Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-08-05
ECLI:NL:RBMNE:2026:5574
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12004566 \ UC EXPL 25-9870 BJvd/61169 Vonnis van 5 augustus 2026 in de zaak van [eiseres] , wonend in [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. T. Hooyman, tegen [gedaagde] , wonend in [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. E.F. van der Heijden, ARAG SE RECHTSBIJSTAND. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 26,- de conclusie van antwoord in conventie met producties 1 tot en met 14 en de eis in reconventie, - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 27 tot en met 40, - de pleitnota van [gedaagde] . 1.2 Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig mevrouw [eiseres] met haar gemachtigde mr. T. Hooyman en de heer [gedaagde] met zijn gemachtigde mr. E.F. van der Heijden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken. 1.3 Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde] heeft werkzaamheden gedaan in de voormalige woning van [eiseres] . [eiseres] stelt dat een deel van de werkzaamheden niet goed is gedaan en dat een deel van de werkzaamheden niet is afgemaakt. Daarom vordert zij onder andere betaling van een vervangende schadevergoeding van € 13.875,00. [gedaagde] stelt dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht voor het deel van de werkzaamheden dat hij niet goed zou hebben gedaan en beroept zich voor het overige op opschorting. In reconventie vordert hij betaling van een aantal facturen die volgens hem nog open staan. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] een deel van de vordering van [eiseres] moet betalen. De vorderingen van [gedaagde] in reconventie worden afgewezen, omdat die zijn verjaard. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 Partijen zijn schoonzus ( [eiseres] ) en zwager ( [gedaagde] ) van elkaar. [gedaagde] heeft al jaren een aannemersbedrijf. [eiseres] deed voor dat bedrijf de administratie en hielp ook met andere zaken in zijn bedrijf. In 2022 en 2023 heeft [gedaagde] werkzaamheden gedaan in de woning van [eiseres] . Voor de werkzaamheden is geen offerte opgesteld en de afspraken zijn niet schriftelijk vastgelegd. Vaststaat dat partijen het eens zijn dat de overeenkomst tussen partijen in ieder geval inhield dat [gedaagde] de volgende werkzaamheden zou verrichten voor € 15.000,00 aan arbeidskosten exclusief de materiaalkosten: het renoveren van de badkamer en keuken; het stukadoren en sausen wanden en plafonds; het leggen van laminaat inclusief plinten; het maken van een inbouwkast. Ook staat vast dat [eiseres] een bedrag van € 37.065,87 aan [gedaagde] heeft betaald en dat [gedaagde] sinds maart 2023 gestopt is met de werkzaamheden. 4 De beoordeling in conventie Partijen hebben een gemengde overeenkomst gesloten 4.1 De kantonrechter stelt ten eerste vast dat [gedaagde] handelde in het kader van zijn bedrijf en [eiseres] als natuurlijk persoon. [gedaagde] had namelijk een eigen klusbedrijf en stuurde ook zijn facturen uit naam van zijn klusbedrijf. De tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst kwalificeert als een gemengde overeenkomst die zowel elementen van een consumentenkoop als van aanneming van werk heeft. [gedaagde] heeft namelijk roerende zaken geleverd zoals de keukenelementen, een ligbad en een douche. Dat valt onder een consumentenkoop. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] de keuken- en badkamerelementen geïnstalleerd, een op maat gemaakte inbouwkast gebouwd en deurtjes op maat gemaakt tussen de keuken en de wasruimte. Dat valt onder aanneming van werk. Het gevolg hiervan is dat zowel de regels van consumentenkoop als aanneming van toepassing zijn en dat bij strijd tussen die regels de bepalingen van consumentenkoop voorga Daardoor sluiten de onderrails en de schuifdeuren niet aan op de laminaatvloer; j) bij de halfhoge deurtjes tussen de keuken en de wasruimte sluiten de zijkanten niet aan tegen het kozijn en is het scharnier aan één kant scheef aangebracht; k) de halfhoge deurtjes zijn niet geschilderd; l) er is geen dorpel gemaakt bij de overgang van de laminaatvloer in de hal en de tegelvloer en het laminaat sluit niet aan op de kozijnstijl; m) verschillende deurpanelen en lades in de keuken zijn niet zorgvuldig opgesteld en sluiten niet aan. Ook is de aansluiting van het aanrechtblad tegen de achterwand niet goed afgewerkt; n) de wandtegels in de wasruimte zijn aan de wand met de cv-ketel slechts aangebracht tot 90cm hoog en achter de cv-ketel zijn de oude tegels nog aanwezig. Ook zijn de voegen niet goed afgewerkt; o) ; p) het schakelmateriaal in de grote slaapkamer is niet vlak tegen de muur aan gemonteerd; q) in de hal knipperen de plafondspotjes als ze aan staan door een verkeerde dimmer; r) in de badkamer is een lekkage rondom de drain van de douche omdat de aansluiting tussen de vloertegels en de drain onvoldoende waterdicht is uitgevoerd; s) in de achterwand van de douche zitten in vier tegels lichte scheurvorming en is één wandtegel niet goed op maat uitgespaard; t) het wandtegelwerk bij het ligbad sluit niet aan tegen de rand van het bad en loopt scheef. De verweren van [gedaagde] 4.6 [gedaagde] betwist dat schilderwerk onderdeel is van de overeengekomen werkzaamheden. Voor het deel van de werkzaamheden waarvan [eiseres] stelt dat deze niet zijn uitgevoerd beroept [gedaagde] zich op opschorting. [gedaagde] heeft [eiseres] facturen gestuurd voor in totaal € 45.854,33. Daarvan is € 37.065,87 betaald, dus er staat volgens [gedaagde] nog € 8.788,46 open. [gedaagde] stelt in maart 2023 zijn werkzaamheden te hebben opgeschort, omdat [eiseres] zijn facturen niet betaalde. Over de werkzaamheden waarvan [eiseres] stelt dat [gedaagde] deze niet goed heeft uitgevoerd stelt [gedaagde] dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht. Het is niet vast komen te staan dat schilderwerk onderdeel is van de overeenkomst 4.7 [eiseres] klaagt onder c), d) en k) over schilderwerk dat niet is gedaan. [gedaagde] heeft in zijn brieven naar [eiseres] en tijdens de zitting betwist dat schilderwerk is overeengekomen. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] over deze punten zijn opschortingsrecht ingeroepen. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde] primair het standpunt inneemt dat schilderwerk niet is overeengekomen en zich secundair beroept op opschorting. 4.8 De gevorderde vervangende schadevergoeding voor de onderdelen genoemd onder c), d) en k) zal worden afgewezen. De stelplicht voor wat partijen zijn overeengekomen ligt bij [eiseres] . [eiseres] heeft op geen enkele manier onderbouwd dat schilderwerk onderdeel zou zijn van de overeenkomst. Ook in het deskundigenrapport van [deskundige] waarin is opgenomen wat de afspraken tussen partijen waren staat schilderwerk niet genoemd. Dat schilderwerk onderdeel is van de overeenkomst kan dus niet worden vastgesteld. Het juridisch kader bij opschorting 4.9 In de wet is bepaald dat iemand die nog geld krijgt van een ander, zijn eigen verplichting tegenover die persoon tijdelijk mag schorsen totdat hij betaald wordt. Dit kan alleen als de schuld die hij heeft te ontvangen en zijn eigen verplichting genoeg met elkaar te maken hebben. De Hoge Raad heeft bepaald dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan volgen dat een schuldenaar soms eerst aan de andere partij moet laten weten dat hij zijn verplichting opschort. Hij moet daarbij ook uitleggen waarom hij dat doet. Daarbij is van belang wat de andere partij op dat moment wist of had kunnen begrijpen en wat de schuldenaar redelijkerwijs mocht verwachten over die kennis van de andere partij. Het is voldoende dat de opschortende partij duidelijk maakt wat de reden van de opschorting is en wat zij verder, gelet op de wanprestatie en de overeenkomst, wenst 4.15 [eiseres] heeft te laat geklaagd, want datgene waarover zij