Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-08-05
ECLI:NL:RBMNE:2026:5577
Non-conformiteit. Installatie schroefasmanchet van een boot niet deugdelijk uitgevoerd. Opdrachtnemer is aansprakelijk voor de schade. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12132673 \ MC EXPL 26-1249 Vonnis van 5 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. T.C. Warnsinck, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [handelsnaam] , gemachtigde: mr. R.W. Lagerwaard. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 27 februari 2026, - de conclusie van antwoord met producties, - de conclusie van repliek met producties, - de conclusie van dupliek. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort [handelsnaam] heeft in opdracht van [eiser] een schroefasmanchet op het motorschip van [eiser] gemonteerd. Via de schroefas is lekkage ontstaan, waardoor het schip gedeeltelijk is gezonken. Partijen verschillen van mening over de vraag of [handelsnaam] de manchet goed heeft geïnstalleerd. [eiser] meent van niet. [eiser] stelt [handelsnaam] in deze procedure aansprakelijk voor de schade. [handelsnaam] betwist dat zij aansprakelijk is. [handelsnaam] heeft niet aangetoond dat de manchet bij aflevering en installatie deugdelijk was, terwijl dit op grond van artikel 7:18a lid 1 BW wel op haar weg had gelegen. De verweren van [handelsnaam] slagen niet. De kantonrechter oordeelt dat [handelsnaam] aansprakelijk is voor de schade en veroordeelt [handelsnaam] om € 2.876,60 aan [eiser] te betalen, plus rente en kosten. 3 De beoordeling Wat is er gebeurd? 3.1 In augustus 2024 heeft [eiser] aan [handelsnaam] opdracht gegeven om de schroefasmanchet, type Allpa, te vervangen, inclusief montage en controle. Op 16 juni 2024 heeft [handelsnaam] dit uitgevoerd en is de factuur verzonden. 3.2 Na de montage is het schip, in overleg met [handelsnaam] , te water gelaten. De monteur van [handelsnaam] , [A] (hiern: [A] ), heeft de manchet in het water gecontroleerd. De motor is gestart, de schroefas voor- en achteruit is getest en de montage is akkoord bevonden door [handelsnaam] . Volgens [eiser] is geen sprake geweest van een voorbehoud of waarschuwing. 3.3 In september 2024 heeft [eiser] een lekkage geconstateerd bij de schroefas. [eiser] heeft dit bij [handelsnaam] gemeld. Op instructie van [handelsnaam] heeft [eiser] de klembanden aangedraaid. Hiermee is het lekken tijdelijk gestopt, maar dit heeft de lekkage niet verholpen. 3.4 In mei 2025 is een dermate grote lekkage ontstaan dat het schip onder water is komen te staan. Op 14 mei 2025 is de boot met spoed uit het water gehaald en op de kant gezet. [eiser] heeft meer dan 10 liter uit het carter verwijderd. Het water was via de schroefas de motorruimte binnengedrongen en naar de motor gestroomd. Vlak daarna heeft [B] (hierna: [B] ) de schroefasmanchet en de schroefas gerepareerd. 3.5 [eiser] heeft de situatie laten beoordelen door dhr. [C] (hierna: [C] ), die op 18 juli 2025 een rapport heeft opgemaakt. Juridisch kader 3.6 Het gaat in deze zaak om een gemengde overeenkomst, bestaande uit zowel een consumentenkoop als een overeenkomst van aanneming van werk. 3.7 Artikel 7:18a BW ziet op non-conformiteit als gevolg van verkeerde installatie. Wanneer installatie van een zaak deel uitmaakt van de overeenkomst en wordt uitgevoerd door de verkoper, zoals hier, wordt elke verkeerde installatie automatisch aangemerkt als non-conformiteit. Indien het gebrek zich binnen twaalf maanden na aflevering openbaart, wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. In deze zaak heeft het gebrek (de lekkende manchet) zich binnen 12 maanden voorgedaan. Dit betekent dat op de verkoper de verplichting rust om te bewijzen dat het product bij aflevering wél conform was en dat de oorzaak volledig na aflevering is ontstaan (artikel 7:18a lid 2 BW). [handelsnaam] is er niet in geslaagd om dit aan te tonen. Hieronder wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen. 3.8 [handelsnaam] vindt dat de consumentbeschermende bepalingen niet opgaan, omdat [eiser] zelf als technisch handelende partij heeft opgetreden. Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Dat [eiser] zelf technische kennis zou bezitten, doet er niet aan af dat hij de overeenkomst in hoedanigheid van consument gesloten heeft. Er zal geen onafhankelijke deskundige worden benoemd 3.9 [eiser] wijst ter onderbouwing van zijn standpunt dat [handelsnaam] de schroefas niet goed heeft gemonteerd naar het rapport van [C] . [handelsnaam] betwist de constateringen en conclusies in het rapport van [C] . [handelsnaam] wijst erop dat [C] geen gecertificeerd rubber- of materiaaltechnisch deskundige is. [handelsnaam] verzoekt de kantonrechter om een onafhankelijk deskundige te benoemen die over de juiste materiaaltechnische kwalificaties beschikt. Volgens [handelsnaam] is de schade niet het gevolg van een fout van [handelsnaam] , maar van handelingen van [eiser] zelf, en van een kromme schroefas. 3.10 De kantonrechter acht het in deze zaak niet nodig om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De kantonrechter gaat daarom aan dit verzoek van [handelsnaam] voorbij. [handelsnaam] heeft haar verweer over chemische aantasting van het manchet zelf herzien. De kantonrechter begrijpt dat [handelsnaam] zich niet langer op het standpunt stelt dat de beschadiging van de manchet primair kan worden verklaard door chemische aantasting via olie. [handelsnaam] heeft bij dupliek gesteld dat de manchet bij aflevering en installatie van het juiste materiaal was en dat het bij normaal gebruik niet door directe olie-inwerking beschadigd had mogen raken. De constatering van [C] op dit punt is daarmee in lijn, aangezien [C] het zeer onwaarschijnlijk acht dat sprake is van chemische degradatie, omdat het rubber in mooie staat is. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding een deskundige met specifieke materiaaltechnische specificaties te benoemen. Hoewel [handelsnaam] het rapport van [C] in twijfel trekt, heeft zij hier geen ander rapport of deskundigenverklaring tegenover gesteld. Dit had, vooral omdat de bewijslast van artikel 7:18a lid 2 BW op haar rust, wel op haar weg gelegen. Zodoende heeft [handelsnaam] de constateringen door [C] onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van wat [C] in het rapport geconstateerd heeft. Bovendien weegt mee dat de kosten voor het benoemen van een deskundige het geldelijk belang van deze zaak mogelijk zullen overstijgen. [handelsnaam] heeft de schroefasmanchet niet goed gemonteerd 3.11 Volgens [handelsnaam] blijkt uit de constateringen door [C] dat [handelsnaam] de schroefasmanchet niet goed gemonteerd heeft. [handelsnaam] stelt zich daartegenover op het standpunt dat zij de werkzaamheden vakkundig en conform de toepasselijke technische normen heeft uitgevoerd. [handelsnaam] betwist dat de montage van augustus 2024 verband houdt met dat het schip onder water is komen te staan. 3.12 [C] constateert dat de schroefas afdichting (manchet) de oorzaak kan zijn geweest van de (water)schade aan het motorjacht. Hoewel [C] niet met zekerheid kan zeggen wat de beschadiging heeft veroorzaakt, is dit gezien de foto’s niet door een chemische oorzaak maar een scherp metaal veroorzaakt. Het lijkt [C] zeer onwaarschijnlijk dat sprake is van chemische degradatie, omdat het rubber in mooie staat is en pas na jaren zou plaatsvinden. [C] beschrijft dat er twee sporen te zien zijn, die uitwijzen dat de slangklemmen niet recht hebben gezeten. [C] verwijst naar de foto’s die deze sporen tonen. [C] concludeert dat er waarschijnlijk een slangklem scheef is gemonteerd en het rubber eronder heeft vernield. Nadat dit is opgemerkt, is dit waarschijnlijk recht gezet. Daarnaast constateert [C] dat er geen spoor van de tweede slangklem naast de eerste te zien is, wat suggereert dat deze niet genoeg is aangedraaid. Zowel het scheef monteren als het niet strak genoeg aandraaien kan leiden tot een verkeerde montage en tot schade. Het is volgens [C] moeilijk te zien of een slangklem recht zit. De werkruimte bij de as is zeer klein en een fout is snel gemaakt. 