Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-27
ECLI:NL:RBMNE:2026:5212
A-grond ontinbinding arbeidsovereenkomst afgewezen, omdat afspiegeling onjuist is toegepast, toekomstig verval arbeidsplaats niet vaststaat, en onvoldoende aan herplaatsing is gedaan. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht, kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12194977 \ UE VERZ 26-163 Beschikking van 27 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. L.V. Claassens, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. J.P. Volk. 1 De procedure 1.1 [verzoeker] heeft op 17 april 2026 een verzoekschrift ingediend. Op 22 juni 2026 heeft [verweerder] een verweerschrift ingediend. Op 24 juni 2026 heeft [verzoeker] aanvullende producties ingediend. De mondelinge behandeling vond plaats op 29 juni 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting. Namens [verzoeker] zijn bij de zitting verschenen de heer [A] , financieel directeur, en mevrouw [B] , Lead Labor Employee Relations. Zij werden bijgestaan door mr. Claassens. [verweerder] is samen met mr. Volk bij de zitting verschenen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat beschikking zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is een groot afvalverwerkingsbedrijf. [verweerder] is op 1 april 2019 in dienst gekomen bij [verzoeker] als Regio Controller voor de regio Randstad. Na een reorganisatie in 2022 is hij de functie van Business Line Controller voor de Business Unit Organics gaan vervullen. Op 1 december 2023 heeft [verzoeker] [verweerder] boventallig verklaard bij een (volgende) reorganisatie. Kort daarna heeft [verweerder] zich op 15 december 2023 ziekgemeld. Sinds 8 oktober 2025 is hij weer volledig hersteld. De ontslagaanvraag die [verzoeker] op 12 december 2025 bij het UWV heeft ingediend is afgewezen. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] verzet zich daartegen en heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend tot toekenning van een billijke vergoeding. Het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen en het tegenverzoek blijft onbesproken. 3 De beoordeling De maatstaf voor ontbinding vanwege bedrijfseconomische omstandigheden 3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [verzoeker] baseert haar verzoek aan de kantonrechter op het noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden. Dat verzoek kan alleen worden toegewezen als sprake is van een reorganisatie waarbij de functie van [verweerder] noodzakelijkerwijs is komen te vervallen en over een toekomstige periode van tenminste 26 weken vervallen zal blijven. Ook is voor ontbinding vereist dat [verzoeker] bij de reorganisatie het afspiegelingsbeginsel correct heeft toegepast en dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Het is aan [verzoeker] om feiten te stellen, onderbouwen en zo nodig te bewijzen die tot de conclusie leiden dat sprake is van een voldragen ontslaggrond. 3.2 De kantonrechter zal het verzoek afwijzen, omdat [verzoeker] : i. onvoldoende heeft onderbouwd dat de functie van [verweerder] over een toekomstige periode van 26 weken vervallen zal blijven; ii. het afspiegelingsbeginsel heeft toegepast op een te beperkt aantal functies; iii. onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen passende functies voor [verweerder] waren; iv. zich onvoldoende heeft ingespannen om [verweerder] te herplaatsen. Dat wordt hierna uitgelegd. i. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat de functie vervallen zal blijven 3.3 Om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te kunnen ontbinden, moet [verzoeker] onderbouwen dat zijn functie noodzakelijkerwijs is komen te vervallen en vervallen zal blijven over een toekomstige periode van 26 weken. [verzoeker] zegt dat dat het geval is, omdat de functie van [verweerder] sinds 1 januari 2024 niet meer bestaat. Op die datum heeft [verzoeker] een reorganisatie doorgevoerd die intern ‘Simplify’ werd genoemd (hierna: de Simplify-reorganisatie). [verzoeker] zag zich in die periode geconfronteerd met tegenvallende resultaten en besloot daarom om een van de managementlagen in haar financiële afdeling op te heffen. De functie van Business Line Controller Organics die [verweerder] vervulde, viel binnen die managementlaag (hieronder in oranje weergegeven). Daarom heeft [verzoeker] hem op 1 december 2023 boventallig verklaard. Figuur 1: organogram van de financiële afdeling voor Simplify-reorganisatie 3.3.1 [verzoeker] zegt dat naar dat moment moet worden gekeken om te beoordelen of de functie van [verweerder] noodzakelijkerwijs is komen te vervallen, ondanks dat er inmiddels tweeëneenhalf jaar is verstreken. Zij wijst erop dat zij op 1 januari 2024 ook een ontslagaanvraag bij het UWV heeft ingediend, maar die uiteindelijk niet kon doorzetten vanwege de ziekmelding van [verweerder] . Dat verandert volgens haar niets aan het feit dat zijn functie in 2024 is komen te vervallen en al meer dan twee jaar niet meer bestaat. Bovendien volgt daaruit volgens [verzoeker] logischerwijs ook dat de functie in de komende 26 weken niet zal terugkeren. In haar ontslagaanvraag bij het UWV van 12 december 2025 heeft zij daarom telkens verwezen naar de datum van die eerdere ontslagaanvraag als peildatum. Bij de vragen in de ontslagaanvraag die gaan over de ontwikkeling van de personeelsopbouw en de omvang van de relevante werkzaamheden heeft zij steeds aangegeven dat die vragen niet van toepassing zijn door het tijdsverloop sinds de Simplify-reorganisatie. Dat standpunt heeft zij in deze procedure herhaald. 3.3.2 De kantonrechter oordeelt dat [verzoeker] voldoende heeft onderbouwd dat de functie van [verweerder] in 2024 noodzakelijkerwijs is komen te vervallen. Anders dan [verweerder] heeft betoogd, brengt een redelijke uitleg van de wettekst en tekst in de Ontslagregeling niet met zich dat [verzoeker] moet onderbouwen dat er op dit moment (nog steeds) bedrijfseconomische redenen zijn die het verval van zijn functie noodzakelijk maken. Het feit dat [verzoeker] inmiddels weer in een betere financiële situatie verkeert, verandert namelijk niets aan de vraag of de functie van [verweerder] destijds noodzakelijkerwijs is komen te vervallen als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden. 3.3.3 Als een werkgever zich op dergelijke omstandigheden uit het verleden beroept, moet uiteraard wel sprake zijn van omstandigheden die maken dat het gerechtvaardigd is om die situatie uit het verleden op het heden te betrekken. Die rechtvaardiging volgt in dit geval uit de langdurige periode waarin [verweerder] door zijn ziekte was uitgevallen en die kort na zijn boventalligverklaring, maar voor het indienen van de eerste ontslagaanvraag begon. Het daardoor geldende opzegverbod dwong [verzoeker] om haar ontslagaanvraag in 2024 in te trekken, waardoor pas na het herstel van [verweerder] voor het eerst door het UWV kon worden beoordeeld of [verweerder] terecht boventallig was verklaard. Voor een onderbouwing van de noodzaak van het verval van de functie kan en kon [verzoeker] daarom niet anders dan naar het verleden verwijzen. De kantonrechter kijkt daarom naar de bedrijfseconomische omstandigheden ten tijde van de Simplify-reorganisatie om te beoordelen of de functie van [verweerder] noodzakelijkerwijs is komen te vervallen. 