Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-08-04
ECLI:NL:RBMNE:2026:5556
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 12279939 \ UV EXPL 26-153 Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. E. Spijer, tegen [gedaagde ] B.V. , gevestigd in Utrecht, gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde ] B.V., gemachtigde: mr. Y. Kurt. 1 De procedure 1.1 [eiser] heeft [gedaagde ] op 25 juni 2026 gedagvaard. Vervolgens heeft op 23 juli 2026 een zitting plaatsgevonden. Hierbij was [eiser] aanwezig met een kennis, die tijdens de zitting voor hem heeft vertaald van het Nederlands naar het Turks. De gemachtigde van [eiser] , mr. E. Spijer, was niet aanwezig, maar namens hem twee kantoorgenoten, mr. A. Cremer en mr. D.C.M. Bruinen. Namens [gedaagde ] was de heer [A] , de [functie] van [gedaagde ] , aanwezig met haar gemachtigde mr. Y. Kurt. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. Mr. Kurt heeft een pleitnotie voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.2 Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis vandaag zal worden uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] is sinds december 2024 in dienst bij [gedaagde ] als [functie] . [eiser] stelt dat hij zich heeft ziekgemeld, maar dat [gedaagde ] geen loon meer aan hem betaalt en dat [gedaagde ] niet wil meewerken aan zijn re-integratie. [eiser] vordert in dit kort geding onder andere dat [gedaagde ] het achterstallige en toekomstige loon aan hem betaalt. [gedaagde ] is het hier niet mee eens en zegt dat [eiser] zich niet heeft ziekgemeld. Volgens haar heeft [eiser] ontslag genomen bij [gedaagde ] en heeft hij daarna voor een ander bedrijf gewerkt. De kantonrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] geen ontslag heeft genomen en wel ziek is. [gedaagde ] moet daarom het achterstallige loon aan [eiser] betalen. Het toekomstige loon wijst de kantonrechter af. Er zijn namelijk nog veel dingen onduidelijk die voor de toekomstige loonvorderingen relevant kunnen zijn. 3 De beoordeling Toetsingskader 3.1 In een kort geding kan de kantonrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak), die na het kort geding kan worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt, in dit geval [eiser] , hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. 3.2 Voor geldvorderingen in kort geding geldt bovendien dat de kantonrechter terughoudend moet zijn bij de toewijzing daarvan. De kantonrechter zal niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is en of de gedaagde een spoedeisend belang heeft, maar neemt in de afweging van de belangen van partijen ook het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mee. Wanneer dit restitutierisico hoog is, kan dit bijdragen tot weigering van de voorziening. Spoedeisend belang 3.3 [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. De spoedeisendheid is gegeven met de aard van één van zijn vorderingen, de loonvordering. Voldoende aannemelijk is dat het dienstverband niet rechtsgeldig is geëindigd 3.4 Tussen [eiser] en [gedaagde ] lijken er problemen te zijn ontstaan die verband houden met een wijziging van de arbeidsomstandigheden Partijen zijn het erover eens dat [eiser] eerst werk uitvoerde met een relatief lage arbeidsintensiviteit. Hij reed namelijk met containerladingen van A naar B. Daar heeft zij geen gebruik van gemaakt, terwijl zij [eiser] kan bereiken op zijn mobiele nummer en hij graag bereid is een bedrijfsarts te bezoeken als hij daarvoor uitgenodigd zou worden. 3.10.4 Voor [eiser] is het momenteel moeilijk om een geneeskundige verklaring te verkrijgen. [eiser] spreekt geen Nederlands en hij heeft geen vaste woon- en verblijfplaats, omdat hij geen loon en geen inkomen heeft. Dat maakt dat hij is aangewezen op een caravan die zijn broer voor hem heeft gekocht en die hij achter zijn auto van camperplek naar camperplek verplaatst. 3.11 Omdat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] voldoende aannemelijk is, had [eiser] recht op doorbetaling van 100% van het achterstallige loon vanaf 14 maart 2026 tot en met juli 2026. Ook de hoogte van het loon is door [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt. [eiser] stelt dat partijen hebben afgesproken dat het loon netto € 3.300,00 per maand bedraagt, en dat daar zowel het bruto loon als de toeslagen waar [eiser] recht op had, in verwerkt zijn. De toelichting die [eiser] tijdens de mondelinge behandeling hierop heeft gegeven in combinatie met twee loonstroken van verschillende periodes, waarin inderdaad steeds € 3.300,00 netto is uitgekeerd, zijn hier voldoende onderbouwing voor. Zeker aangezien [gedaagde ] de hoogte van het loon wel heeft betwist, maar haar betwisting op geen enkele manier heeft onderbouwd. De vordering tot betaling van het bedrag aan achterstallig salaris over deze maanden ter hoogte van € 15.213,00 netto zal dan ook worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke verhoging aangezien [gedaagde ] het loon te laat betaald heeft. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. Op grond van de wet moet [gedaagde ] ook wettelijke rente betalen over de bedragen die te laat betaald zijn. De wettelijke rente over het achterstallig salaris en de genoemde wettelijke verhoging worden daarom toegewezen zoals vermeld onder de beslissing. 3.12 De kantonrechter gaat met de toewijzing van het achterstallige loon voorbij aan het beroep van [gedaagde ] op een restitutierisico. Het spoedeisend belang bij de loonvordering is gelegen in de omstandigheid dat [eiser] zijn loon nodig heeft om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Dit maakt dat van een zeker restitutierisico sprake is. Het legt echter onvoldoende gewicht in de schaal om de vordering van [eiser] af te wijzen. De vordering tot betaling van toekomstig loon wordt afgewezen 3.13 [eiser] vordert ook betaling van het toekomstige loon in deze kort geding procedure. Gelet op de vele mitsen en maren in dit dossier, ziet de kantonrechter aanleiding deze vordering toe te wijzen voor de periode tot augustus 2026, dus het loon tot en met juli 2026. Het is aan partijen om voor de periode na dit vonnis een goed gemotiveerde bodemprocedure te starten en/of op basis van een beter gedocumenteerd dossier samen tot goede afspraken te komen over de betalingsverplichtingen. Lukt dat niet, dan zou een kort geding gepast kunnen zijn. Op basis van het gebrekkige dossier beperkt de kantonrechter zich echter tot het deel van de vordering dat ziet op de betaling van het achterstallige loon tot augustus. De vordering tot inschakelen bedrijfsarts wordt toegewezen 3.14 De door [eiser] gevorderde inschakeling van een bedrijfsarts ter begeleiding van [eiser] tijdens zijn ziekte en re-integratie, wordt toegewezen. Zoals in 3.10.3 uitgelegd, is [gedaagde ] verplicht om bij ziekte van zijn medewerkers de bedrijfsarts in te schakelen. De kantonrechter ziet geen aanleiding daaraan een dwangsom te verbinden omdat tijdens de mondelinge behandeling is verklaard dat mede dankzij de inzet van de advocaat van [gedaagde ] inmiddels een bedrijfsarts is benaderd. De vordering tot verstrekking van een deugdelijke specificatie wordt toegewezen 3.15 [eiser] vordert verstrekking van een deugdelijke specificatie binnen zeven dagen na verzoek daartoe, op straffe van een dwangsom. Die vordering zal worden toegewezen voor wat b