Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-08-12
ECLI:NL:RBMNE:2026:5794
Bouwzaak. Vonnis na deskundigenbericht. Aannemer maar gedeeltelijk aansprakelijk voor gebreken in kelder van opdrachtgever. RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/578773 / HL ZA 24-194 Vonnis van 12 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. Ch.P.A.T. van Goethem, tegen [gedaagde] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. B. Altena. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 14 mei 2025, - het deskundigenbericht, - de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] , - de antwoordconclusie van [gedaagde] , - de akte van [eiser] . 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 De door de rechtbank benoemde deskundige heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak van de lekkages en vochtplekken in de kelder van [eiser] . Uit dit onderzoek volgt dat 3 van de 15 locaties constructieve gebreken hebben en de rest van de locaties geen constructieve gebreken hebben. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gebreken op alleen die 3 locaties. Zij moet de schade, minus de bespaarde kosten, aan [eiser] vergoeden wat uitkomt op een bedrag van € 14.198,50. De rest van de vorderingen van [eiser] wordt afgewezen. [eiser] moet op zijn beurt 90% van de kosten ad € 25.109,12 aan [gedaagde] betalen die zij heeft moeten maken om een bankgarantie te krijgen, omdat [eiser] voor een veel te hoog bedrag beslag heeft gelegd. Ook moet [eiser] meewerken aan het verlagen van de bankgarantie tot het bedrag waartoe [gedaagde] in conventie is veroordeeld. 3 De verdere beoordeling 3.1 Voor de verdere beoordeling van de zaak bouwt de rechtbank voort op en blijft bij hetgeen in de tussenvonnissen van 29 januari 2025 en 14 mei 2025 is overwogen en beslist. 3.2 In het laatste tussenvonnis is Ing. B. Koman (hierna: de deskundige) als deskundige benoemd om een deskundigenbericht uit te brengen, zodat de rechtbank kan beoordelen of de lekkage in de kelder van [eiser] het gevolg is van een gebrek is waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk is. De rechtbank heeft de volgende vragen aan de deskundige gesteld: Wat is de oorzaak van de lekkage(s) en de vochtplekken in de kelder? Duidt die oorzaak op een constructief gebrek van de kelder en zo ja, wat is dat gebrek? Als er sprake is van een constructief gebrek, op welke wijze kan dat gebrek op een duurzame wijze worden hersteld? Wat zijn, op grond van (bij voorkeur drie) door u op te vragen offertes voor het uitvoeren van die herstelwerkzaamheden, de redelijke herstelkosten? Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling? 3.3 De deskundige heeft na bestudering van het procesdossier, de laatste twee tussenvonnissen van de rechtbank, de constructietekeningen van de kelder en andere relevante stukken van [gedaagde] en twee nondestructieve onderzoeken op locatie, op 4 maart 2026 zijn deskundigenbericht uitgebracht. Uit het deskundigenbericht volgt dat hij 15 locaties in de kelder heeft geconstateerd waar lekkages en vochtplekken te vinden zijn. 3.4 Bij de beantwoording van vraag 1 heeft de deskundige de lekkages en vochtplekken onderverdeeld in 3 categorieën en noemt de blaasjes op de gietvloer als een aparte categorie. De rechtbank noemt die laatste categorie voor het gemak categorie D. Het antwoord van de deskundige op vraag 1 luidt – samengevat – als volgt. A. locatie 1, vochtplekken aansluiting wand en plafond gym ter plaatse van de koekoek: de meest waarschijnlijke oorzaak is dat de koekoek de grote hoeveelheid water die van het dak komt, niet aankan. B. locaties 3 tot en met 9, vochtplekken aansluiting wand en plafond ter plaatse van de kozijnen: De terrassen zijn te hoog aangelegd en er zijn geen voorzieningen getroffen om bij zware