3.3.4 Net als het UWV oordeelt de kantonrechter dat uit het door [verzoeker] overgelegde advies van haar centrale ondernemingsraad van 21 november 2023 en de onderliggende documenten bij de adviesaanvraag voldoende blijkt dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen door de Simplify-reorganisatie en dat daartoe de noodzaak bestond vanwege de financiële situatie van [verzoeker] toentertijd. [verweerder] heeft het bestaan van die financiële noodzaak niet gemotiveerd betwist. Evenmin heeft hij betwist dat de werkzaamheden die bij zijn functie hoorden na de Simplify-reorganisatie bij verschillende andere functies zijn ondergebracht, zoals [verzoeker] tijdens de zitting heeft verklaard. Aangezien hij als enige die specifieke functie vervulde, duidt dat op het volledige verval van die functie. Het feit dat het UWV om andere redenen geen toestemming heeft gegeven voor de ontslagaanvraag, maakt dat niet anders. 3.3.5 [verzoeker] heeft daarentegen onvoldoende onderbouwd dat de functie ook over de aankomende 26 weken vervallen zal blijven. Anders dan zij heeft betoogd, volgt uit de conclusie dat de functie in 2024 is vervallen niet als vanzelfsprekend ook dat dat nog steeds het geval is. Uit hetgeen tijdens de zitting is besproken begrijpt de kantonrechter dat de werkzaamheden die bij de functie van [verweerder] horen, nog steeds worden uitgevoerd binnen de organisatie. Als er sinds de Simplify-reorganisatie andere wijzingen hebben plaatsgevonden in de organisatie, kan het dus zijn dat de functie in praktijk onder een andere naam is teruggekeerd of zal terugkeren. [verzoeker] ontkent weliswaar dat dat het geval is, maar [verweerder] heeft erop gewezen dat er sinds de Simplify-reorganisatie nog een andere reorganisatie heeft plaatsgevonden en er sinds zijn boventalligverklaring vijftien nieuwe medewerkers in verschillende functies op de financiële afdeling zijn aangenomen. Het had daarom op de weg van [verzoeker] gelegen om inzichtelijk te maken hoe de financiële afdeling er na die latere reorganisatie uitzag, of en welke functies sindsdien zijn gecreëerd waarvoor de vijftien nieuwe medewerkers zijn aangetrokken, en hoe de werkzaamheden die bij de functie van [verweerder] hoorden nu zijn ondergebracht binnen de organisatie. Doordat zij dat niet heeft gedaan, kan de kantonrechter niet beoordelen of de functie nu of binnen 26 weken vervallen is en zal blijven binnen [verzoeker] . Dat gebrek aan informatie kan [verzoeker] worden aangerekend en staat in de weg aan toewijzing van het verzoek. ii. [verzoeker] heeft het afspiegelingsbeginsel te beperkt toegepast 3.4 Daar komt bij dat [verzoeker] het afspiegelingsbeginsel te nauw heeft toegepast op een te beperkt aantal functies. Voor een correcte toepassing van het afspiegelingsbeginsel is het nodig dat de werkgever vaststelt welk bedrijfssegment door gedwongen ontslagen wordt geraakt, welke functies daarbinnen worden geschrapt, en welke functies met de geschrapte functies uitwisselbaar zijn. Om te bepalen welke functies uitwisselbaar zijn moet worden gekeken naar de vergelijkbaarheid daarvan als het gaat om de inhoud, de vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van de functie, als ook de gelijkwaardigheid van het niveau en de bij de functie behorende beloning. Het gaat daarbij om objectieve criteria, die moeten worden gekoppeld aan de functie en niet aan (het functioneren van) de specifieke werknemer. Als er uitwisselbare functies zijn, moeten de werknemers in de geschrapte en de uitwisselbare functies gezamenlijk worden afgespiegeld om vast te stellen welke van de werknemers worden geraakt door de gedwongen ontslagen. 3.4.1 [verzoeker] heeft uitgelegd dat zij bij de uitvoering van de Simplify-reorganisatie heeft bepaald dat de drie functies die onder Business Line Controller AP&S vielen – oftewel de Business Line Controller Organics, CCD’s / (Destra) en OHD – alleen onderling uitwisselbaar waren. Omdat juist die drie functies kort voor en tijdens de Simplify-reorganisatie werden geschrapt, hoefde er volgens haar daarom niet afgespiegeld te worden toen [verweerder] boventallig werd verklaard in december 2023. Evenmin hoeft dat volgens haar nu alsnog te gebeuren, omdat zij ook voor de afspiegeling uitgaat van 1 januari 2024 als peildatum. [verweerder] verzet zich daartegen. Volgens hem moet [verzoeker] afspiegelen tegen haar huidige personeelsbestand en heeft [verzoeker] daar bij de UWV-procedure en in deze procedure onvoldoende inzicht in gegeven. Hij betwist daarom bij gebrek aan wetenschap dat er geen andere uitwisselbare functies zijn. In de UWV-procedure heeft hij daarnaast gewezen op vier bestaande functies binnen de financiële afdeling die volgens hem uitwisselbaar zijn en waarin werknemers werken die op basis van anciënniteit eerder zouden moeten vertrekken dan hij. 3.4.2 In tegenstelling tot wat [verweerder] vindt, mocht [verzoeker] wel uitgaan van 1 januari 2024 als peildatum en hoeft zij niet nu alsnog af te spiegelen op basis van haar huidige personeels- en functiebestand. De Ontslagregeling biedt werkgevers de mogelijkheid om bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel uit te gaan van een eerder, objectief vast te stellen moment dan het moment waarop het ontslagverzoek wordt ingediend. Het volgt uit het systeem van de wet dat die bepaling ook bij het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van toepassing is. Er moet wel een redelijke grond zijn om van zo een ander moment uit te gaan en het moment mag niet gelegen zijn voor het moment waarop de werknemer te kennen is gegeven dat zijn arbeidsplaats zou vervallen. De aangehouden peildatum voldoet aan die criteria, waarbij de redelijke grond ook hier volgt uit de onmogelijkheid voor [verzoeker] om eerder een inhoudelijk oordeel van het UWV te krijgen over de boventalligverklaring vanwege de langdurige ziekte van [verweerder] . De door [verweerder] aangehaalde functies en werknemers staan daarom niet zonder meer in de weg aan zijn boventalligverklaring met als peildatum 1 januari 2024. 3.4.3 De kantonrechter stelt echter vast dat [verzoeker] op 1 januari 2024 naast de Bussiness Line Controllers Organics, CCD’s / (Destra) en OHD nog vier andere Business Line Controller functies had, die ook na de Simplify-reorganisatie bleven bestaan (zie onderstaand in blauw). Tijdens de zitting heeft [verweerder] uitgelegd dat die functies volgens hem in ieder geval uitwisselbaar waren met zijn functie, omdat het inhoudelijk ging om vrijwel identieke functies als leidinggevende businesscontroller. Het enige onderscheid lag volgens hem in de business line waarop de financiële controle werd uitgevoerd. Waar hij toezag op de financiële staat van de business line voor verwerking van organisch afval, zagen de andere Business Line Controllers toe op andersoortige afvalverwerking. Dat werk vereiste volgens hem enige inhoudelijke kennis van de onderliggende processen, maar geen specifieke vakinhoudelijke kennis op financieel gebied. Daardoor kon volgens hem onder andere de Business Line Controller OHD (vrijwel) zonder omscholing aan de slag als Business Line Controller PM&I en heeft hij die overstap ook gemaakt. Bovendien zaten die functies vrijwel allemaal in dezelfde functieschaal, intern bekend als RG15, of zelfs een stap daaronder. Figuur 2: organogram van de financiële afdeling na Simplify-reorganisatie 3.4.4 [verzoeker] heeft dat alles niet weersproken, maar alleen betoogd dat zij zich bij het bepalen van de uitwisselbaarheid van functies mocht beperken tot de Business Line Controller functies die onder de Business Line Controller AP&S vielen. Zij heeft niet uitgelegd waarom zij vindt dat zij zich mocht beperken tot een zo nauw afgebakend bedrijfssegment. Gelet op de grote overeenkomsten tussen de functie van [verweerder] en de genoemde functies en het feit dat zij allemaal binnen dezelfde, landelijk opererende financiële afdeling vielen, ziet de kantonrechter daar geen rechtvaardiging voor. Naar het oordeel van de kantonrechter waren die functies uitwisselbaar met de functie van [verweerder] en had [verzoeker] dus wel moeten afspiegelen. Of dat er ook toe had geleid dat iemand anders dan [verweerder] had moeten vertrekken door de Simplify-reorganisatie, kan de kantonrechter niet vaststellen. Daarvoor heeft [verzoeker] te weinig informatie verschaft over de relevante medewerkers. Ook dat gebrek aan informatie kan [verzoeker] worden aangerekend en staat in de weg aan toewijzing van het verzoek. iii. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat er geen passende functies waren 3.5 Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen passende functies voor [verweerder] waren. Partijen zijn het erover eens dat ten tijde van de Simplify-reorganisatie en daarna een sociaal plan van kracht en op [verweerder] van toepassing was. Daarin is vastgelegd dat een boventallig verklaarde werknemer direct in een interne vacature moet worden geplaatst als het gaat om een passende functie. Het sociaal plan geeft een aantal criteria om vast te stellen wat een passende functie is. De voor deze zaak relevante criteria zijn dat het moet gaan om een functie: “waarvoor de Werknemer geschikt is op basis van de functie-eisen, opleiding, ervaring (in de taken die behoren bij de functie), kennis en competenties, dan wel waarvoor de Werknemer binnen drie maanden daarvoor geschikt te maken is en inzetbaar zal zijn naar het onderdeel van der Werkgever;” en “die een maximale afwijking van één functieniveau kent ten opzichte van het functieniveau van de laatst vervulde functie bij plaatsing binnen dezelfde cao, dan wel een maximum verschil van 7,5% ten opzichte van het voor de Werknemer geldende maandsalaris bij plaatsing in een andere CAO of als de functie niet is ingedeeld in een CAO- schaal;” . 3.5.1 [verweerder] heeft na zijn boventalligverklaring tot zeven keer toe zijn interesse kenbaar gemaakt voor verschillende vacatures binnen [verzoeker] , waarbij het initiatief telkens van zijn kant kwam. Zoals blijkt uit de uitspraak van de interne bezwarencommissie van 8 december 2025, heeft [verzoeker] het daarbij in sommige gevallen laten aankomen op een bezwaarprocedure voordat zij op die berichten reageerde. In alle gevallen heeft [verzoeker] aangegeven dat er volgens haar geen sprake was van een passende functie in de zin van het sociaal plan, omdat het salaris daarvan te veel zou verschillen of omdat [verweerder] daarvoor niet geschikt zou zijn. [verzoeker] heeft tijdens de zitting betoogd dat dat met name komt omdat de functie van [verweerder] niet is ingedeeld in een cao-schaal. Daardoor moest altijd worden gekeken naar het salarisverschil tussen de nieuwe en oude functie, en werd het aantal functies dat aan de vereisten voldeed heel klein. 3.5.2 De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] onvoldoende informatie heeft aangeleverd om vast te kunnen stellen of haar stellingen over al die zeven functies kloppen. Daarnaast ziet de kantonrechter van een van die functies in ieder geval niet in waarom die functie geen passende functie was, namelijk de functie van Group FP&A Manager/Controller. [verweerder] heeft gesteld dat die functie in dezelfde salarisschaal is ingeschaald als zijn oude functie, hij ervaring heeft in precies dezelfde leidinggevende rol en functie bij zijn vorige werkgever, en hij ook aan alle overige vereisten in de functieomschrijving voldeed. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] dat in algemene zin weersproken, maar niet duidelijk kunnen maken aan welke eisen uit de functieomschrijving hij niet voldeed, anders dan dat [verweerder] naar haar mening een bepaalde senioriteit miste. Die eis komt niet terug in de betreffende functieomschrijving. Dat [verweerder] deze senioriteit zou missen volgt volgens [verzoeker] uit de beoordeling van zijn sterke en zwakke kanten door zijn toenmalige manager. Dit is echter verder niet onderbouwd met bijvoorbeeld functionerings- /beoordelingsgesprekken uit die tijd, nog daargelaten of het sociaal plan wel ruimte biedt voor zo een volledig subjectieve, individuele geschiktheidsbeoordeling. Evenmin heeft [verzoeker] verder uitgelegd waarom [verweerder] met de juiste begeleiding niet binnen drie maanden geschikt gemaakt kon worden voor de functie, terwijl de functie volgens het sociaal plan ook in dat geval een passende functie was. Op basis van de beschikbare informatie ziet de kantonrechter daarom niet in waarom [verweerder] volgens [verzoeker] niet in de Group FP&A Manager/Controller functie hoefde te worden geplaatst. iv. [verzoeker] heeft zich onvoldoende ingespannen om [verweerder] te herplaatsen 3.6 Ten slotte oordeelt de kantonrechter dat [verzoeker] zich ook in meer algemene zin onvoldoende heeft ingespannen om [verweerder] te herplaatsen. [verweerder] zegt dat er na zijn boventalligverklaring nooit herplaatsingsgesprekken hebben plaatsgevonden, ook niet toen hij weer volledig was hersteld. [verzoeker] heeft dat in de UWV-procedure en in deze procedure weersproken, maar daar geen onderbouwing van overgelegd. Dat mocht wel van haar worden verwacht. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat die gesprekken niet hebben plaatsgevonden. Dat is kwalijk, temeer nu [verweerder] terecht wijst op een uitgebreid CV, waaruit blijkt dat hij in het verleden een breed scala aan financiële functies heeft verricht. [verzoeker] is wettelijk verplicht om te kijken naar de mogelijkheden voor herplaatsing en daarvoor de benodigde informatie te verzamelen. Zij kon zich daarbij niet blindstaren op het gebrek dat er volgens haar was aan passende functies in de zin van het sociaal plan. Het had op haar weg gelegen om [verweerder] ook vacatures voor te leggen van functies die binnen zijn kennisveld lagen of anderszins aansloten bij zijn ervaring, kennis en competenties, maar bijvoorbeeld net hoger of lager waren ingeschaald. Daartoe was zij op grond van het sociaal plan ook verplicht. Nergens blijkt uit dat zij dat heeft gedaan. Het betoog van [verzoeker] dat dat komt omdat [verweerder] alleen interesse had in functies in de RG15-schaal, gaat niet op. Waarom [verzoeker] daarvan uit mocht gaan zonder herplaatsingsgesprekken te voeren met [verweerder] heeft zij namelijk niet uitgelegd en bovendien heeft [verzoeker] tijdens de zitting erkend dat [verweerder] ook op een functie in de RG13-schaal heeft gesolliciteerd na zijn boventalligverklaring. Conclusie: het ontbindingsverzoek van [verzoeker] wordt afgewezen 3.7 Uit de onderlinge samenhang van de hiervoor besproken redenen volgt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Het ontbindingsverzoek van [verzoeker] wordt daarom afgewezen. [verzoeker] moet de proceskosten van [verweerder] betalen 3.8 De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. in het tegenverzoek 3.9 [verweerder] heeft een tegenverzoek ingediend tot toekenning van een billijke vergoeding voor het geval dat het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. Aangezien het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen, is die voorwaarde niet vervuld. Het voorwaardelijke tegenverzoek wordt daarom niet beoordeeld. 4 De beslissing De kantonrechter: in het verzoek 4.1 wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af, 4.2 veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 4.3 verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad . in het voorwaardelijk tegenverzoek 4.4 verstaat dat het verzoek niet hoeft te worden beoordeeld. Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken door mr. Y.M. Vanwersch op 27 juli 2026. Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 7:669 lid 3 onder a BW. Artikel 8 Ontslagregeling (hierna: Or). Artikel 11 en verder Or. Artikel 7:669 lid 1 BW.