Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:593
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummers: 16/384261-24; 16/008236-25 (gev. ttz); 16/265854-23 (vord. tul) Tegenspraak Vonnis van de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [2007] in [geboorteplaats] (Tunesië), verblijvende op het adres [adres 1] in [woonplaats] , (hierna: [verdachte] ). 1 Zitting De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de zitting achter gesloten deuren van 3 februari 2026. Het onderzoek is gesloten op 23 februari 2026. Op de zitting waren aanwezig: [verdachte] ; de officier van justitie: mr. B. Niks; de advocaat van [verdachte] : mr. C.H. Pentinga (hierna: de advocaat); de vader en zus van [verdachte] ; de benadeelde partij: de heer [benadeelde 1] ; de hoofdbehandelaar bij [instelling] (hierna: [instelling] ); de gedragswetenschapper bij [instelling] ; de raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad); de jeugdreclasseerder bij Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de jeugdreclassering). 2 Tenlastelegging De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/384261-24 en 16/008236-25 tenlastegelegde feiten respectievelijk als feit 1 tot en met 6. De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat: feit 1 in de periode van 26 december 2024 tot en met 1 januari 2025 in Lelystad samen met anderen heeft ingebroken in de volgende woningen en daaruit meerdere spullen heeft gestolen: - [adres 2] en - [adres 3] en - [adres 4] en - [adres 5] ; feit 2 in de periode van 25 december 2024 tot en met 28 december 2024 in Lelystad samen met anderen heeft geprobeerd om in te breken en om geld en/of goederen te stelen uit de volgende woningen: - [adres 6] , en - [adres 7] en - [adres 8] ; feit 3 in de periode tussen 1 september 2024 tot en met 20 januari 2025 in Lelystad samen met anderen cocaïne en heroïne heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad; feit 4 op 13 december 2024 in Lelystad een raam van [slachtoffer 1] heeft vernield; feit 5 in de periode van 12 november 2024 tot en met 18 februari 2025 in Lelystad heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die het oogmerk had om woninginbraken, diefstallen met geweld, (gewoonte)witwassen en mensenhandel te plegen. feit 6 op 8 januari 2025 in Lelystad een vuurwapen en een kogelpatroon voorhanden heeft gehad . De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de vier voltooide woninginbraken onder feit 1, de drie pogingen tot woninginbraken onder feit 2 en de vernieling onder feit 4 heeft gepleegd. Feit 3 vindt de officier van justitie tevens te bewijzen, echter uitsluitend voor de periode van 1 september 2024 tot en met 14 december 2024. De officier van justitie stelt zich daarom op het standpunt dat [verdachte] gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van de periode van 15 december 2024 tot en met 20 januari 2025. Feit 5 kan volgens de officier van justitie ook worden bewezen, in die zin dat [verdachte] uitsluitend in de periode van 12 november 2024 tot en met 7 januari 2025 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De officier van justitie stelt zich om die reden op het standpunt dat [verdachte] gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van de periode van 8 januari 2025 tot en met 18 februari 2025. Daarnaast vindt de officier van justitie niet te bewijzen dat [verdachte] wetenschap had van het oogmerk van de overige medeverdachten om diefstallen met geweld te plegen, waardoor hij ook van dit deel van de beschuldiging moet worden vrijgesproken. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde voltooi [adres 2] de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 26 december 2024, genummerd 241226-936-270, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] , pagina 604 tot en met 610; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2025, genummerd 2501241340.AMB, betreffende woninginbraken [adres 2] en [adres 7] , pagina 586 tot en met 593; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] [plaats] ) van 30 december 2024, genummerd PL0900-2024409050-6, pagina 611 tot en met 614; - een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, zijnde een rapport betreffende forensisch DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) van 13 januari 2025, pagina 616 en 617; Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 3] de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 29 december 2024, genummerd PL0900-2024410475-8, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (mede namens [A] en [B] ), pagina 660 tot en met 682; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2025, genummerd 2501291005.AMB, betreffende woninginbraken [adres 3] en [adres 8] , pagina 646 tot en met 654; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 3] [plaats] ) van 29 december 2024, genummerd PL0900-2024410475-10, pagina 683 en 684; Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 5] de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 januari 2025, genummerd 250101-136-451, inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde 1] , pagina 814 tot en met 831; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2025, genummerd 2503031007.AMB, betreffende woninginbraken 31 december 2024, pagina 752 tot en met 769. 