Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-18
ECLI:NL:RBMNE:2026:517
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2120 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Sabir), en De Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. M.R. Vennegoor en mr. W. Peper). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser aan de minister om inzage te krijgen in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt door de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL). De minister stelt inzage te hebben gegeven in alle persoonsgegevens van eiser. Daarnaast stelt de minister dat de kwalificatie welk strafbaar feit eiser zou hebben gepleegd, geen persoonsgegeven is en eiser daar daarom geen inzage in krijgt. Eiser is het daar niet mee eens en stelt ten eerste dat er meer stukken moeten zijn waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt maar waarin hij nu geen inzage heeft gekregen. Eiser stelt ook dat de kwalificatie van het strafbare feit wel een persoonsgegeven is waar hij inzage in moet krijgen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de minister volledige inzage heeft gegeven in eisers persoonsgegevens die door de Pi-NL zijn verwerkt. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onterecht heeft gesteld dat hij inzage heeft gegeven in alle persoonsgegevens van eiser die door Pi-NL zijn verwerkt. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft de minister verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die door Pi- NL zijn verwerkt. 2.1. De minister heeft op 26 november 2024 op dat verzoek beslist en via een overzicht inzage gegeven in door Pi-NL verwerkte persoonsgegevens van eiser (het bestreden besluit). 2.2. Eiser heeft rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Eiser was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Juridisch kader 3. Pi-NL verzamelt passagiersgegevens die zij van luchtvaartmaatschappijen ontvangt. Dat doet zij op grond van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (de Wet) in verband met het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische en ernstige misdrijven. Ernstige misdrijven zijn de strafbare feiten die zijn vermeld in bijlage 2 bij de Wet. Pi-NL heeft tot taak om passagiersgegevens te verzamelen, op te slaan en anderszins te verwerken, en die gegevens of het resultaat van de verwerking ervan door te geven aan de bevoegde instanties en waar nodig uit te wisselen met de Passagiersinformatie-eenheden van andere lidstaten en met Europol. Passagiersgegevens zijn de gegevens die zijn vermeld in bijlage 1 bij de Wet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de geplande reisdatum, reisroute en NAW-gegevens van de passagier. Pi-NL werkt onder verantwoordelijkheid van de minister en de minister is aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke. Op de persoonsgegevens die Pi-NL verwerkt, is het inzagerecht van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg) van toepassing. Voor de definitie van een persoonsgegeven verwijst de Wet naar de definitie daarvan in de Wpg. Heeft eiser volledige inzage gekregen of is er geweigerd inzage te geven? 4. Eiser voert aan dat hij geen volledige inzage in zijn persoonsgegevens heeft gekregen. Hij heeft vragen gesteld, maar in het besluit zijn niet alle vragen beantwoord. Ook heeft hij geen kopie of inzage gekregen in de verwerkte persoonsgegevens. Als de minister heeft bedoeld om inzage in bepaalde gegevens te weigeren op grond van artikel 27 van de Wpg, dan had dit moeten worden gemotiveerd. Ook had de minister een belangenafweging moeten maken en moeten inzien dat het besluit onevenred Er is namelijk een verschil in resultaat tussen de zoekslag die de minister naar aanleiding van het inzageverzoek heeft gedaan en zoals in de TRIP-overzichten staat. Dat laat zien dat er twijfel is bij de volledigheid van de zoekslag en er mogelijk meer stukken zijn waarin eisers persoonsgegevens zijn verwerkt. 4.6. In de tweede plaats verwerkt Pi-NL de kwalificatie van een strafbaar feit dat aan eiser is gekoppeld. Anders dan de minister stelt, oordeelt de rechtbank dat dit wel een persoonsgegeven is. Van belang daarbij is dat artikel 17 van de Wet, waarin het inzagerecht in persoonsgegevens is geregeld, verwijst naar de Wpg. Daarin wordt een persoonsgegeven gedefinieerd als alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. De uitleg van dit begrip is identiek aan de uitleg die daaraan wordt gegeven in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het Hof van Justitie heeft voor het begrip persoonsgegeven in de AVG bepaald dat dit begrip ruim moet worden uitgelegd. Het begrip persoonsgegeven strekt zich potentieel uit tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie die de betrokkene betreft. Van dat laatste is sprake als de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon. 4.7. Gelet op het belang van een zo veel mogelijk uniforme uitleg van het Unierechtelijke begrip persoonsgegeven, overweegt de rechtbank dat de ruime uitleg die het Hof van Justitie geeft aan dit begrip in de AVG van overeenkomstige toepassing is op het begrip persoonsgegeven in de zin van de Wpg en de Wet. 4.8. Het gaat in deze zaak om een kwalificatie van een strafbaar feit die aan eiser is gekoppeld, zoals genoemd in bijlage 2 bij de Wet. Dit betreft informatie die vanwege haar inhoud en doel, namelijk het verwerken van gegevens ter voorkoming van terroristische of ernstige misdrijven, aan eiser is gekoppeld en niet los van eiser kan worden gezien. Daarmee is deze kwalificatie een persoonsgegeven. In beginsel heeft eiser recht op inzage hierin. Zonder die informatie kan eiser zijn rechten uit de Wet en de Wpg namelijk niet deugdelijk uitoefenen. Eiser moet in beginsel kunnen nagaan of deze gegevens kloppen. 4.9. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het overzicht in het bestreden besluit onvolledig is en de mededeling van de minister, dat er niet meer documenten zijn waarin eisers persoonsgegevens zijn verwerkt, ongeloofwaardig voorkomt. 4.10. Deze beroepsgrond slaagt. Zijn eisers grondrechten geschonden? 5. Eiser voert aan dat een aantal Europese grondrechten worden geschonden. Zo stelt hij dat zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt en dat zonder volledige inzage zijn rechten op (toegang tot) een daadwerkelijk rechtsmiddel en een eerlijk proces worden beperkt . Eiser vindt ook dat met de verwerking van zijn persoonsgegevens een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer, omdat dit grote gevolgen heeft. Daarnaast vindt eiser dat hij in zijn eer en goede naam wordt aangetast door de signalering en het feit dat hij wordt gekoppeld aan terrorisme. Zolang eiser niet kan achterhalen waarom zijn gegevens worden verwerkt, kan hij geen maatregelen treffen om een toekomstige ongerechtvaardigde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer te voorkomen. 5.1. De minister stelt kort gezegd dat er geen sprake is van een inbreuk van deze Europese grondrechten. De beperking van de bewegingsvrijheid valt namelijk buiten de reikwijdte van dit geding en voor het overige geldt dat de minister meent volledig aan het inzageverzoek te hebben voldaan. Daarmee is er dus ook geen sprake van schending van de Europese grondrechten. 5.2. De rechtbank oordeelt allereerst dat de beperking van de bewegingsvrijheid van eiser buiten deze zaak valt. Eiser verzoekt in deze zaak namelijk om inzage in zijn persoonsgegevens die door Pi-NL zijn verwerkt. Pi-NL legt eiser geen beperkingen op in zijn bewegingsvrijheid, dus van een inbreuk op dit grondrecht is gee