regenval het water af te voeren. Ook de tuinen zijn te hoog aangelegd en het afschot is minimaal. Omdat de rieten daken geen dakgoten hebben komt daar veel water vanaf en dat water en overig regenwater kan niet snel genoeg worden afgevoerd. De terrassen bij de gevel komen daardoor blank te staan waardoor het water horizontaal de spouw inloopt. C. locaties 2 en 10, vochtplekken in de wand boven de vloer: bij locatie 2 is een plaatselijke lek in de betonwand en bij locatie 10 is het aannemelijk dat de afdichting een lek vertoont of het beton water doorlaat. D. locaties 11 tot en met 15, blaasjes op de gietvloer: oorzaak onduidelijk, maar meest aannemelijke oorzaak is dat de blaasjes zijn ontstaan door vocht in de ondergrond. Vanwege de geelbruine vloeistof in de blaasjes is het ook goed mogelijk dat de primerlaag tijdens het mengen niet volledig is doorgemengd en er mogelijk plaatselijk een niet volledige uitharding van de primer heeft plaatsgevonden. 3.5 Op vraag 2 heeft de deskundige – samengevat – het volgende geantwoord. A. locatie 1: constructief gebrek. De koekoeken sluiten het vele water dat van de daken komt op en dat had kunnen worden voorzien. B. locatie 2 tot en met 9: geen constructief gebrek. De waterkering is juist aangebracht en afdoende om water te keren. Oorzaak ligt bij tuin en terrassen die te hoog zijn aangelegd met weinig tot geen afschot en zelfs tegenschot. C. locatie 2 en 10: constructief gebrek. De lekkages worden veroorzaakt door een onvolkomenheid in de betonwand of de (voeg)afdichting van de buitenwand. 3.6 [eiser] heeft bij conclusie na het deskundigenbericht zijn eis gewijzigd. Hij vordert nu – kortgezegd – het volgende: I. het geven van een opdracht aan de deskundige voor beantwoording van aanvullende vragen; II. een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW, 7:754 BW, 7:760 BW, 7:758 lid 4 BW, 7:762 BW en de AVA 2013 – en niet uitsluitende op uitkomst van de vraag of gebreken constructief zijn in de zien van de tienjarige garantietermijn; III. een verklaring voor recht dat alle door de deskundige vastgestelde gebreken op locaties 1-10 (constructieve) gebreken zijn, omdat ze allen voortvloeien uit ontwerp- en uitvoeringsfouten waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk is; IV. een verklaring voor recht dat de gevolgen van de schending van de waarschuwingsplicht voor rekening van [gedaagde] komen, ook als de rechtbank de terrassen buiten de scope van de overeenkomst zou achten, V. veroordeling tot betaling van de volledige herstelkosten van € 121.157,31, VI. veroordeling tot betaling van de nog ontbrekende herstelkosten, nader op te maken bij staat, VII. veroordeling tot betaling van de vertragingsschade van € 75.000,00, VIII. veroordeling tot betaling van de kosten van het [onderneming] -rapport en het deskundigenonderzoek, IX. veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over alle schadebedragen vanaf 12 april 2024, X. veroordeling in de proceskosten. De lekkages en vochtplekken op locaties 1,2 en 10 zijn constructieve gebreken 3.7 Uit de beantwoording van vragen 1 en 2 van de deskundige volgt dat de lekkages en vochtplekken op locaties 1, 2 en 10 het gevolg zijn van constructieve gebreken. Partijen hebben dat beiden niet betwist. Op dit punt wordt de gevorderde verklaring voor recht onder II. toegewezen in die zin dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de constructieve gebreken op locaties 1, 2 en 10 op grond van artikel 1.2 van de Garantietermijnen AVA Contract 2013. 