3.3.3 Bewijsmiddelen t.a.v. feit 2 De rechtbank oordeelt dat de onder feit 2 tenlastegelegde pogingen tot woninginbraken zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 6] In het proces-verbaal van aangifte van 26 december 2024 heeft [aangever 3] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard: Ik doe aangifte van poging inbraak in mijn woning. Op 26 december 2024, omstreeks 01.45 uur, lag ik te slapen. Ik werd wakker van de deurbel. Ik zag dat de politie voor de deur stond. De politie vertelde mij dat er geprobeerd was om in te breken. Ik zag dat het keukenraam van mijn woning kapot was. Toen ik naar bed ging, was dit raam nog heel. Ik zag dat de inbrekers niet binnen zijn geweest. In het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 6] [plaats] ), genummerd PL0900-2024408505-4, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd: Op 26 december 2024 om 10:30 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 6] , [plaats] . Voorafgaand aan het door mij ingestelde forensische onderzoek, verkreeg ik de volgende informatie: Poging woninginbraak met zichtbare braaksporen en gebroken ruit keukenraam. schoenafdrukken op tuinbank. Ter plaatse werd ik aangesproken door de zoon en dochter van aangeefster mevrouw [aangever 3] . Zij verklaarden mij dat een buurjongen glasgerinkel gehoord had en lichten zag en daarop de politie gebeld had. Op 26 december 2024 om 10:30 uur startte ik mijn onderzoek. Ik zag aan de zijkant van de woning een uitzet raam. Ik zag achter dit raam de keuken. Ik zag dat de ruit gebroken was. Ik zag in de sluitnaad van het raam meerder indrukken en krassen. Ik zag dat een deel versplinterd was. Ik herken deze indrukken als zijnde veroorzaakt door het wrikken met een werktuig. Ik zag links van het raam een wit tuinbankje staan. Ik zag op de rechterhoek van het zitgedeelte meerdere Op 26 december 2024, omstreeks 22:00 uur, ging ik in mijn slaapkamer in bed liggen en viel ik in slaap. Omstreeks 23:45 uur, schrok ik plotseling wakker en hoorde ik hard glasgerinkel. Ik voelde overal in mijn bed glas liggen. Ik zag dat het raam kapot was en overal in de slaapkamer glas lag. Ik zag een grote stoeptegel op mijn bed liggen. Ik herkende de tegel niet. Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 8] In het proces-verbaal van aangifte van 29 december 2024, heeft [aangever 5] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard: Op 26 december 2024 omstreeks 11:45 uur ben ik samen met mijn gezin in de auto gestapt om richting Voorthuizen te gaan. Ik heb mijn woning goed afgesloten voordat wij vertrokken. Op alle ramen en deuren in de woning zit het systeem bevestigd. Deze heb ik op 26 december 2024 om 11:50 uur erop gezet. Op 28 december 2024 om 02:04:20 uur is mijn alarm systeem afgegaan. Ik zag dit omstreeks 9:17 uur. Ik heb toen mijn oude buurvrouw [C] gebeld, zij is toen richting onze woning gegaan. Hier zag [C] dat er schade was aan de twéé schuifpuien en aan het raam aan de achterzijde van de woning. Om 9:38 uur vertelde [C] mij dat er niks weg was vanuit de woning en dat ze niet binnen zijn geweest. Op 28 december 2024 kwam ik thuis en zag toen de schade aan mijn woning. De twee schuifpuien aan de achterzijde zijn ontzet hier is een knoest te zien midden in de pui, er is een noest van twéé centimeter breed. De schuifpui wil niet meer goed schuiven en is licht ontzet. Het raam aan de achterzijde is ontzet, de klem is aan de binnenkant gebogen en wilt niet meer goed sluiten. Het houten kozijn is gesplinterd aan de kant van de sluiting is een knoest te zien van twéé centimeter breed. Bewijsmiddelen t.a.v. alle drie woninginbraken Op zitting van 3 februari 2026 heeft [verdachte] het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard: Tijdens de pogingen tot woninginbraken aan de [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] heb ik met anderen in de grijze auto gezeten. Ik wist wat er ging gebeuren. Het plan was dat ik bij de inbraken op de uitkijk zou staan of naar binnen ging, als er een steen naar binnen werd gegooid en er vervolgens geen alarm werd geslagen. Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 2 [verdachte] heeft op zitting bekend dat hij op de pleegdata samen met de medeverdachten in dezelfde auto zat en wist wat er op dat moment zou gebeuren. Er was een duidelijk plan om inbraken te gaan plegen. Door het gooien van een stoeptegel, het kapot maken van een raam of een schuifpui te ontzetten is er naar de uiterlijke verschijningsvormen een begin van uitvoering gemaakt aan de woninginbraken. Het is voor de rechtbank niet relevant wie van de verdachten een stoeptegel bij de woningen naar binnen gooide. De rollen van de verdachten waren in die zin inwisselbaar. [verdachte] is samen met de medeverdachten op pad gegaan en heeft over zijn aandeel bekend dat hij op de uitkijk stond, of naar binnen zou gaan als er geen alarm werd geslagen nadat er een stoeptegel naar binnen werd gegooid. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] hiermee een voldoende significante bijdrage heeft geleverd, waardoor er sprake is van medeplegen. De rechtbank acht daarom bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de pogingen tot woninginbraken bij de [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] in [plaats] . 3.3.4 Bewijsmiddelen t.a.v. feit 3 De rechtbank oordeelt dat het onder 3 tenlastegelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: In het proces-verbaal van bevindingen , genummerd 2501290922PVB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd: Uit onderzoek blijkt dat [verdachte] vermoedelijk de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] is. Uit de hierbij gegenereerde gegevens blijkt dat er voor dit nummer gebruik wordt gemaakt van een mobiele telefoon voorzien van het IMEI nummer [IMEI nummer] . Daarnaast blijkt uit onderzoek dat [verdachte] vanaf 20 november 2024 ook nog gebruik maakte van het telefoonnum Het is goed mogelijk dat deze situatie er toe geleid heeft dat er vanaf 14 december 2024 tot en met 25 december 2024 geen (reguliere) drugsdealgesprekken werden gevoerd. Als op 26 december 2024 de deallijn opnieuw actief wordt lijkt de mobiele telefoon vooral beheerd te worden door iemand anders dan ervoor. Aanhoudingen Op 9 januari 2025 werd door mevrouw [slachtoffer 2] een telefoongesprek gevoerd. Het tegencontact vraagt aan [slachtoffer 2] naar het telefoonnummer van ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’. Hierop zegt [slachtoffer 2] dat die vastzit. Op 8 januari 2025 werd verdachte [verdachte] aangehouden op verdenking van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Ten tijde van het opmaken en ondertekenen van dit proces-verbaal zat verdachte [verdachte] nog in voorlopige hechtenis. Resume Uit de gerelateerde tapgesprekken kan opgemaakt worden dat de eerste drugsdealgesprekken met de dealtelefoon gevoerd werden op het moment dat de dealtelefoon voorzien was van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit vond plaats vanaf 27 november 2024. Uit verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat dit telefoonnummer vanaf 21 november 2024 gebruikt werd in de dealtelefoon. Tevens lijkt naar voren te komen dat [verdachte] , die kennelijk de bijnaam ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ heeft, een telefoon gebruikte waar de ‘oude’ telefoonnummers van de/een deallijn in werden geplaatst. Dit werd mogelijk gedaan om te voorkomen dat de deallijn klanten kwijt zou raken. Zoals klanten die niet geïnformeerd zijn over de simwissel van de deallijn of vergeten zijn om de simwissel van de deallijn hun eigen telefoon op te slaan. Door ook het ‘oude’ dealnummer nog een poosje actief te houden, konden de klanten die contact zochten met het oude dealnummer alsnog/nogmaals geïnformeerd worden over de reeds uitgevoerde simwissel van de deallijn. In het proces-verbaal van bevindingen , genummerd 2501230845PVB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd: Op [adres 9] staat vanaf 26 juni 2024 een persoon ingeschreven te weten: - [slachtoffer 2] , geboren op [1957] te [geboorteplaats] . [slachtoffer 2] is blijkens de politiesystemen geregistreerd als drugsgebruiker. Het is het onderzoeksteam bekend dat dealers vaak gebruik maken van de woning van drugsgebruikers om drugs te koken, verpakken, stashen en/of verhandelen. Voordat [slachtoffer 2] op [straat] woonde, kwam er bij de politie informatie binnen dat een groep, waar onder andere verdachte [medeverdachte 2] deel van uitmaakte, de woning van [slachtoffer 2] zou gebruiken als adres om goederen onder te brengen. Nu [slachtoffer 2] woonachtig is op [adres 9] is vorenstaande wederom het geval. Gedurende het onderzoek werd duidelijk dat er door meerdere verdachten gebruik werd gemaakt van de woning op [adres 9] in [plaats] . Tijdens het onderzoek is er op 15 november 2024, een heimelijke camera geplaatst op [straat] met zicht op de woning met nummer [huisnummer] . [verdachte] maakt tevens deel uit van de groep rondom [medeverdachte 2] . Op vrijdag 22 november 2024, om 11.25 uur, is op de camerabeelden te zien dat een persoon de woning betreedt. Deze persoon betreft verdachte [verdachte] . Ik herken [verdachte] aan de hand van wekenlange analyse van camerabeelden. Ik herken hem vooral door zijn jonge uiterlijk maar ook aan de hand van zijn gezicht, postuur, manier van lopen en Kleding. Camerabeelden in combinatie met dealgesprekken Uit de geïntercepteerde telecommunicatie van de deallijn, in combinatie met de camerabeelden van [adres 9] blijkt dat de bestellingen die gedaan worden op de deallijn, onder andere bezorgd worden vanaf [adres 9] . Tevens blijkt uit vorenstaand gerelateerde geïntercepteerde telecommunicatie de aanwezigheid van [verdachte] op [adres 9] . Pauze in deallijn Op zondag 15 december 2024, om 19.48 uur, wordt [verdachte] gebeld door iemand uit de penitentiaire inrichting. [verdachte] zegt in dit gesprek onder andere dat hij die ding stop gezet heeft, het hete shit is, dat hij een beetje hee Bij het onderzoeksteam is door de opname van telecommunicatie het vermoeden ontstaan dat ‘ [contactnaam 2 verdachte] wordt gebruikt als dealernaam. Bij het onderzoeksteam was inmiddels bekend dat er in de periode van 21 november 2024 t/m 20 januari 2025 een deallijn actief is geweest, dat bekend is onder de naam [naam deallijn] . Handel verdovende middelen In de periode van 27 oktober 2024 tot en met 9 november 2024, valt uit het chatverkeer dat [contactnaam 3 verdachte] heeft met verschillende tegencontacten op te maken dat " [contactnaam 1 verdachte] ' handelt in verdovende middelen. In deze periode zijn er in het chatverkeer aanwijzingen dat de iPhone 11 met telefoonnummer [telefoonnummer] een dealerlijn voor de handel in harddrugs. Er worden termen als ‘wit’, ‘licht’ ‘donker’, 3 voor 25, 7 voor 50 gebruikt. Het is verbalisant ambtshalve bekend dat dit gaat over cocaïne, heroïne en hoeveelheden drugs voor een geldbedrag. Binnen chatgroep op snapchat: Op 