekken. Hier werd aan voldaan door de aanwezige partijen. Ik zag dat het betrokken voertuig zich in een stoet van meerdere landbouwvoertuigen verplaatste naar de Laagravenseweg N408. Hierbij passeerde de stoet mijn ME-voertuig. Ik hoorde dat er meerdere voertuigen gebruik maakten van geluidsignalen variërend van misthoorns tot geluidsversterkers zoals een megafoon. Ik hoorde, op het moment dat het betrokken voertuig naast mijn geparkeerde ME-voertuig reed, dat deze gebruik maakte van de claxon. Ten tijde van de gedraging was er maximaal 10 meter tussen mijn ME-voertuig en het betrokken landbouwvoertuig. Hierdoor kan ik met zekerheid zeggen dat dit voertuig verantwoordelijk was voor het geproduceerde geluid. Er was geen direct gevaar waarvoor de gedraging op dat moment noodzakelijk was. ” Is er geclaxonneerd? 2. Bestuurders mogen slechts geluidssignalen geven om dreigend gevaar af te wenden. Dat volgt uit artikel 28 van het Reg Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan ook betekenis toekomen aan de omstandigheid dat privé-eigendom in het geding is. Mocht het demonstratierecht in dit geval beperkt worden? 9. Door de betrokkene met een boete te bestraffen voor het claxonneren, is hij beperkt in de uitoefening van zijn demonstratierecht. 10. De kantonrechter stelt voorop dat de handhaving van de verkeersregels uit het RVV 1990 bij wet is voorzien, in de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. De verkeersregels en de handhaving daarvan zijn in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van, onder meer, de verkeersveiligheid. 11. In dit geval was sprake van een vreedzame demonstratie. De actievoerders verplaatsten zich in een stoet van landbouwvoertuigen over de openbare weg en er zijn geen aanwijzingen dat er (verkeers)regels werden overtreden, anders dan het claxonneren. Evenmin zijn er aanwijzingen dat privébezit van anderen gevaar liep. Het claxonneren door de betrokkene kan onder deze omstandigheden niet als laakbare gedraging worden aangemerkt. Alles afwegend oordeelt de kantonrechter dat de verstoring die de stoet landbouwvoertuigen op dat moment met zich meebracht zo gering was, dat zij niet rechtvaardigt dat de betrokkene werd beperkt in zijn grondrechten door het claxonneren te sanctioneren met een boete. 12. De conclusie is dat in dit specifieke geval en onder de hiervoor geschetste omstandigheden sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de grondrechten van de betrokkene. De officier van justitie had bij de beslissing op het administratief beroep alleen al om die reden moeten afzien van het handhaven van de bestraffende boete. 13. De kantonrechter merkt nog op dat het EHRM in zijn rechtspraak benadrukt dat een vreedzame demonstratie in beginsel niet onderworpen mag worden aan de dreiging van een strafrechtelijke sanctie. Als een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan wordt vervolgd, moet de rechter zich er daarom rekenschap van geven dat het strafrechtelijke optreden en de bestraffing niet zó ingrijpend zijn dat daarvan een afschrikwekkend effect (“chilling effect”) uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun grondrechten. Gelet op de conclusie dat afgezien had moeten worden van bestraffing, komt de kantonrechter niet meer toe aan de vraag of daarmee sprake was van een ‘chilling effect’ voor anderen. 14. Het beroep is gegrond. De boete wordt gematigd tot nihil. De termijn van berechting en de proceskosten 15. De kantonrechter stelt met de gemachtigde vast dat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. Omdat de boete al wordt gematigd tot nihil, worden hieraan verder geen gevolgen verbonden. 16. De officier van justitie wordt veroordeeld in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde in de fase van administratief beroep heeft de officier van justitie al een vergoeding toegekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934,- per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De vergoeding bedraagt daarom 2 x € 934,- x 0,5 = € 934,-. Beslissing De kantonrechter: verklaart het beroep gegrond; wijzigt de beslissing van de officier van justitie; stelt het bedrag van de administratieve sanctie op nihil; bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het te veel betaalde teruggeeft; veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene ter hoogte van € 934,00. Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitges