Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-08-03
ECLI:NL:RBMNE:2026:5522
Verzoek om vergoedingen na ontslag op staande voet. Verweerder is niet verschenen. Kantonrechter wijst de vergoedingen, waaronder een billijke vergoeding toe. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12238300 \ UE VERZ 26-230 Beschikking van 3 augustus 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. M. Booij, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerder] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, door de kantonrechter ontvangen op 18 mei 2026 - de mondelinge behandeling. 1.2 De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 21 juli 2026. [verzoeker] was aanwezig met haar gemachtigde, mr. Booij. Ook waren voor [verzoeker] aanwezig mevrouw I.Z. Lukomska, tolk in de Poolse taal, en mevrouw [A] , persoonlijk ondersteuner via Work in NL. Namens [verweerder] is niemand verschenen. [verweerder] heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. [verzoeker] heeft vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. 1.3 Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat op 18 augustus 2026 en mogelijk eerder uitspraak zal worden gedaan. Omdat het daarna mogelijk is gebleken eerder uitspraak te doen, doet de kantonrechter per vandaag uitspraak. 2 De kern van de zaak 2.1 [verweerder] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] wil verschillende vergoedingen van [verweerder] omdat er volgens haar niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. [verzoeker] wil ook een deugdelijke eindafrekening en salarisspecificaties. De kantonrechter wijst deze verzoeken toe. 3 De achtergrond van de zaak 3.1 [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1970, is vanaf 1 september 2025 in dienst bij [verweerder] . De arbeidsovereenkomst geldt voor bepaalde tijd van één jaar. De functie van [verzoeker] is algemeen medewerker met een arbeidsomvang van gemiddeld 40 uur per week voor een loon van € 15,00 bruto per uur. Het brutoloon bedraagt daardoor per maand € 2.600,- bruto. 3.2 Op 18 maart 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. 3.3 [verzoeker] heeft daarna een uitkering aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft [verzoeker] daarop laten weten dat haar dienstverband met [verweerder] niet bekend is. 4 De beoordeling [verweerder] heeft geen verweer gevoerd 4.1 De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] behoorlijk is opgeroepen. De rechtbank Midden-Nederland heeft [verweerder] per brief van 2 juni 2026, die per gewone post is verstuurd, opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De gemachtigde van [verzoeker] heeft [verweerder] daarna op 8 juni 2026 zowel per gewone post als per aangetekende post een brief gestuurd met een kopie van de oproepingsbrief van de rechtbank. Uit de door [verzoeker] overgelegde ontvangstbevestiging blijkt dat [verweerder] de per aangetekende post verzonden brief met de oproepingsbrief heeft ontvangen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [verweerder] op de hoogte was van de mondelinge behandeling, maar dat zij er voor heeft gekozen niet te verschijnen. 4.2 Omdat geen verweer is gevoerd tegen de verzoeken en de door [verzoeker] overgelegde stukken gaat de kantonrechter hierna uit van de juistheid van de stellingen van [verzoeker] . Wat moet de kantonrechter beoordelen? 4.3 [verzoeker] berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 18 maart 2026, maar stelt dat een dringende reden voor het ontslag ontbreekt. [verzoeker] verzoekt daarom de veroordeling van [verweerder] tot betaling van: € 514,15 bruto aan transitievergoeding; € 3.985,55 bruto aan vergoeding voor de onregelmatige opzegging; € 25.000,00 bruto aan billijke vergoeding. 4.4 Het gaat in deze zaak dus om de vraag of [verweerder] vergoedingen aan [verzoeker] verschuldigd is. Daarvoor moet de kantonrechter beoordelen of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. 4.5 De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen. Het ontslag op staande voet voldoet niet aan de eisen die daaraan gesteld worden 4.6 De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder dat de werknemer daarmee schriftelijk instemt. Dat is anders als sprake is van een dringende reden op grond waarvan de werkgever de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang mag beëindigen, ook wel een ontslag op staande voet genoemd. 