Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-08-05
ECLI:NL:RBMNE:2026:5241
Wet WIA. Vaststelling eerste ziektedag door het Uwv. Een eerdere of latere ziektedag zijn onvoldoende objectief onderbouwd. De beroepen zijn ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 25/3320 en UTR 26/2379 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaken tussen Stichting Openbare Bibliotheek Almere, uit Almere (hierna aangeduid als “ex-werkgeefster”) (gemachtigde:mr. E. Ljucevic) en [eiseres] , uit [plaats] (hierna aangeduid als “ex-werkneemster”) (gemachtigde: mr. C.J. Loef) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (hierna aangeduid als “het Uwv”) (gemachtigde: mr. M. van Mourik). Ex-werkgeefster is eisende partij in de zaak met nummer UTR 25/3320. Ex-werkneemster neemt aan die zaak deel als derde partij. Ex-werkneemster is eisende partij in de zaak met nummer UTR 26/2379. Ex-werkgeefster neemt aan die zaak deel als derde-partij. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het Uwv terecht de eerste ziektedag van ex-werkneemster in het kader van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft vastgesteld op 2 juni 2023. Ex-werkneemster voert aan dat zij sinds 9 maart 2022 arbeidsongeschikt is en ex-werkgeefster voert aan dat de eerste ziektedag na het dienstverband is gelegen op 29 februari 2024. Conclusie 2. Het oordeel van de rechtbank is dat een eerdere of latere ziektedag onvoldoende objectief zijn onderbouwd. Dat betekent dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voorgeschiedenis en besluitvorming 3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Ex-werkneemster was sinds 1 mei 2000 bij ex-werkgeefster werkzaam als [functie] voor 23 uur per week en vanaf 1 maart 2022 voor 18 uur per week. Op 9 maart 2022 heeft zij zich ziek gemeld wegens belemmerende gezondheidsklachten, waarna zij zich op 22 juni 2022 volledig hersteld heeft gemeld. Het dienstverband is per 3 augustus 2023 beëindigd, nadat ex-werkneemster met de e-mail van 2 juni 2023 ontslag heeft genomen. Op 29 februari 2024 is ex-werkneemster met spoed opgenomen in het ziekenhuis, waar zij is gediagnosticeerd met een ernstige fysieke aandoening. 4. Op 9 juni 2024 heeft ex-werkneemster een aanvraag voor een WIA-uitkering gedaan. Naar aanleiding van de aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Met het besluit van 30 augustus 2024 (het primaire besluit) is aan ex-werkneemster met ingang van 6 maart 2024 een WIA-uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend tot en met 5 maart 2026. Daarbij is het Uwv er van uitgegaan dat de eerste ziektedag 9 maart 2022 is en dat het ontslag medisch verschoonbaar is, waardoor de wachttijd niet onderbroken is geweest. Omdat ex-werkneemster aan het einde van de wachttijd voor de WIA in het ziekenhuis was opgenomen, beschikte zij niet over benutbare mogelijkheden. 5. Ex-werkgeefster is eigenrisicodrager voor de Wet WIA en heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Volgens ex-werkgeefster ligt de eerste ziektedag ruime tijd na het einde van het dienstverband, namelijk op 29 februari 2024, waardoor de WIA-uitkering niet ten laste van ex-werkgeefster komt. 6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in wat ex-werkgeefster heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om de eerste ziektedag te wijzigen van 9 maart 2022 naar 29 februari 2024. Met het besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van ex-werkgeefster ongegrond verklaard. 7. Tegen het bestreden besluit heeft ex-werkgeefster beroep bij de rechtbank ingesteld. Dat beroep is geregistreerd met het zaaknummer UTR 25/3320. Ter onderbouwing dat de eerste ziektedag niet 9 maart 2022 is, heeft ex-werkgeefster een medische rapportage van bedrijfsarts [functie] overgelegd. Naar aanleiding van deze rapportage heeft het Uwv verzocht om aanhouding van de zaak, zodat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ex-werkneemster op een spreekuur kon onderzoeken. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek toegewezen. Het spreekuur heeft plaatsgevonden op 17 november 2025. 8. Met het besluit van 19 februari 2026 (het bestreden besluit II) heeft het Uwv de eerste ziektedag gewijzigd van 9 maart 2022 naar 2 juni 2023. Door de gewijzigde referteperiode (1 juni 2022 tot en met 31 mei 2023) is het dagloon lager. Immers is ex-werkneemster vlak voor de eerste ziekmelding van 9 maart 2022 18 uur per week gaan werken. De verlaging van het dagloon wordt per 1 maart 2027 geëffectueerd zodat ex-werkneemster zich hierop kan voorbereiden. Per einde van de nieuwe wachttijd (30 mei 2025) heeft ex-werkneemster recht op een IVA-uitkering. Omdat er voor 30 mei 2025 nog geen recht bestond op een WIA-uitkering, wordt deze niet in de uitkeringslast meegenomen welke de Belastingdienst gebruikt om de premie te berekenen die ex-werkgeefster moet betalen. 