3.8 [eiser] wil vergoeding voor de kosten van het herstel van deze gebreken. De deskundige heeft die kosten begroot op een bedrag van € 20.450,95. [gedaagde] voert aan dat hij die kosten niet hoeft te vergoeden, omdat zij niet in verzuim verkeert. Zij heeft immers aangegeven bereid te zijn tot herstel in natura en [eiser] moet haar die mogelijkheid bieden, aldus [gedaagde] . [eiser] vindt dat dit niet meer van hem gevergd kan worden en de rechtbank is dat met hem eens. Uit het partijdebat, dat is weergegeven onder randnummer 4.8 in het tussenvonnis van 29 januari 2025, blijkt dat de verhouding tussen partijen ernstig is verstoord. Dat maakt dat herstel door [gedaagde] niet meer van [eiser] kan worden gevergd. Dat betekent dat [gedaagde] de schade ten gevolge van de lekkages op locatie 1, 2 en 10 zal moeten vergoeden, maar wel een korting krijgt op het schadebedrag. Beiden hebben immers aan de verstoorde verhouding bijgedragen. Daarom is het redelijk dat [gedaagde] alleen hoeft te betalen wat het haar zou hebben gekost als zij het herstel zelf zou hebben gedaan. Dat is het nettobedrag (zonder btw, algemene bouwplaatskosten en algemene kosten winst en risico) van € 20.450,95. De deskundige heeft dat bedrag vastgesteld op € 14.198,50. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen. 3.9 [eiser] vordert over het schadebedrag de wettelijke rente vanaf 12 april 2024, maar op die datum verkeerde [gedaagde] nog niet in verzuim ten aanzien van zijn herstelplicht. De rechtbank wijst daarom de wettelijke rente toe vanaf de datum van dit vonnis. De lekkages en vochtplekken op locaties 3 tot en met 9 zijn geen constructieve gebreken 3.10 Uit de beantwoording van vragen 1 en 2 van de deskundige volgt dat de lekkages en vochtplekken op locaties 3 tot en met 9 geen gevolg zijn van constructieve gebreken. Volgens de deskundige zijn de te hoog aangelegde terrassen en tuinen de oorzaak van de lekkages en vochtplekken. [eiser] is het om (de navolgende) drie redenen niet eens met die conclusie. i) Het ontbreken van de dakgoten is een ontwerp- en uitvoeringsgebrek. Deze stelling vindt echter geen steun in het deskundigenrapport en is niet met feiten, zoals een bouwkundige norm onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook aan dit standpunt voorbij. ii) De waterkering en waterafvoervoorzieningen vallen onder het ontwerp en de uitvoering waarvoor [gedaagde] contractueel verantwoordelijk is. Deze stelling heeft naast de stelling onder i) geen zelfstandige betekenis. [eiser] heeft dit in het algemeen gesteld zonder enige concrete verwijzing naar de inhoud van de opdracht, de technische omschrijving en de begroting. Daarin staat ten aanzien van de wateraf- voervoorziening dat de drainage geen onderdeel van het aangenomen werk betreft. De aanleg daarvan is dus juist niet de verantwoordelijkheid van [gedaagde] . In zoverre is er door [gedaagde] wel een voorbehoud gemaakt voor de waterafvoer. Dat geldt ook voor de terrassen omdat de verantwoordelijkheid van [gedaagde] beperkt is tot het aanvullen van de bouwput tot het bestaande maaiveld. iii) Als waterafvoervoorzieningen/terrassen buiten de contractuele scope vallen, dan heeft [gedaagde] haar wettelijke waarschuwingsplicht geschonden. In dit geval gaat het volgens [eiser] om het risico van de terrasaanleg en de waterafvoer in relatie tot de kelderafdichting. De lekkages en vochtplekken op locaties 3 tot en met 9 zijn volgens [eiser] gevolgen van de geschonden waarschuwingsplicht. 3.11 De waarschuwingsplicht van de aannemer is gericht tegen een onjuistheid, gebrek, ongeschiktheid of fout, voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Uit de bewoordingen en strekking van artikel 7:754 BW volgt dat de waarschuwingsplicht ziet op problemen ten aanzien van de realisatie van het werk conform de opdracht. De strekking van de waarschuwingsplicht brengt met zich dat eerst vastgesteld moet worden dat er sprake is van een onjuistheid, gebrek, ongeschiktheid of fout. In dit geval is daarvan geen sprake, zie nr. 3.10 onder i). [eiser] heeft ten aanzien van de inhoud van de waarschuwing gesteld: het risico van de terrasaanleg en de waterafvoer in relatie tot de kelderafdichting. De rechtbank begrijpt dat het [eiser] vooral gaat om het wijzen op het risico van onvoldoende waterafvoer bij het aanleggen van het terras. Het terras is echter geen onderdeel van het werk conform de opdracht, en valt daarmee buiten de strekking van de waarschuwingsplicht. De waterafvoer van het terras is mogelijk een probleem dat ligt bij de aanleg van het terras en de ophoging van het maaiveld. 