4.7 De wet stelt drie eisen aan het ontslag op staande voet . Alleen als aan alle drie de eisen wordt voldaan is het ontslag op staande voet rechtsgeldig. Allereerst moet er een dringende reden zijn. Een dringende reden kan bijvoorbeeld bestaan als de werknemer zich zó gedraagt, dat het niet redelijk is om van de werkgever te verlangen dat hij hem nog in dienst houdt . Daarnaast moet het ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven. Ten slotte moet de dringende reden onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het ontslag op staande voet niet aan de wettelijke eisen voor een ontslag op staande voet. Dat wordt hierna toegelicht. 4.8 Niet in geschil is dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en de dringende reden onverwijld is meegedeeld. Er is geen sprake van een dringende reden 4.9 De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een dringende reden, waardoor niet alle eisen voor een geldig ontslag op staande voet is voldaan. 4.10 Uit de door [verzoeker] overgelegde Whatsapp-berichten blijkt dat [verweerder] [verzoeker] daarin op 18 maart 2026 het volgende heeft geschreven: “ [contactnaam] Opkankere kurwa alchollist nooit meer komen 8:18 AM” en: [ongedateerd] “Opkankere kurwa tering alcoholist nooit meer komen je bent op staande voet ontslagen. Werkweigering en alcohol dronken op werk komen 10:22 AM” 4.11 [verzoeker] verwijst in het verzoekschrift alleen naar het hiervoor als laatste geciteerde app-bericht, dat ongedateerd is. [verzoeker] stelt dat zij dit bericht op 18 maart 2026 van [verweerder] heeft ontvangen, wat niet is weersproken zodat de kantonrechter daarvan zal uitgaan. De kantonrechter begrijpt uit de hiervoor geciteerde app-berichten dat [verzoeker] op 18 maart 2026 door [verweerder] op staande voet is ontslagen omdat [verzoeker] onder invloed van alcohol op het werk is verschenen en werk heeft geweigerd. [verzoeker] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij tijdens werktijd alcohol heeft gebruikt of dat zij onder invloed van alcohol is geweest. [verweerder] heeft dit niet onderbouwd. [verweerder] heeft dan ook niet aangetoond dat sprake is geweest van alcoholgebruik door [verzoeker] tijdens het werk en dat dit een dringende reden voor ontslag vormt. 4.12 [verzoeker] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij werk heeft geweigerd. [verweerder] heeft de gestelde werkweigering niet onderbouwd. [verzoeker] heeft op de zitting toegelicht dat zij altijd beschikbaar was voor het verrichten van werk. Omdat het loon structureel te laat en niet volledig werd betaald, heeft zij haar leidinggevende op 18 maart 2026 hierop aangesproken en is zij na dit gesprek naar huis gegaan. Daardoor heeft zij een dagdeel niet gewerkt. De gemachtigde van [verzoeker] heeft tijdens de zitting toegelicht dat tegen [verweerder] meer procedures lopen omdat ook bij andere werknemers van [verweerder] het loon niet tijdig is betaald en de dienstverbanden niet zijn aangemeld bij het UWV en de Belastingdienst. [verzoeker] bleek ook niet bekend te zijn bij het UWV en de Belastingdienst als werknemer van [verweerder] . De kantonrechter maakt hieruit op dat [verzoeker] op 18 maart 2026 een geldige reden had om haar werkzaamheden tijdelijk op te schorten. De tijdelijke opschorting van werk kan daarom niet worden aangemerkt als een werkweigering zonder geldige reden. Dit vormt dus ook geen dringende reden. 4.13 Omdat geen sprake is van een dringende reden is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoeker] heeft recht op de transitievergoeding 4.14 [verzoeker] verzoekt om toekenning van de transitievergoeding. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan in die situatie zijn recht op transitievergoeding alleen kwijtraken bij uitzonderlijke omstandigheden, namelijk als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer . 4.15 Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan in dit geval geen sprake. Door het onterechte ontslag op staande voet staat vast dat [verweerder] ten aanzien van [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Niet is gebleken dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Daarom is een transitievergoeding verschuldigd. [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die volgens [verzoeker] € 514,15 bruto bedraagt. Dit bedrag, dat door [verweerder] niet is weersproken, komt de kantonrechter bij de gestelde duur van de arbeidsovereenkomst en hoogte van het brutoloon niet onjuist voor, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 18 april 2026. [verzoeker] heeft recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging 4.16 De door [verzoeker] verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging, die niet is weersproken, zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt . De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de termijn bij een regelmatige opzegging met inachtneming van de opzegtermijn, die één maand bedraagt. Dat komt neer op € 3.985,55 bruto, inclusief vakantiegeld, het loon over de periode van 18 maart 2026 tot en met 30 april 2026. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 18 maart 2026. [verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding 4.17 [verzoeker] heeft verzocht haar een billijke vergoeding toe te kennen van € 25.000,00 bruto. 4.18 Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. 4.19 Bij de toekenning van een billijke vergoeding moet de kantonrechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, zoals de mate van verwijtbaarheid van de werkgever en de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. 4.20 In dit geval wordt rekening gehouden met de volgende omstandigheden. Er is sprake van een kort dienstverband, van ruim een half jaar. [verzoeker] is door [verweerder] ontslagen nadat zij [verweerder] er (weer) op had aangesproken dat haar salaris niet volledig werd betaald. Het ontslag is vervolgens gegeven in zeer beledigende woorden via Whatsapp zonder verdere toelichting. Ervan uitgaand dat [verweerder] geen dringende reden had voor het geven van ontslag op staande voet, is de wijze waarop zij dit heeft gedaan voor [verzoeker] (onnodig) kwetsend en beledigend geweest. Uit de app-berichten die [verzoeker] heeft overgelegd blijkt dat [verweerder] niet meer inhoudelijk heeft gereageerd op de verzoeken van [verzoeker] na het ontslag om te weinig betaald salaris uit te betalen. [verzoeker] heeft nog geen uitkering kunnen aanvragen omdat zij door [verweerder] niet was aangemeld bij het UWV en de Belastingdienst, waardoor [verzoeker] vanaf het ontslag langere tijd in onzekerheid heeft gezeten over haar inkomen en zij van haar spaargeld en donaties van de Voedselbank heeft moeten leven. Tijdens de zitting is gebleken dat het dienstverband van [verzoeker] door inspanningen van haar gemachtigde alsnog door [verweerder] is gemeld bij het UWV. [verzoeker] verwacht dat zij daardoor binnenkort alsnog een Werkloosheidsuitkering zal krijgen. Met de wijze waarop het ontslag heeft plaatsgevonden is het namelijk begrijpelijk dat [verzoeker] in het ontslag heeft berust. Op grond van de omstandigheden waaronder het ontslag heeft plaatsgevonden, het niet volledig betalen van het salaris, de beledigende appjes en het niet meer inhoudelijk reageren op vragen van [verzoeker] vindt de kantonrechter het aannemelijk dat [verzoeker] het dienstverband niet voor de gehele duur van een jaar had volgehouden en al eerder ander werk zou hebben gezocht, als het ontslag op staande voet niet was gegeven. [verzoeker] heeft niets gesteld over haar kansen op de arbeidsmarkt, zodat de kantonrechter geen reden ziet om aan te nemen dat [verzoeker] langere tijd zonder werk en inkomen zal blijven. 4.21 Al deze omstandigheden bij elkaar maken dat de kantonrechter een billijke vergoeding op basis van drie maandsalarissen passend acht. Aan [verzoeker] wordt daarom een billijke vergoeding toegekend van € 8.000,00 bruto. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. [verweerder] moet de eindafrekening voldoen 4.22 [verweerder] zal, zoals door [verzoeker] is verzocht, worden veroordeeld om een deugdelijke eindafrekening te voldoen, op basis van een te verstrekken salarisspecificatie zoals hierna in punt 4.23 wordt besproken. De over de eindafrekening verzochte maximale wettelijke verhoging, zal worden toegewezen op de wijze als hierna in de beslissing is vermeld. [verweerder] moet salarisspecificaties en de eindafrekening geven 4.23 [verzoeker] heeft ook verzocht om [verweerder] te veroordelen tot afgifte van de salarisspecificaties over de periode van september 2025 tot en met maart 2026 en de eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [verweerder] hieraan geen gehoor geeft, tot een maximum van € 10.000,00. Deze vordering, die niet is weersproken, zal de kantonrechter ook toewijzen. De kantonrechter ziet echter in de aard van de gevorderde veroordeling aanleiding de hoogte van de dwangsom te matigen tot € 100,00 per dag tot een maximum van € 2.500,00. [verweerder] moet de proceskosten betalen 4.24 De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). 4.25 De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.