8-11-2024 werd op de Apple IPhone 11 snapchat geïnstalleerd. Hierbij zijn de volgende gegevens: Naam: [fake naam verdachte] Username: [usernaam fake naam verdachte] . In de chats is het account zichtbaar als ' [accountnaam fakenaam verdachte] [fake naam verdachte] (owner). Bijnamen van de gebruiker van dealertelefoon binnen de chats In de WhatsApp chats gebruikt de beheerder van de dealertelefoon meerdere (bij)namen. Opvallend is dat de naam ' [bijnaam 1 verdachte] ' meerdere keren wordt gebruikt. Ook wordt de bijnaam ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’ gebruikt. Resumé Uit onderzoek van de telefoon blijkt dat deze is gebruikt als zogenoemde dealerlijn in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 9 november 2024. Uit de whatsappberichten dat het account ‘ [Whatsapp username 2] .whatsapp.net [contactnaam 1 verdachte] ’ heeft met zijn tegencontacten blijkt dat er wordt gesproken in termen die gerelateerd zijn aan de handel in harddrugs. Ook valt uit de chatberichten op te maken dat de beheerder van de dealerlijn een persoon dan wel personen aanstuurt om de drugs te bezorgen. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van een (elektrische) fiets dan wel fatbike. Uit de chatberichten van de telefoon zijn er aanwijzingen dat de dealerlijn gebruik maakt van de woning [adres 9] , te [plaats] als plaats vanwaar de jongen(s) worden aangestuurd. Uit het chatverkeer van de telefoon valt ook op te maken dat de [adres 9] te [plaats] wordt gebruikt als drugswoning. In de chatberichten dat [slachtoffer 2] heeft met de dealerlijn ‘ [Whatsapp username 1] @s-whatsapp.net [contactnaam 1 verdachte] ', stuurt [slachtoffer 2] de berichten ‘dat die jongen zijn geld komt halen’ en ‘dat die jongen van gisteren is er nu ook. Dealer account [Whatsapp username 1] @s.whatsapp.net [contactnaam 1 verdachte] stuurt een bericht naar [slachtoffer 2] : 'Is die jongen al terug van zijn rondje”. Vanuit het chatverkeer dat de beheerder van de dealertelefoon heeft met zijn tegencontacten is opgevallen dat de bijnamen ' [bijnaam 1 verdachte] ' en ‘ [bijnaam 2 verdachte] ' worden gebruikt. De WhatsApp accounts [Whatsapp username 1] @s.whatsapp.net en [Whatsapp username 3] @s.whatsapp.networden aangesproken met de bijnaam ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ of stellen zich voor als ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’. In het chatverkeer dat de beheerder van de dealertelefoon heeft op snapchat stelt het snapchataccount ‘ [fake naam verdachte] ’ zich voor als ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ en wordt hij door een tegencontact aangesproken als ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’. Uit bovenstaande is er een sterk vermoeden ontstaan dat de Apple iPhone 11 gebruikt wordt als dealertelefoon. Tot slot blijkt uit het chatverkeer op de dealertelefoon dat de beheerder van de dealertelefoon zich voorstelt als “ [contactnaam 1 verdachte] , “ [contactnaam 2 verdachte] , ‘ [contactnaam 4 verdachte] en ‘ [bijnaam 1 verdachte] dan wel wordt aangesproken met de bijnamen ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ en ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’. Op zitting van 3 februari 2026 heeft [verdachte] onder meer het v De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 december 2024, genummerd PL0900-2024395674-2, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , pagina 1886 en 1887; een de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 17 februari 2025, genummerd 2502101001.PVB, over de bekennende verklaring van [verdachte] , pagina 1873 en 1879. 3.3.7 Bewijsmiddelen t.a.v. feit 5 [verdachte] bekent dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals dit feit hieronder bewezen is verklaard. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. Deze bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis. Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 5 Van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als de verdachte behoort tot een samenwerkingsverbanden hij een aandeel heeft in gedragingen of gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. Het samenwerkingsverband moet een zekere duurzaamheid en structuur hebben en minstens tussen twee personen bestaan. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Uit het dossier volgt dat er meerdere woninginbraken door [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn gepleegd in wisselende samenstellingen. Er kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen de medeverdachten. Uit de inhoud van de OVC-gesprekken volgt dat de organisatie een duurzaam karakter had, omdat de woninginbraken over een langere periode intensief werden besproken en voorbereid. De organisatie had ook een interne structuur. Gebleken is dat [medeverdachte 2] en onder andere [medeverdachte 1] een leidende rol hadden en jongens zoals [verdachte] aanstuurden. Zij kozen de desbetreffende woningen uit, gaven de opdracht om naar specifieke waardevolle spullen te zoeken en droegen [verdachte] vaker op om als eerste bij de woningen naar binnen te klimmen, omdat hij een klein en smal postuur had. Elke betrokkene bij de diefstallen had een eigen rol en taak, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven. Uit het voorgaande blijkt dat deze organisatie het oogmerk had om onder andere bij woningen in te breken. Uit de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten (woninginbraken en pogingen hiertoe) blijkt dat [verdachte] hierbij betrokken was en dus wetenschap had van dit oogmerk. Verder kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat de organisatie de woning aan [adres 9] te Lelystad gebruikte als rovershol en stashlocatie van onder andere alle gestolen goederen. [adres 9] betrof de woning van een 68-jarige vrouw [slachtoffer 2] ) die drugsverslaafd is. De organisatie heeft misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en haar daardoor crimineel uitgebuit. Zo hebben de verdachten op 12 november 2024 haar televisie vernield, lag 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] : feit 1 in de periode van 26 december 2024 tot en met 1 januari 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen in een woning, terwijl verdachte en zijn mededaders zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbenden bevonden, meerdere goederen die aan anderen toebehoorden, te weten - op 26 december 2024 geld, een horloge en een erepenning, toebehorend aan [aangever 1] ( [adres 2] ) en - in de nacht van 27 op 28 december 2024 meerdere horloges en sieraden, toebehorend aan [aangever 2] en [A] en [B] ( [adres 3] ) en - in de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 meerdere horloges en sieraden, toebehorend aan [benadeelde 1] ( [adres 5] ) en heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming; feit 2 in de periode van 25 december 2024 tot en met 28 december 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meermalen in een woning, terwijl verdachte en zijn mededaders zich aldaar buiten wil of tegen de wil van de rechthebbenden bevonden, geld en goederen die aan anderen toebehoorden, te weten aan - [aangever 3] ( [adres 6] , in de nacht van 25 december 2024 op 26 december 2024) en - [aangever 4] ( [adres 7] , op of omstreeks 26 december 2024) en - [aangever 5] ( [adres 8] , in de nacht van 27 december 2024 op 28 december 2024) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en het weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, een ruit van die woningen heeft ingegooid en een raamklem, meerdere schuifpuien, een raam en een houten kozijn heeft beschadigd en vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3 in de periode gelegen tussen 27 oktober 2024 tot en met 14 december 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; feit 4 op 13 december 2024 te Lelystad opzettelijk en wederrechtelijk een raam, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield; feit 5 in de periode van 12 november 2024 tot en met 7 januari 2025 te Lelystad heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten - woninginbraken als bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht en - (gewoonte)witwassen als bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht en - mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht (variant criminele uitbuiting); feit 6 op 8 januari 2025 te Lelystad, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Blow, model TR34, kaliber 7.65mmBr zijnde een vuurwapen in de vorm van een gaspistool omgebouwd naar projectiel schietend, en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de Wet Wapens en Munitie, van categorie III, te weten een scherp kogelpatroon, kaliber 7.65mmBr, voorhanden heeft gehad. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1 diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel van de justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 12 januari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en opiumdelicten in 2024. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een Pro Justitia rapport van 24 juni 2025, betreffende een psychologisch en psychiatrisch onderzoek van [verdachte] . Hieruit blijkt dat er bij [verdachte] sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een ouder-kind relatieprobleem en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling (met antisociale en narcistische trekken). Door het laatstgenoemde heeft [verdachte] last van een beperkte gewetensontwikkeling, waardoor hij egocentrische en antisociale denkfouten maakt. Hierdoor lukt het hem niet om zijn eigen behoeften uit of bij te stellen of om pro-sociale oplossingen te zoeken voor zijn problemen (zoals het vragen om hulp). De deskundigen zien redenen om de door [verdachte] bekende woninginbraken en pogingen hiertoe, en het vuurwapenbezit (licht) verminderd aan [verdachte] toe te rekenen. Ten aanzien van de deelname aan een criminele organisatie en de handel in drugs onthouden de deskundigen zich van een advies over de toerekening, omdat [verdachte] destijds geen openheid van zaken hierover had gegeven. Het recidiverisico wordt bij onveranderde omstandigheden en zonder interventies als hoog ingeschat, door factoren als de al langdurig bij [verdachte] aanwezige grens- en normoverschrijdende gedragsproblemen, de omgang met criminele leeftijdgenoten, het ontbreken van een pro-sociale dagbesteding, het gebrek aan gezonde copingsvaardigheden en oprecht berouw, het zich onttrekken aan interventies en beperkte veranderbaarheid zonder interventies. De deskundigen zien weinig beschermende factoren die het recidiverisico kunnen inperken. Volgens hen is [verdachte] in enige mate positief gericht op zijn toekomst en heeft hij enige motivatie voor behandeling, afspraken en voorwaarden. De positieve band met zijn ouders is ook een beschermende factor. Om het recidiverisico te