9. Ex-werkgeefster heeft de rechtbank bericht dat het bestreden besluit II geen aanleiding geeft om het beroep in te trekken. Ook ex-werkneemster is het niet eens met het bestreden besluit II en heeft daartegen een beroepschrift ingediend. De rechtbank heeft dit beroepschrift aangemerkt als een rechtstreeks beroep en geregistreerd met het zaaknummer UTR 26/2379. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 10. De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van ex-werkgeefster, vergezeld door M. Arendsen (HR manager) en I. Rietkerk (HR netwerkcoördinator), de gemachtigde van ex-werkneemster en de gemachtigde van het Uwv. Beoordeling door de rechtbank Geheimhouding 11. Ex-werkneemster heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan ex-werkgeefster te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van ex-werkneemster om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt. Wet WIA 12. Voordat een verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wet WIA geldt in beginsel een wachttijd van 104 weken. Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. 13. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het bestreden besluit I 14. De rechtbank stelt voorop dat het beroep van ex-werkgeefster van rechtswege mede betrekking heeft op het bestreden besluit II. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit II het bestreden besluit I vervangt, nu dit besluit een volledige heroverweging bevat van het primaire besluit. Hierdoor is er geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I. Voor zover het beroep dus nog tegen het bestreden besluit I is gericht, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Het bestreden besluit II 15. Omdat ex-werkneemster op de zitting haar beroepsgrond over de medische afzakker heeft ingetrokken, beoordeelt de rechtbank alleen of het Uwv de eerste ziektedag juist heeft vastgesteld op 2 juni 2023. De standpunten van partijen 16. Ex-werkgeefster voert aan dat 2 juni 2023 niet als eerste ziektedag moet worden aangemerkt. De eerste ziektedag van ex-werkneemster is 29 februari 2024, omdat ex-werkneemster tot aan het einde van haar dienstverband heeft gewerkt. Dat ex-werkneemster mogelijk klachten had die passen bij de later gestelde diagnose, betekent volgens bedrijfsarts [functie] niet dat zij niet in staat was haar arbeid te verrichten. Integendeel, uit het procesverloop blijkt dat ex-werkneemster zich in juni 2022 volledig hersteld heeft gemeld en nadien naar loonwaarde en zonder beperkingen haar functie heeft vervuld tot aan het einde van haar dienstverband. De ontslagname per e-mail van 2 juni 2023 was bovendien niet ingegeven vanuit medische redenen, maar omdat ex-werkneemster zich niet kon vinden in de plannen voor de reorganisatie en de verandering van haar functie. Dat blijkt onder meer uit het feit dat ex-werkneemster na het einde van het dienstverband nog e-mails heeft gestuurd over een transitievergoeding. Omdat geen sprake was van een doorlopende eerdere periode van arbeidsongeschiktheid, is ex-werkgeefster van mening dat 29 februari 2024 de eerste ziektedag moet zijn. 17. Ex-werkneemster voert aan dat de eerste ziektedag eerder is gelegen, namelijk op 9 maart 2022, omdat zij toen is uitgevallen met klachten die daarna alleen maar zijn verergerd, waardoor zij tussen 6 december 2022 en 12 december 2022 en daarna van 24 maart 2023 tot 3 april 2023 opnieuw is uitgevallen.Het disfunctioneren wegens ziekte – waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep de arbeidsongeschiktheid aan heeft ontleend – is volgens ex-werkneemster dus al eerder opgetreden. Dat blijkt volgens ex-werkneemster uit het huisartsenjournaal, de schriftelijke verklaringen van oud collega’s en de brief van de behandeld arts van 9 april 2024, waaruit volgt dat zij al zeker twee jaar progressieve klachten moet hebben gehad. De beoordeling van het geschil 18. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat ex-werkneemster voor het eerst op 2 juni 2023 arbeidsongeschikt was, en dus vóór het einde van het dienstverband, waardoor ex-werkneemster ziek uit dienst is getreden bij ex-werkgeefster. 19. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat de beantwoording van de vraag of de wachttijd is vervuld een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard. Ook volgt dat, gelet op de positie van de ex-werkgeefster, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit over de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. De ex-werkgeefster kan immers niet zelf toegang krijgen tot medische gegevens van ex-werkneemster. Wanneer ex-werkgeefster eigenrisicodrager is zal zij op grond van gegevens van haar arbodienst, zo nodig in samenhang met andere voor haar beschikbare (medische) gegevens, haar opvatting over de aanvang van de ongeschiktheid moeten onderbouwen en aannemelijk moeten maken. Voor ex-werkneemster geldt dat wanneer zij de eerste ziektedag bestrijdt, zij medische informatie moet inbrengen die twijfel geeft aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. 