klaagt (het werk dat niet goed zou zijn uitgevoerd) springt zodanig in het oog dat het meteen, of in ieder geval eerder nadat [gedaagde] was gestopt met werken aanleiding had moeten geven om bij hem te klagen. De kantonrechter begrijpt dat het gezien de persoonlijke, ingrijpende medische omstandigheden van [eiseres] langer duurde voordat zij in de gelegenheid was om haar klachten bij [gedaagde] kenbaar te maken, maar een termijn van twee jaar is ook in dit geval buitenproportioneel. Bovendien heeft [eiseres] wel meermaals aan [gedaagde] gevraagd wanneer hij het werk kwam afmaken. [gedaagde] is hierdoor benadeeld, omdat na zo’n lange tijd niet meer goed vast te stellen is of [gedaagde] de werkzaamheden gebrekkig heeft uitgevoerd of dat er misschien andere omstandigheden hebben voorgedaan waardoor er later een gebrek is ontstaan. Door [gedaagde] niet eerder dan twee jaar nadat de werkzaamheden door hem zijn uitgevoerd op de hoogte te stellen van haar klachten, heeft [eiseres] haar recht om schadevergoeding te vorderen verloren. 4.16 Hierboven is bepaald dat het beroep op de klachtplicht slaagt. Dat betekent dat [eiseres] geen recht heeft op vervangende schadevergoeding voor alle klachten die gaan over werk dat [gedaagde] niet goed zou hebben uitgevoerd. Dat betekent dat de gevorderde vervangende schadevergoeding voor de gebreken genoemd in 4.5. onder a), b), e) tot en met j), l), m), n), p), q), en t) wordt afgewezen. [eiseres] heeft recht op vervangende schadevergoeding voor gebreken r) en s) 4.17 Wat hierboven is overwogen over de klachtplicht geldt niet voor de gebreken genoemd in 4.5. onder r) en s). Daarover oordeelt de kantonrechter als volgt. [eiseres] stelt dat zij begin 2025 een lekkage in de badkamer ontdekte. Uit een rapport dat is opgesteld door een deskundige van [bedrijf] blijkt dat er op 6 februari 2025 een deskundige is langs geweest in de woning van [eiseres] om te kijken of er sprake is van lekkage in de badkamer. Uit het rapport blijkt dat de kitnaden rondom de drain niet volledig dicht stonden, waardoor er vocht in de muur kon komen. [eiseres] wist dus vanaf dat moment dat er een gebrek was in de badkamer. Dat [eiseres] eerder dan dit moment wist of had moeten weten dat er in de badkamer sprake was van lekkage is niet gebleken. Datzelfde geldt voor de lichte scheurvorming in de douchetegels. Gelet hierop heeft [eiseres] met de ingebrekestelling op 7 april 2025 voldaan aan haar klachtplicht over de gebreken als genoemd in 4.5. onder r) en s). Dat betekent dat [eiseres] recht heeft op vervangende schadevergoeding ten aanzien van deze gebreken. De hoogte van de vervangende schadevergoeding voor de gebreken in de badkamer 4.18 De herstelkosten voor de badkamer zijn begroot op € 5.800,00. Over het gebrek aan de badkamer zoals genoemd in 4.5. onder t) is geoordeeld dat niet is voldaan aan de klachtplicht. Voor de overige gebreken in de badkamer geldt dat hiervoor vervangende schadevergoeding moet worden betaald. [gedaagde] heeft over het geschatte schadebedrag gesteld dat deze kosten veel te hoog zijn ingeschat, waardoor aan de deskundigheid van het rapport kan worden getwijfeld. Maar, dat [gedaagde] de werkzaamheden mogelijk zelf voor een lager bedrag had kunnen uitvoeren, maakt niet dat de hoogte van de schade niet juist zou zijn berekend. Bovendien heeft [gedaagde] de stelling dat de kosten te hoog zijn ingeschat niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een offerte waaruit dit zou blijken. De kantonrechter gaat daarom uit van het schadebedrag uit het deskundigenrapport en begroot het bedrag aan vervangende schadevergoeding voor de gebreken als genoemd in 4.5. onder r) en s) in goede justitie op € 5.600,00. [gedaagde] moet in totaal € 5.800,00 aan vervangende schadevergoeding aan [eiseres] betalen 4.19 Gelet op het bovenstaande zal in totaal een bedrag van € 5.800,00 (€ 200,00 + € 5.600,00) aan vervangende schadevergoeding worden toegewezen. [gedaagde] moe