3.12 [eiser] beroept zich nog op het bestaan van een inconsistentie. Die zou daaruit bestaan dat ten aanzien van de plaatsing van de koekoek er sprake is van een gebrek vanwege de voorzienbaarheid van regenwater en dat voor de waterafvoer ter plaatse van de locaties 3 tot en met 9 diezelfde voorzienbaarheid aan de orde zou moeten zijn en moeten leiden tot een gebrek. [eiser] miskent dat de enkele voorzienbaarheid van de hoeveelheid af te voeren regenwater, op zichzelf geen constructief gebrek van de afvoer van dat regenwater oplevert. De redenering van [eiser] loopt dus vast op nr. 3.10 onder i) hierboven. 3.13 [eiser] heeft ook gesteld dat de gebreken voor de locaties 3 tot en met 9 aan [gedaagde] moeten worden toegerekend. Deze stelling miskent dat de deskundige ten aanzien van die locaties heeft gesteld dat de lekkage veroorzaakt is door het verhoogde maaiveld en het terras met te weinig afschot en ook tegenafschot. Omdat de verhoging en de terrasaanleg in opdracht van [eiser] door derden is gedaan, is van toerekening aan [gedaagde] geen sprake. 3.14 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] op geen enkele grond aansprakelijk is voor de gebreken op locaties 3 tot en met 9. De vorderingen van [eiser] die op deze gebreken zien, zullen dan ook worden afgewezen. De lekkages en vochtplekken op locaties 11 tot en met 15 zijn geen constructieve gebreken 3.15 Uit het deskundigenrapport volgt dat [eiser] bij het onderzoek naar de vochtblaasjes in de gietvloer nader onderzoek naar de ondervloer heeft geweigerd, zodat de deskundige zijn onderzoek niet volledig heeft kunnen uitvoeren. Hierdoor blijft de oorzaak van de vochtblaasjes in de gietvloer onzeker. Dat komt voor risico van [eiser] , omdat hij niet heeft willen meewerken aan het onderzoek naar de ondervloer. Ook daarom volgt de rechtbank de deskundige in zijn analyse dat de oorzaak van de vochtblaasjes waarschijnlijk gelegen is in de ondervloer of de primerlaag vanwege de locatie van de vochtblaasjes en de kleur vloeistof die uit de vochtblaasjes komt. De ondervloer en primerlaag zijn geen onderdeel van de overeenkomst tussen partijen. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Dat leidt tot het oordeel dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de schade op de locaties 11 tot en met 15. De vorderingen van [eiser] die zien op deze gebreken zullen worden afgewezen. [gedaagde] is geen vertragingsschade verschuldigd 3.16 De deskundige heeft in zijn rapport, onder de beantwoording van vraag 5, benoemd dat, omdat de schade die is opgemerkt in juni 2022 niet meteen is hersteld, groter is geworden. Hij heeft de van juni 2022 tot aan de datum van het rapport opgelopen schade berekend op een bedrag van € 75.000,00. [eiser] vordert betaling van dit bedrag. Volgens hem is deze schade veroorzaakt doordat [gedaagde] sinds 12 april 2024 in verzuim verkeert ten aanzien van zijn onderzoeksplicht. 