verkleinen en in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling is langdurige en intensieve begeleiding en jeugdreclasseringstoezicht vanuit ITB Harde Kern nodig, binnen een strak kader waarin duidelijke afspraken, grenzen en regels worden opgelegd. De deskundigen achten het van belang dat [verdachte] een duurzame deelname aan onderwijs en werk heeft, een zinvolle vrijetijdsbesteding, zich zal houden aan afspraken, zal deelnemen aan psychologische behandeling en ambulante begeleiding, zal omgaan met een pro-sociaal netwerk en inzicht zal geven in zijn contacten. Het advies is om dit binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan [verdachte] op te leggen. Als de bewezenverklaarde feiten dit niet toelaten, zal behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden moeten worden vormgegeven, met een zo lang mogelijke proeftijd zodat de benodigde optimale behandelduur wordt ondersteund. Daarnaast heeft de rechtbank ook acht geslagen op het advies van de Raad van 27 januari 2026. Gelet op de ernst van de feiten, het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling is de Raad net als de psycholoog en de psychiater van oordeel dat een strak kader zoals ITB Harde Kern noodzakelijk is. De Raad kan zich vinden in het Pro Justitia rapport opgestelde behandelplan, met de nuancering dat [verdachte] inmiddels bij [instelling] verblijft, en de behandeling en begeleiding dus vanuit die locatie moeten plaatsvinden. De Raad adviseert dit behandelplan net als de psycholoog en de psychiater vorm te geven in een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Daarnaast vindt de Raad dat [verdachte] een duidelijk signaal moet worden gegeven dat dergelijk gedrag niet acceptabel is en adviseert daarom ook een jeugddetentie aan hem op te leggen, die niet langer zal duren dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De Raad vindt het nam [verdachte] heeft op zitting overtuigend verteld dat hij intrinsiek gemotiveerd is om aan zijn toekomst te werken en eerlijk durft aan te geven dat hij bijvoorbeeld nog hulp nodig heeft bij het omgaan met verleiding. De rechtbank constateert hiermee dat [verdachte] in staat is om zijn hulpvragen kenbaar te maken en duidelijk is in de communicatie. De rechtbank neemt verder in overweging dat een ‘militante’ bejegening volgens de hoofdbehandelaar niet goed zou aanslaan bij [verdachte] . Naar het oordeel van de rechtbank valt hem bovendien niet te verwijten dat eerdere hulpverlening van Articare is misgelopen, waardoor de nodige behandeling niet eerder van de grond is gekomen en [verdachte] er eerder niet in is geslaagd om zich te houden aan bijzondere voorwaarden. De mogelijkheden van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden zijn daarom nog niet uitgeput. Dit tezamen brengt de rechtbank tot de conclusie dat er aanleiding is om [verdachte] geen voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, maar de voorwaarden die nodig zijn om [verdachte] verder te helpen op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf. Oplegging jeugddetentie De rechtbank houdt er bij het bepalen van de hoogte van de straf in strafverzwarende zin rekening mee dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een reeks van ernstige strafbare feiten, terwijl hij kort daarvoor nog was veroordeeld en nota bene in een proeftijd liep. Het is heel zorgelijk dat [verdachte] zich op zo jonge leeftijd schuldig heeft gemaakt aan deze reeks ernstige strafbare feiten die doorgaans met zware criminaliteit in verband worden gebracht. Anderzijds heeft de rechtbank oog voor de ondergeschikte rol van [verdachte] in de groep met wie hij meerdere van de feiten heeft gepleegd. In strafverminderende zin houdt de rechtbank er dan ook rekening mee dat [verdachte] een kwetsbare jongen is, die omwille van het snelle geld in deze criminele wereld is meegezogen door sterkere spelers die daarop hebben ingespeeld. Naar het oordeel van de rechtbank moeten alle bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan [verdachte] worden toegerekend. Anders dan ten tijde van de gesprekken van [verdachte] met de psychiater en de psycholoog van het NIFP, heeft [verdachte] inmiddels inzicht gegeven in zijn handelen bij feiten 3 en 5 (de handel in drugs en de deelname aan een criminele organisatie), waardoor de redenering van de deskundigen over verminderde toerekening volgens de rechtbank ook voor die feiten op gaat. Dit weegt in strafverminderende zin mee. In het kader van vergelding en normbevestiging van alle bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een forse jeugddetentie passend. De rechtbank acht het van belang dat het behandelplan, dat door de Raad op grond van het Pro Justitia rapport is geadviseerd, per direct in actie wordt gezet zodat [verdachte] zijn positieve lijn kan voortzetten. De rechtbank zal [verdachte] daarom veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke strafgedeelte van de jeugddetentie gelijk stellen aan de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht, zodat hij niet opnieuw in detentie terechtkomt waardoor zijn positieve ontwikkeling wordt doorkruist. Gelet op dit alles acht de rechtbank een jeugddetentie van 600 dagen, waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die zijn geadviseerd door de Raad, met uitzondering van het contactverbod met de slachtoffers zodat de optie van mediation mogelijk blijft. De rechtbank zal [verdachte] tot slot wel een contactverbod opleggen met slachtoffer [slachtoffer 1] en met mevrouw [slachtoffer 2] . Dadelijke uitvoerbaarheid Gelet op het hoge recidiverisico dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en omdat de r De benadeelde partij heeft in zijn verzoek tot schadevergoeding aangegeven zich wegens een verhuizing niet meer te herinneren wat zijn materiële schade was, maar dat het in ieder geval om een kapotte voorruit ging. 7.