3.13 Het ligt op de weg van [handelsnaam] om te bewijzen dat het product bij aflevering conform was (artikel 7:18a lid 2 BW). [handelsnaam] heeft geen feiten of stukken naar voren gebracht waaruit blijkt dat de (montage van de) schroefasmanchet conform was. Op basis van het rapport van [C] , gaat de kantonrechter ervan uit dat de sporen in het rubber erop wijzen dat de slangklemmen niet recht hebben gezeten. De kantonrechter neemt op basis van het rapport van [C] aan dat dit bij de montage gebeurd moet zijn, aangezien [C] constateert dat een slangklem waarschijnlijk scheef is gemonteerd. De kantonrechter volgt [C] dan ook in zijn conclusie dat de scheve slangklem het rubber eronder heeft vernield. Op basis van het rapport van [C] heeft [eiser] in voldoende mate aangetoond dat de lekkage door de onjuiste montage van de schroefasmanchet moet zijn veroorzaakt. [handelsnaam] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weerlegd, terwijl dit wel verwacht mocht worden aangezien de bewijslast op [handelsnaam] rust. Het enkele feit dat de lekkage niet door [A] is ontdekt tijden de visuele inspectie en de testvaart, maakt nog niet dat de manchet en de montage bij aflevering conform zijn geweest. Kromme schroefas komt voor rekening en risico van [handelsnaam] 3.14 [handelsnaam] stelt zich op het standpunt dat het handboek van de fabrikant Allpa voorschrijft dat de as bij montage perfect uitgelijnd moet zijn en dat de schroefas na verloop van tijd krom bleek te zijn. Een kromme as leidt tot ongelijkmatige belasting en voortijdig falen van het rubber, betoogt [handelsnaam] . [handelsnaam] betwist dat zij verantwoordelijk is voor de toestand van de schroefas. [handelsnaam] stelt dat het bij normale inspectie voor of tijdens de montage zichtbaar had moeten zijn als de as toen al krom was. [handelsnaam] lijkt te suggereren dat de as krom is geworden door handelen van [eiser] of derden na de installatie. 3.15 [eiser] zegt hierover dat tussen de montage door [handelsnaam] op 16 augustus 2024 en de reparatie in mei/juni 2025 aan de schroefas zelf geen werkzaamheden zijn verricht. De toestand van de schroefas is pas door [B] bij de demontage vastgesteld. Volgens [eiser] volgt hieruit dat de as op 16 augustus 2024 al krom moet zijn geweest, of dat de as nadien is krom geraakt zonder dat daarvoor een aanwijsbare oorzaak in de risicosfeer van [eiser] bestaat. 3.16 Het had op de weg van [handelsnaam] gelegen om bij de montage te controleren of de schroefas recht genoeg uitgelijnd was. Het is de aannemer, in dit geval [handelsnaam] , die dit moet verzekeren, zo beschrijft het handboek. Ook hier is van belang dat de bewijslast van artikel 7:18a BW op [handelsnaam] rust, waardoor het in beginsel aan [handelsnaam] is om aan te tonen dat tijdens de installatie sprake is geweest van een recht uitgelijnde schroefas. Dit heeft [handelsnaam] niet aangetoond. De kantonrechter ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om [handelsnaam] te volgen in haar standpunt dat de schroefas na 16 augustus 2024 zodanig krom is geraakt dat dit de oorzaak is geweest van de lekkage. Er is geen sprake van eigen schuld van [eiser] 3.17 [handelsnaam] doet een beroep op de eigen schuld van [eiser] . Volgens [handelsnaam] vormt het nalaten van [eiser] om professionele hulp in te schakelen in combinatie met het zelf aandraaien van de slangklemmen en het negen maanden doorvaren een toerekenbare omstandigheid als bedoeld in artikel 6:101 BW. [handelsnaam] voert aan dat de scheur in het rubber van de manchet is te verklaren door omstandigheden die na de aflevering zijn ontstaan, namelijk de werkzaamheden die [eiser] aan de slangklemmen heeft verricht en de chemische belasting door bilgewater gedurende neven maanden. De omstandigheden die [handelsnaam] aan [eiser] toerekent, zijn: (1) het zelf aandraaien van de slangklemmen, (2) het negen maanden in gebruik houden van het schip na de eerste lekkage, (3) het nalaten om na de eerste lekkage professionele hulp in te schakelen. Toen [eiser] in september 2024 de lekkage constateerde, heeft zij [handelsnaam] niet ingeschakeld voor inspectie of herstel. In plaats daarvan heeft [eiser] het schip negen maanden in gebruik gehouden zonder [handelsnaam] de kans te geven om het mankement te inspecteren of te herstellen. 