Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-04
ECLI:NL:RBMNE:2026:524
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/128986-25, 16/096151-25 (gev. ttz), 23-001160-22 (TUL) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 4 februari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] (Algerije), zonder vaste woon- of verblijfplaats, (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 21 januari 2026. Op de zitting waren aanwezig: de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi; de advocaat van de verdachte: mr. S. Aytemur (hierna: de advocaat); de benadeelde partij: [benadeelde] ; de advocaat van de benadeelde partij: mr. B.C.M. Sprenger. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: Parketnummer 16-128986-25 feit 1 Primair Op 25 april 2025 in Utrecht heeft geprobeerd om [benadeelde] zwaar te mishandelen door hem een klap tegen het hoofd te geven hem (meermalen) met een riem tegen zijn hoofd/lichaam te slaan boven op hem te gaan zitten nadat hij ten val was gekomen en (meermalen) met zijn vuisten tegen zijn hoofd/lichaam te slaan hem (meermalen) te schoppen tegen zijn hoofd/lichaam. Subsidiair ten laste gelegd als mishandeling. feit 2 Op 25 april 2025 in Utrecht een rugtas en een MacBook van [aangever] heeft gestolen. Subsidiair ten laste gelegd als heling. Parketnummer 16-096151-25 Op 26 maart 2025 in Utrecht wederrechtelijk is binnengedrongen bij [bedrijf] in Utrecht, terwijl hem de toegang was ontzegd. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 subsidiair van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25 heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 16/128986-25 heeft de advocaat geen bewijsverweer gevoerd. Wel verzoekt zij om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweerexces. Dit verweer zal worden besproken onder paragraaf 4.2. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Bewijsmiddelen Ten aanzien van feit 1 en feit 2 van parketnummer 16/128986-25 De rechtbank oordeelt dat feit 1 (poging tot zware mishandeling) en feit 2 (heling) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op volgende bewijsmiddelen: Een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] , voor zover inhoudende: Op 25 april 2025 was ik in de binnenstad van Utrecht. Ik voelde een klap op mijn hoofd. Ik weet dat mijn riem werd afgedaan en dat ik hiermee ben geslagen. Ik weet dat ik mijn telefoon en mijn portemonnee niet meer heb. Een proces verbaal, voor zover inhoudende: Ik hoorde [benadeelde] zeggen: Ruzie? Met die man zeker niet ik werd aangevallen(…). Een proces verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende: Omstreeks 23:15 uur op vrijdag 25 april 2025 kregen wij een spoedmelding om ter plaatse te gaan bij de [straat 1] te Utrecht. Ik hoorde dat het slachtoffer mij de volgende personalia opgaf: - [benadeelde] Ik hoorde dat een omstander zei: die jongen is met een riem tegen zijn hoofd aan geslagen. Een geschrift, inhoudende een verklaring van de huisarts, voor zover inhoudende: [benadeelde] 29 april 2025 Mond: stuk van R voortand afgebroken, verder gebit intact Ogen: bdz opp bloeding sclerae, visus ongestoord. Rondom ogen haematomen Schedel: drukpijn L achter oor Nek: drukpijn spieren, mn m trapezius Oren: ADS: bdz cerumen, verder gd Daarna zag ik dat de twee personen met elkaar worstelden. Op een gegeven moment zag ik dat één van de twee personen boven op de ander zat. Ik zag dat hij met zijn vuist op de persoon die onder hem lag insloeg. Het duurde naar mijn gevoel erg lang. Ik denk dat het wel zo'n zeven tot acht minuten duurde. Ik zag dat de persoon die bovenop zat, voor zeven tot acht minuten, constant met zijn vuist insloeg op degene die onderop lag. Het geweld dat ik zag, zag er zeker niet uit als zelfverdediging. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte op 26 april 2025, voor zover inhoudende: V: Wat deed je gisteren in Utrecht? A: We waren met mensen. V: Als iedereen ergens anders naar toe gaat. Was jij dan alleen? A: Toen ik vocht was ik alleen. O: Door een getuige wordt gezien dat er een man een andere man slaat. Deze getuige heeft dit ook gefilmd. V: De politieagent die jou heeft aangehouden heeft dit filmpje ook gezien en hij herkende jou op het filmpje als de man die sloeg. O: Wij tonen je nog een foto, foto 2. V: Wat kan je hierover verklaren? A: We hadden ruzie. We hadden een gevecht tussen elkaar. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 16/096151-25 De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op volgende bewijsmiddelen: Een proces-verbaal van de uitreiking van de winkelontzegging, voor zover inhoudende: Op 26 maart 2025 omstreeks 16:15 uur waren wij, verbalisanten, bij de winkel [bedrijf] in Utrecht. Aldaar zagen wij de beveiliging met een verdachte staan. De verdachte bleek later te zijn: * [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te Algerije. * Wij reikten [verdachte] een winkelontzegging uit voor alle [bedrijf] filialen in Nederland voor de duur van 12 maanden. Wij zeiden tegen hem dat deze ontzegging vanaf vandaag inging op woensdag 26 maart 2025 en dat hij eindigt op woensdag 25 maart 2026. Wij vroegen aan hem of hij dat begreep. Wij hoorden hem zeggen dat hij het had begrepen. Wij zeiden tegen hem dat als hij wel in één van [bedrijf] filialen in Nederland komt, dat hij per direct wordt aangehouden. Wij hoorden hem zeggen dat hij dit begreep. Een geschrift, te weten een winkelontzegging, voor zover inhoudende: Landelijke winkelontzegging Bedrijfsnaam [bedrijf] Ontzegging aan [verdachte] Naar aanleiding van uw gedrag in ons bedrijf op woensdag ontzeg ik u, namens de directie van [bedrijf] met ingang van heden, 26 maart 2025, de toegang van al onze winkelfilialen in Nederland voor de duur van 12 maanden. Eindigend op 25 maart 2026. Datum: 26 maart 2025 Spreekt de man Nederlands: Nee Hoe is de winkelontzegging uitgereikt: persoonlijk Heeft de verdachte de uitleg begrepen: ja Tolknummer: 25340 Een proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende: De verdachte bevond zich wederrechtelijk in de winkel [bedrijf] , in Utrecht. Op 26 maart 2025 omstreeks 17:00 uur zag ik een persoon met een winkelverbod in de winkel. De persoon kan ik als volgt omschrijven: - man; - licht getint; - 20-25 jaar - 1,80 cm; - tenger postuur; - zwarte jas; - licht grijze joggingsbroek - witte Nike sneakers met oranje logo Deze man herkende ik van eerder deze middag. Wij hebben toen een winkelontzegging uitgereikt voor de duur van 12 maanden voor alle [bedrijf] in Nederland. Wij hebben de man mee naar achter genomen op afwachting van de politie. Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende: Op woensdag 26 maart 2025 omstreeks 17.30 uur kwamen wij ter plaatse in een filiaal van [bedrijf] . Wij zagen dat [verdachte] zich bevond in het magazijn. 3.3.2 Bewijsoverwegingen Ten aanzien van feit 1 en feit 2 van parketnummer 16/128986-25 Poging zwaar lichamelijk letsel (feit 1) De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bij poging tot zware mishandeling moet het vereiste opzet gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het s 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1 Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Ten aanzien van parketnummer 16/128986-25 Feit 1 poging tot zware mishandeling Feit 2 schuldheling Ten aanzien van parketnummer 16/096151-25 in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen 4.2 Strafbaarheid feit en verdachte 4.3.1 Beroep op schulduitsluitingsgrond De verdediging vindt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Namens de verdachte heeft de advocaat aangevoerd dat de worsteling is begonnen met zelfverdediging en dat de verdachte eerst zelf is geslagen, voordat hij het slachtoffer sloeg. De verdachte had eerder moeten stoppen met het inslaan op het slachtoffer, waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dit valt volgens de advocaat onder noodweerexces. De advocaat benadrukt dat de getuigen geen uitgebreide verklaring hebben afgelegd en slechts een (laatste) deel van de worsteling hebben gezien. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat niet aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweerexces is voldaan. Er was (kortgezegd) geen sprake van een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen. 4.3.2 Oordeel van de rechtbank Bij het beoordelen van het verweer dient de rechtbank allereerst te onderzoeken of een noodweersituatie voldoende aannemelijk is geworden. Pas als hier sprake van is, kan worden beoordeeld of de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. De rechtbank gaat uit van het scenario zoals uit de bewijsmiddelen volgt. Daar komt bij dat getuige [getuige] heeft verklaard dat hij iemand zag vallen, dat de verdachte boven op het slachtoffer zat en dat het handelen van de verdachte er niet uitzag als zelfverdediging. Daarnaast heeft aangever verklaard dat hij werd aangevallen door verdachte. De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte bij de politie niets heeft verklaard over zelfverdediging en dat hij pas maanden later op zitting met dit verweer komt. De verdachte heeft ook niet uitgelegd hoe deze noodweersituatie er concreet uitzag en waarom hij zich genoodzaakt zag om zichzelf tegen het handelen van het slachtoffer te verdedigen. De rechtbank oordeelt daarom dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte eerst zelf door het slachtoffer is aangevallen en dat hij zich daartegen moest verdedigen. De noodweersituatie is daarom niet aannemelijk geworden, waardoor hem ook geen geslaagd beroep op noodweerexces kan toekomen. Conclusie De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer(exces). De feiten en de verdachte zijn dus strafbaar. 5 Straf 5.1 Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest. 5.2 Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om niet een langere straf op te leggen dan de duur van 6 maanden die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Zij voert daartoe aan dat de voorlopige hechtenis eerder is opgeheven op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 6 maanden op. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft op koningsnacht op straat geprobeerd om een willekeurig persoon zwaar te mishandelen door hem te slaan op zijn lichaam en hoofd, waarbij hij ook een riem heeft gebruikt. De verdachte heeft daarmee op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Wat een feestelijke a Zij vindt dat niet is vast te stellen dat het slachtoffer deze spullen is kwijtgeraakt door het handelen van de verdachte en acht het mogelijk dat het slachtoffer de spullen eerder op de avond al is verloren. Ook verzoekt zij om de immateriële schade fors te matigen, omdat de benadeelde partij ook eigen schuld heeft (culpa in causa). 6.4 Oordeel van de rechtbank Materiële schade Het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schade voor de identiteitskaart, het telefoonhoesje, de screenprotector, de tandartsbehandelingen en het eigen risico is voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 bewezen verklaarde feit. Het verweer van de advocaat dat het slachtoffer de portemonnee en de telefoon mogelijk eerder op de avond is kwijtgeraakt, vindt de rechtbank niet aannemelijk. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij zijn portemonnee eerder die avond nog niet kwijt was. Vervolgens wordt deze leeg aangetroffen in de buurt van waar de worsteling heeft plaatsgevonden. Dat ook de telefoon op dat moment is verdwenen acht de rechtbank eveneens hoogst waarschijnlijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank is met de advocaat van oordeel dat de kosten voor de Motorola-telefoon moeten worden vergoed, en niet de kosten van de nieuw aangeschafte iPhone. De rechtbank wijst de kosten voor de aanschafwaarde van de Motorola van € 179,- daarom toe. Dit betekent dat een totaalbedrag van € 667,21 aan materiële schade wordt toegewezen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering voor de telefoon niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. Gelet op deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’, waar door de benadeelde partij ook naar is verwezen. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In deze zaak gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire letsel bestaat uit de bij de benadeelde partij vastgestelde PTSS en dat aansluiting moet worden gezocht bij de minst ernstige variant van PTSS, waarbij herstel binnen een tot twee jaar (min of meer) heeft plaatsgevonden. In deze zaak heeft h 8 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 subsidiair van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het onder de feiten 1 primair en 2 subsidiair van parketnummer 16/128986-25 en het feit onder parketnummer 16/096151-25 bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht ; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 1, parketnummer 16-128986-25) - wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.667,21, bestaande uit € 2.000 aan materiële schade en € 667,21 aan immateriële schade. - veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente: over een bedrag van € 266,45 met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling; over een bedrag van € 30,53 met ingang van 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; over een bedrag van € 9,95 met ingang van 18 september 2025 tot de dag van volledige betaling; over een bedrag van € 360,28 met ingang van 20 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling; - verklaart [benadeelde] van voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 2.667,21, te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente: over een bedrag van €266,45 met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling; over een bedrag van €30,53 met ingang van 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; over een bedrag van €9,95 met ingang van 18 september 2025 tot de dag van volledige betaling; over een bedrag van €360,28 met ingang van 20 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling; - indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 26 dagen gijzeling; - bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 23/001160-22 - verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging. Dit vonnis is gewezen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. C Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Caruso als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: Parketnummer 16-128986-25 Feit 1 hij, op of omstreeks 25 april 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - die [benadeelde] een klap tegen het hoofd heeft gegeven en/of - die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met een riem tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen en/of - ( nadat die [benadeelde] ten val was gekomen) bovenop die [benadeelde] is gaan zitten en/of meermalen, althans eenmaal, met zijn vuisten op/tegen h