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie eist ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] dat de materiële schadeposten worden toegewezen, maar dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie eist dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] eist de officier van justitie dat deze integraal wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie eist dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, omdat uit jurisprudentie volgt dat een vernieling onvoldoende basis biedt voor het aannemen van het bestaan van immateriële schade. Tot slot eist de officier van justitie dat [verdachte] en zijn mededaders samen aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding aan benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , omdat hij feit 1 samen met mededaders heeft gepleegd (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). 7.3 Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Primair omdat deze te laat zou zijn ingediend en de verdediging daardoor onvoldoende tijd heeft gehad om zich op deze vordering voor te bereiden, en subsidiair wegens onvoldoende onderbouwing. De advocaat verzoekt om benadeelde partij [benadeelde 2] primair niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de advocaat om slechts € 450,00 toe te wijzen ter vergoeding van immateriële schade en het bedrag ter vergoeding van materiële schade flink te matigen. De advocaat verzoekt om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing. 7.4 Oordeel van de rechtbank Vordering van [benadeelde 1] Materiële schade Het gedeelte van de vordering dat ziet op de weggenomen horloges en sieraden (nummers 1 tot en met 8) is slechts onderbouwd met één kassabon van de Swarovski en drie handgeschreven bonnen in de Arabische taal (volgens de benadeelde zijn dit de facturen). De benadeelde partij heeft aangegeven dat de bijbehorende kassabonnen zijn meegenomen door de verdachten, waardoor hij zelf een schatting heeft moeten maken van de waarde van deze schadeposten. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat er inderdaad een hoeveelheid aan horloges en sieraden is gestolen van de benadeelde partij. Een vergoeding van materiële schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij heeft daarom recht op een vergoeding hiervoor. Nu er geen concrete onderbouwing is gegeven van de aanschafwaarde van de weggenomen horloges en sieraden, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Gelet op de geschatte bedragen die door de benadeelde partij zijn gekoppeld aan de weggenomen horloges en sieraden, stelt de rechtbank de waarde hiervan vast op € 8.000,00. Aangezien er naast [verdachte] nog drie medeverdachten verantwoordelijk zijn voor deze schade, acht de rechtbank het passend om [verdachte] te veroordelen voor een bedrag van € 1.000,00, gelet op zijn rol en aandeel in de winst hiervan ten opzichte van de medeverdachten. Daarnaast wordt er onder materiële schade tevens kosten voor de schade aan het laminaat en de keuken, en contant geld gevorderd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige gebaseerd is op het verkrijgen van een vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW, omdat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon zou zijn aangetast. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van zijn vordering slechts gesteld dat [verdachte] bij een groep hoort die hem al langere tijd pest, waardoor hij psychisch achteruit is gegaan. Gelet op bovengenoemd juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Hij heeft immers geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Bovendien volgt reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting (vernieling van een voorruit) en de gevolgen daarvan dat er geen sprake is van een aantasting ‘op andere wijze’. De rechtbank zal de vordering daarom in zijn geheel afwijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil. 8 Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf De rechtbank in Lelystad heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16/265854-23 op 14 mei 2024 een jeugddetentie van 42 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. 8.1. Vordering van de officier van justitie Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit, hetgeen in principe aanleiding is om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie te eisen. Echter wil de officier van justitie het plan van aanpak van de Raad hiermee niet doorkruisen. Daarom eist de officier van justitie dat de voorwaardelijke jeugddetentie van 42 dagen zal worden omgezet in een werkstraf van 84 uur. 8.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen, gelet op de lange duur dat [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht. 8.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en zal in plaats van de voorwaardelijke jeugddetentie van 42 dagen daarom een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 84 uren gelasten. 