3.18 Volgens [eiser] is het feit dat hij de slangklem in september licht heeft aangedraaid toen de manchet lek bleek, slechts het gevolg van een eerder door [handelsnaam] gemaakte fout. Nadat [eiser] de lekkage onmiddellijk aan [handelsnaam] had gemeld, heeft [handelsnaam] hem opgedragen om de klembanden aan te draaien. Die opdracht heeft [eiser] uitgevoerd. [eiser] vindt dat [handelsnaam] hem dit naderhand niet kan aanrekenen. [eiser] stelt bovendien dat [handelsnaam] haar zorgplicht uit artikel 7:401 BW heeft geschonden doordat zij bij de installatie op 16 augustus 2024 niet heeft geconstateerd dat de schroefas al krom was, terwijl zij dit wel had moeten signaleren. [handelsnaam] had tijdens de testvaart niet alleen een functionele controle moeten uitvoeren, maar ook de torsie van de slangklemmen, de uitlijning ten opzichte van de as en de daadwerkelijke waterdichtheid onder belasting moeten controleren. Toen [eiser] de lekkage meldde, had [handelsnaam] het schip ter plaatse moeten inspecteren. Dit heeft zij niet gedaan omdat zij geen tijd had. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat dit wel van [handelsnaam] verwacht had mogen worden. 3.19 De kantonrechter volgt [eiser] in zijn standpunten. [eiser] heeft de slangklem op instructie van [handelsnaam] zelf aangedraaid omdat [eiser] na de vervanging van de schroefasmanchet door [handelsnaam] lekkage constateerde. Omdat er al daarvoor sprake was van lekkage, is het aandraaien van de slangklem op zichzelf niet de oorzaak geweest. Hierover heeft [eiser] [handelsnaam] direct geïnformeerd. Het beroep van [handelsnaam] op eigen schuld van [eiser] kan daarom niet slagen. 3.20 Daarnaast vindt [handelsnaam] dat [eiser] na het constateren van de eerste lekkage in september 2024 niet heeft gehandeld zoals van een redelijk eigenaar mocht worden verwacht. [handelsnaam] voert aan dat [eiser] geen schadebeperkingsmaatregelen heeft getroffen. Het had volgens [handelsnaam] op de weg van Som de Cerffom na het ontdekken van de lekkage onmiddellijk [handelsnaam] als professionele installateur in te schakelen voor inspectie en herstel. 3.21 De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] heeft gehandeld zoals van een redelijk eigenaar mocht worden verwacht door na de lekkage contact op te nemen met [handelsnaam] . Toen heeft [handelsnaam] de instructie gegeven om de klembanden aan te draaien. Dat later is gebleken dat dit het probleem uiteindelijk niet verholpen heeft, komt niet voor rekening en risico van [eiser] . De conclusie: [handelsnaam] is aansprakelijk voor de schade 3.22 De kantonrechter stelt vast dat [handelsnaam] de schroefasmanchet scheef heeft gemonteerd en niet strak genoeg heeft aangedraaid en dat hierdoor schade is ontstaan. De verweren van [handelsnaam] ten aanzien van de kromme schroefas en eigen schuld door [eiser] slagen niet. Dit betekent dat de vorderingen om voor recht te verklaren dat (1.1) [handelsnaam] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van 16 augustus 2024 voor wat betreft de levering en installatie van de schroefasmanchet en (1.2) dat [handelsnaam] als gevolg van deze tekortkoming aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, toewijsbaar zijn. De hoogte van de schade 3.23 [eiser] vordert, na wijziging van haar eis, een schadevergoeding van € 4.890,03. Dit bedrag bestaat uit: (1) Reparatie schroefaslager € 654,01 (2) Stalling Jachthaven [locatie] , € 1.276,20 (3) Havengeld Gemeente [gemeente] , € 1.163,42 (Pro rata = € 357,30) (4) Schaderapport € 300,00 (5) Reiskosten € 34,50 (6) Flexkoppeling € 513,60 (7) Startmotor € 298,00 (8) Interieur/tapijt € 150,00 (9) Klein materiaal € 85,00 (10) Olie € 204,00 (11) Kraankosten en stageld € 200,00 (12) Aangetekende brief € 11,30 Tegen de eerste vijf bedragen voert [handelsnaam] verweer. De bedragen waartegen [handelsnaam] geen verweer heeft gevoerd, worden als onweersproken toegewezen. De kantonrechter beoordeelt de weersproken schade als volgt. 