3.17 [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht terug te komen op haar beslissing in het tussenvonnis van 29 januari 2025 dat [gedaagde] met ingang van 12 april 2024 in verzuim verkeert ten aan zien van haar onderzoeksplicht. Het uitgangspunt is dat op een beslissing niet wordt teruggekomen, tenzij bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing gebonden is. Dit is bijvoorbeeld zo als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of als de beslissing lijkt te berusten op een niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen onjuiste feitelijke grondslag. In dit geval is van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake. De beslissing dat [gedaagde] per 12 april 2024 in verzuim verkeert ten aanzien van haar onderzoeksplicht, blijft dan ook in stand. 3.18 De in tijd oplopende schade als gevolg van het niet eerder doen van onderzoek is vertragingsschade. Voor die schade geldt dat de schuldenaar aansprakelijk is voor de vergoeding daarvan over de periode waarin hij in verzuim verkeert. [gedaagde] verkeerde pas op 12 april 2024 in verzuim ten aanzien van haar onderzoeksplicht. Voor de schade die is ontstaan door het verloop van tijd over de periode juni 2022 tot 12 april 2024 is [gedaagde] dus niet aansprakelijk. Voor de schade ontstaan in de periode van 12 april 2024 tot aan het deskundigenonderzoek is [gedaagde] evenmin aansprakelijk. Niet kan worden vastgesteld dat de schade is ontstaan doordat [gedaagde] per 12 april 2024 in verzuim verkeert ten aanzien van zijn onderzoeksplicht. Ook al had [gedaagde] op 12 april 2024 aan haar onderzoeksplicht voldaan, dan had dit hoogst waarschijnlijk niet geleid tot direct herstel van de gebreken door [eiser] . [eiser] stelt namelijk nog steeds, zelfs nadat er een onafhankelijk onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit het tegendeel blijkt, dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het gebrek aan de vloer. Het is dus niet aannemelijk dat als [gedaagde] in april 2024 aan zijn onderzoeksplicht had voldaan, de vloer door [eiser] zou zijn gerepareerd. Er is dus geen verschil tussen de huidige situatie en de situatie die er zou zijn geweest indien [gedaagde] op 12 april 2024 aan haar onderzoeksplicht zou hebben voldaan. Dit betekent dat er geen sprake is van vertragingsschade die aan [gedaagde] kan worden toegerekend. De gevorderde vertragingsschade onder VII zal worden afgewezen. Geen ontbrekende schadeposten 3.19 [eiser] stelt dat het door de deskundige geraamde schadebedrag onvolledig is. De volgende schadeposten zouden ontbreken: verhuizingkosten interieur betrokken ruimte, kosten vervanging geluidsbehang, vervanging plinten, herstel op maat gemaakte meubels, herstel elektra, kosten injecties locaties 2 en 10, kosten terrasverwijdering en volledige heraanleg. 3.20 [eiser] heeft de schadeposten, met uitzondering van de kosten injecties en terrasverwijdering en volledige heraanleg, niet gelinkt aan de locaties, zodat de rechtbank niet weet van welke gebreken de door [eiser] gestelde ontbrekende schadeposten het gevolg moet zijn. [eiser] licht dat niet nader toe. Die schadeposten zijn dan ook niet toewijsbaar. 3.21 De schadepost kosten injecties locatie 2 en 10 zou de deskundige niet hebben meegenomen in zijn begroting, maar dit is onjuist. Deze staan genoemd onder ‘Betonwerk / injecteren’. 3.22 De schadepost kosten terrasverwijdering en volledige heraanleg is gevolgschade van de vochtplekken op locaties 3 tot en met 9 en daarvoor is [gedaagde] niet aansprakelijk. 3.23 Uit het voorgaande volgt dat er geen ontbrekende schadeposten zijn waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. De vordering tot betaling van de ontbrekende herstelposten (VI) zal dan ook worden afgewezen. Geen nadere vragen noodzakelijk 3.24 Gelet op het voorgaande is het deskundigenrapport concreet en volledig genoeg geweest om de vraag te kunnen beantwoorden of de lekkage in de kelder van [eiser] het gevolg van een gebrek is waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk is. Nadere vragen aan de deskundige, zoals geformuleerd door [eiser] , zijn dan ook niet nodig. De vordering van [eiser] op dat punt (I), zal worden afgewezen. Kosten