9 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en de beslissing op het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 140, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht; artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet; artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 600 (zeshonderd) dagen ; - bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 280 (tweehonderdtachtig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit een positieve vrijetijdsbesteding zal hebben in de vorm van sport of hobby, naar goedkeuring van de jeugdreclasseerder; - waarbij de gecertificeerde instelling, te weten Samen Veilig Midden-Nederland, opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden; - beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn; beslag t.a.v. parketnummer 16/384261-24 - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 1 STK Drugs (omschrijving: PL0900-MDRAA24027_845613, in wit papiertje gevouwen, vermoedelijk verdovende middelen); 1 STK Drugs (omschrijving: PL0900-MDRAA24027_845600, gripzakje met verschillende brokjes gebruikershoeveelheid hash); 1 STK Kentekenplaat (omschrijving: PL0900-MDRAA24027_845610, gele kentekenplaat, [kenteken] op naam [D] , [1997] , geel); 1 STK Kentekenplaat (omschrijving: PL0900-MDRAA24027_845607, kentekenplaat [kenteken] op naam van [E] , [1960] , Blauw); 1 STK Stroomstootwapen (omschrijving: PL0900-MDRAA24027_845611, taser in de vorm van een zaklamp, zwart); beslag t.a.v. parketnummer 16/008236-24 - verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer: 1 STK Pistool (omschrijving: PL0900-2025008129-3464329); - gelast de teruggave aan [verdachte] van het volgende voorwerp: 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025008129-3464317, iPhone, zwart); vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1) - wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit een vergoeding van materiële schade; veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling; verklaart de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 1.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling. Bepaalt dat bij niet betaling geen gijzeling zal worden toegepast; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1) verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 4) verklaart de benadeelde partij wat betreft de vordering ten aanzien van materiële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; wijst het overige van de vordering van de benadeelde partij af; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil; vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/265854-23 - wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Lelystad bij vonnis van 14 mei 2024 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe ; - gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 84 uren; - beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 42 dagen vervangende hechtenis; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. H.C. Piet en S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R.V. Joerawan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 febru Bijlage I: De tenlastelegging Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat: in de zaak met parketnummer 16/384261-24 feit 1 hij in of omstreeks de periode van 26 december 2024 tot en met 1 januari 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende(n) bevonden, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een of meer anderen toebehoorden, te weten - op of omstreeks 26 december 2024 geld, een horloge en/of een erepenning, toebehorend aan [aangever 1] ( [adres 2] ) en/of - in de nacht van 27 op 28 december 2024 een of meer horloges en/of sieraden, toebehorend aan [aangever 2] en/of [A] en/of [B] ( [adres 3] ) en/of - op of omstreeks 31 december 2024 een of meer sieraden, zonnebrillen, horloges, riemen, een Fatbike V8, een handtas en/of geld, toebehorend aan [benadeelde 2] ( [adres 4] ) en/of - in de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 een of meer horloges en/of sieraden, toebehorend aan [benadeelde 1] ( [adres 5] ) en/of heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; feit 2 hij in of omstreeks de periode van 25 december 2024 tot en met 28 december 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich aldaar buiten wil of tegen de wil van de rechthebbende(n) bevonden, geld en/of goederen die geheel of ten dele aan een of meer anderen toebehoorden, te weten aan - [aangever 3] ( [adres 6] , in de nacht van 25 december 2024 op 26 december 2024) en/of - [aangever 4] ( [adres 7] , op of omstreeks 26 december 2024) en/of - [aangever 5] ( [adres 8] , in de nacht van 27 december 2024 op 28 december 2024) en/of weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een ruit van die woningen heeft ingeslagen en/of ingegooid en/of een deur van die woningen heeft geforceerd en/of opengebroken en/of een raamklem, een of meer schuifpuien, een raam en/of een houten kozijn heeft beschadigd en/of vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3 hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 september 2024 tot en met 20 januari 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 4 hij op of omstreeks 13 december 2024 te Lelystad, opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; feit 5 hij in of omstreeks de periode van 12 november 2024 tot en met 18 februari 2025 te Lelystad heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) - [m