3.24 (1) [eiser] stelt dat de reparatie van de schroefaslager een direct gevolg is van het zinken op 14 mei 2025. De reparatiekosten omvatten zowel het manchetherstel als de noodzakelijke bewerking van de as. [handelsnaam] brengt daartegenin dat uit de beschrijving van [B] blijkt dat bij de reparatie werd geconstateerd dat de schroefas krom was. [handelsnaam] betwist dat de reparatiekosten van een afwijking die volledig buiten haar risicosfeer valt, op haar verhaald kunnen worden. Zoals de kantonrechter onder nummer 3.16 heeft overwogen, komt ook de kromme schroefas voor rekening en risico van [handelsnaam] . Het herstel daarvan kan daarom niet los worden gezien van de reparatie van de schroefmanchet. Het gevorderde bedrag van € 654,01 voor de reparatie is toewijsbaar. 3.25 (2) [eiser] stelt in het kader van de stallingskosten dat het schip van 14 mei 2025 tot 6 september 2025 op de kant heeft gestaan. [handelsnaam] betwist dat het schip na het incident op de kant heeft gelegen. Tegen de stallingskosten voert [handelsnaam] verder aan dat niet de volledige stallingsperiode van 14 mei 2025 tot 6 september 2025 aan haar toe te rekenen is. Dat het schip langdurig aan de kant heeft gestaan is volgens [handelsnaam] mede het gevolg van het afwachten van juridisch akkoord door [eiser] voordat [B] met het herstel mocht beginnen, de vakantie van [B] en de bewerking van de kromme schroefas. De stallingskosten zijn € 902,48 voor 840 Staandagen. Daarvan is slechts het deel dat het schip vanwege de lekkage op de kant heeft gestaan schade. Volgens [eiser] is dat 115 dagen. Om de door [handelsnaam] genoemde redenen vermindert de kantonrechter het aantal dagen tot 100. Waar het bedrag van € 152,23 op de bon voor is, is niet leesbaar en komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Het bedrag dat wordt toegewezen is € 107,44 (= € 902,48 / 840 dagen x 100 dagen). 3.26 (3) Van het havengeld vordert [eiser] een vergoeding voor de periode dat het schip feitelijk onbruikbaar was. Het havengeld bedraagt € 1.276,20. Dit is voor de periode van een jaar. Ook hier gaat de kantonrechter uit van 100 dagen dat het schip onbruikbaar was. Dit betekent dat € 318,75 (= € 1.163,42 / 365 dagen x 100 dagen) toewijsbaar is. 3.27 (4) De kosten voor het schaderapport komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking. Het gevorderde bedrag van € 300,- wordt toegewezen. 3.28 (5) [eiser] heeft de reiskosten van € 34,50 voldoende onderbouwd. Op grond van artikel 6:96 lid 1 BW zijn deze toewijsbaar. 3.29 Het toewijsbare schadebedrag is in totaal € 2.876,60 (bestaande uit € 654,01 + € 107,44 + € 318,75 + € 300,- + € 34,50 + € 513,60 + € 298,00 + € 150,00 + € 85,00 + € 204,00 + € 200,00 + € 11,30). Wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten 3.30 [eiser] heeft wettelijke rente gevorderd. [handelsnaam] is deze verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ingetreden, dus op 14 mei 2025. 3.31 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen. Proceskosten 3.32 [handelsnaam] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,02 - griffierecht € 265,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.052,52 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 verklaart voor recht dat [handelsnaam] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van 16 augustus 2024 betreffende de levering en installatie van de schroefasmanchet, 4.2 verklaart voor recht dat [handelsnaam] als gevolg van deze tekortkoming aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, 4.3 veroordeelt [handelsnaam] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 2.876,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 14 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, 4.4 veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten van € 1.052,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam] tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.6 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. PM/45352