20. De rechtbank is van oordeel dat ex-werkgeefster er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat 29 februari 2024 de eerste ziektedag is. Bedrijfsarts [functie] motiveert alleen waarom 9 maart 2022 niet de eerste ziektedag is, zoals het Uwv met het bestreden besluit II ook heeft vastgesteld. Het rapport van de bedrijfsarts biedt echter geen medische onderbouwing waarom 2 juni 2023 niet de eerste ziektedag is. De e-mailberichten die ex-werkneemster na het einde van haar dienstverband heeft gestuurd, zeggen niets over de wijze waarop ex-werkneemster haar functie heeft vervuld en dus over de mate van arbeidsongeschiktheid. Ex-werkgeefster is er dan ook niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de eerste ziektedag na het einde van het dienstverband is gelegen. 21. Ook ex-werkneemster heeft de rechtbank niet doen twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de eerste ziektedag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat het zelfgenomen ontslag met de e-mail van 2 juni 2023 een medische reden had. De klachten begonnen enkele weken voor de ontslagname echt op te vallen. Toen dacht de echtgenoot van ex-werkneemster dat er iets goed mis was met zijn vrouw. De datum van ontslagname is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook een omslagpunt in het functioneren geweest. De datum van ontslagname dateert negen maanden voor de datum van de operatie. Dat betekent dat ex-werkneemster -naar medische verwachting- fors last moest hebben gehad van de ziekte. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen en betrekt daarbij de verklaring van de behandelend arts van ex-werkneemster van 9 april 2024 dat sprake was van progressieve klachten. Dat brengt met zich dat de klachten die zijn begonnen in maart 2022 steeds erger zijn geworden totdat ex-werkneemster daar zo veel last van had dat zij niet meer kon functioneren. Dat was het moment van ontslagname na 23 jaar dienstverband. 22. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat niet kan worden vastgesteld dat ex-werkneemster op een eerdere datum, in dit geval 9 maart 2022, arbeidsongeschikt was. De rechtbank stelt met de verzekeringsarts bezwaar en beroep vast dat er geen structurele langere perioden van arbeidsongeschiktheid zijn geweest voor de datum van het ontslag. Er zijn ook geen (medische) gegevens beschikbaar die een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag onderbouwen. Op basis van enkele bezoeken aan de huisartsenpraktijk kan niet gezegd worden dat ex-werkneemster in maart 2022 arbeidsongeschikt was voor haar functie. Ook de algemene verklaring van de behandelend arts over het verloop van de ziekte en de verklaringen van oud collega’s bevatten onvoldoende informatie over het al dan niet functioneren van ex-werkneemster op 9 maart 2022. Ex-werkneemster krijgt dus ook geen gelijk. Conclusie en gevolgen 23. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het Uwv, waarin de eerste ziektedag is vastgesteld op 2 juni 2023 in stand blijft. 24. Omdat het Uwv na het instellen van het beroep door ex-werkgeefster een gewijzigd besluit heeft genomen, waarmee de eerste ziektedag is gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die ex-werkgeefster in bezwaar en beroep heeft moeten maken. De kosten voor de beroepsmatige rechtsbijstand van de gemachtigde van ex-werkgeefster stelt de rechtbank onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.332,- voor de bezwaarfase (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 666,- met een wegingsfactor 1) en € 934,- voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1). Omdat het Uwv voorafgaand aan de zitting een nieuw besluit heeft genomen dat wel in stand is gebleven, kent de rechtbank geen punt toe voor het bijwonen van de zitting. Ook moet het Uwv het griffierecht van € 385,- aan ex-werkgeefster vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het vergoeden van de proceskosten van ex-werkneemster, omdat zij geen gelijk krijgt van de rechtbank. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep van ex-werkgeefster tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk; verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit II ongegrond; veroordeelt het Uwv tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan ex-werkgeefster; bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 385,- aan ex-werkgeefster moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.