deskundigenbericht en rapport [onderneming] 3.25 [eiser] vordert vergoeding van de kosten van het deskundigenbericht. Gelet op de bevindingen in het deskundigenrapport ten aanzien van de gebreken, zijn partijen over en weer in het gelijk en ongelijk gesteld. De rechtbank vindt het dan ook redelijk dat partijen de kosten van het deskundigenbericht delen. Dat betekent dat de vordering tot een bedrag van € 5.136,45 (de helft van de kosten van het deskundigenbericht ad € 10.272,90) zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3.26 Voor de kosten van het rapport van [onderneming] geldt dat de bevindingen achteraf grotendeels onjuist zijn gebleken. [gedaagde] zou volgens [onderneming] geen waterkering hebben aangebracht wat de oorzaak van de lekkages geweest zou zijn. Dit blijkt onjuist, want de deskundige heeft geconstateerd dat de waterkering wel degelijk aanwezig is. De werkelijke oorzaken van de lekkages komen niet voor in de analyse van [onderneming] . De rechtbank vindt het daarom redelijk om de kosten van het [onderneming] -onderzoek voor rekening van [eiser] te laten. De vordering op dit punt zal dus worden afgewezen. Het door [eiser] gelegde beslag is onrechtmatig geweest 3.27 [gedaagde] vordert het volgende: I. betaling van € 27.899,03 aan kosten die zij gemaakt heeft om een krediet af te sluiten voor een bankgarantie die nodig is geweest om het conservatoir beslag dat [eiser] onder [gedaagde] had geheven, opgeheven te krijgen, II. veroordeling van [eiser] tot verlening van zijn medewerking om de bankgarantie te verlagen tot het bedrag waartoe [gedaagde] veroordeeld is en die verklaring te sturen naar de bank onder afgifte van een kopie van [gedaagde] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 20.000,00, III. een verklaring voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor toekomstige schade die rechtstreeks verband houdt met het conservatoire beslag. 3.28 Op de beslaglegger rust een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is. Die situatie doet zich in dit geval niet voor, nu de rechtbank in conventie heeft vastgesteld dat [eiser] een vordering op [gedaagde] heeft. Daarbij komt dat ook indien de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, dit niet tot gevolg heeft dat het beslag ten onrechte is gelegd. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht. Uitgaande van de concrete omstandigheden van het geval kan aldus aan de orde komen of een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt. Daar is in dit geval wèl sprake van. [eiser] heeft voor een bedrag van € 541.800,00 beslag gelegd onder [gedaagde] . Een bedrag van in totaal € 14.198,50 wordt toegewezen. Dat is nog geen 5% van het bedrag waarvoor beslag is gelegd. Er is dus sprake van een wanverhouding tussen de vordering en het bedrag waarvoor beslag is gelegd. [eiser] had – gelet op het toegewezen bedrag – maximaal beslag mogen leggen voor 10% van het bedrag waarvoor hij nu beslag heeft laten leggen. [gedaagde] kan de kosten die hij heeft moeten maken voor het verkrijgen van de bankgarantie daarom voor 90% verhalen op [eiser] . De vordering van [gedaagde] zal dan ook tot een bedrag van € 25.109,12 worden toegewezen en [eiser] wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het verlagen van de bankgarantie. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen tot een bedrag van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00. 3.29 De gevorderde toekomstige schade zal worden afgewezen, omdat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog kosten zal hebben waarvoor [eiser] aansprakelijk is, na het verlagen van het de bankgarantie. De proceskosten 3.30 Omdat beide partijen in conventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3.31 [eiser] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.