Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-17
ECLI:NL:RBMNE:2026:498
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3165 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college (gemachtigde: mr. N. Doran). Inleiding 1. Deze zaak gaat over de brede ondersteuning die door het college aan eiseres wordt geboden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college geen maatwerk heeft geleverd omdat zij bij de beoordeling van de aanvraag onvoldoende is ingegaan op de individuele omstandigheden van eiseres. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond van de besluiten 2. Tussen 2004 en 2019 is bij veel ouders onterecht de kinderopvangtoeslag stopgezet en de ontvangen toeslag van hen teruggevorderd. Door het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de Dienst Toeslagen) kwamen deze ouders (langdurig) in een nare situatie terecht, met grote financiële problemen en veel onzekerheid. Zij hebben hierdoor financiële schade geleden en zijn in hun rechtsgevoel geschaad omdat zij onterecht als fraudeur zijn bestempeld. Met de hersteloperatie probeert de overheid de gedupeerden recht te doen en hen te helpen om een nieuwe start te maken. Een onderdeel van die operatie is de brede ondersteuning door gemeenten. Deze ondersteuning is bedoeld voor het maken van een nieuwe start voor gedupeerden, na de problemen als gevolg van de toeslagenaffaire. Als uitgangspunt geldt dat gemeenten op grond van een plan van aanpak ondersteuning bieden op de vijf leefgebieden, waardoor een gedupeerde en diens gezin zo snel mogelijk en zo goed als mogelijk hun leven weer op de rit kunnen krijgen. Dit volgt uit de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wht ( Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3). Onderdeel van de Wht is de Kindregeling, op grond waarvan kinderen van gedupeerde ouders een financiële tegemoetkoming krijgen, en gebruik kunnen maken van hulp en brede ondersteuning. 3. Eiseres is erkend kind van een ouder, die als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire is aangemerkt. In het kader van de Kindregeling heeft zij op 30 september 2024 een aanvraag ingediend voor financiële ondersteuning voor een sportabonnement, de aanschaf van een laptop, schoolboeken en het betalen van collegegeld. 4. Het college heeft met het besluit van 31 oktober 2024 (primaire besluit) beslist: - voor het sportabonnement een bedrag van € 450,- bij te dragen; - voor de laptop een bedrag van € 1.049,- bij te dragen; - geen financiële bijdrage te leveren voor collegegeld. 5. Het bezwaar hiertegen heeft het college met het besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Voor de motivering heeft het college verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie (de commissie) van 17 april 2025. 6. Eiseres heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen, evenals eiseres met haar zus [A] en moeder [B] . Bestreden besluit en advies commissie (in essentie) 7. Het college stelt dat de aanvraag voor een financiële bijdrage voor collegegeld terecht is afgewezen. Voor het leefgebied ‘werk’ is het doel om duurzaam te participeren in het arbeidsproces en minimaal te beschikken over een startkwalificatie. Eiseres voldoet hier aan, omdat zij een havodiploma heeft. Zij studeert momenteel hbo bouwkunde. Daarnaast kan eiseres een deel van het collegegeld voldoen door middel van een basisbeurs van DUO. Dit is in eerste instantie een lening, maar wordt omgezet in een gift als eiseres binnen tien jaar een diploma behaalt. Afhankelijk van de financiële situatie van haar ouders kan eiseres eventueel ook gebruikmaken van een aanvullende beurs. Beroepsgronden (in essent Daar komt bij dat het hebben van een startkwalificatie in de handreiking als minimale voorwaarde wordt genoemd voor het bevorderen van een nieuwe start. Het betreft hier dus geen op zichzelf staande uitsluitingsgrond die los van de specifieke zaak en context kan worden toegepast. In de handreiking wordt ook het duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces genoemd, en het belang van maatwerk. Er zal dus in iedere individuele zaak gewogen moeten worden of een bepaalde (materiële) voorziening noodzakelijk is. Het college kon daarom in deze zaak niet volstaan met de enkele vaststelling dat eiseres een havodiploma heeft en al daarom niet in aanmerking komt voor de gevraagde ondersteuning. Zonder een nadere, op de omstandigheden van eiseres toegespitste motivering is niet duidelijk waarom het college meent dat een havodiploma voor eiseres voldoende kansen op de arbeidsmarkt biedt. De beroepsgrond slaagt. De mogelijkheid van het afsluiten van een lening bij DUO 15. Het college heeft ook aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Zij kan aanspraak maken op een basisbeurs en – afhankelijk van de financiële situatie van haar ouders – eventueel ook een aanvullende beurs. De basisbeurs wordt omgezet in een gift als binnen tien jaar na aanvang van de studie een diploma wordt behaald. Partijen zijn het erover eens dat een beurs van DUO niet volledig kostendekkend is. Eiseres heeft aangevoerd dat het voor haar, vanwege de trauma’s die zij en haar ouders hebben ondervonden door de toeslagenaffaire, zeer belastend is om een schuld aan te gaan. Het hebben van een (studie)schuld gaat voor eiseres gepaard met grote onzekerheid en stress. Eiseres vindt het onredelijk dat het college deze mogelijkheid aan haar tegenwerpt. 16. De rechtbank overweegt dat het in het algemeen niet ongebruikelijk is dat een student in deze tijd schulden maakt bij de overheid om te kunnen studeren. Het college kon in deze zaak echter niet in zijn algemeenheid naar een studiebeurs van DUO verwijzen. Dat is immers geen maatwerk. Het had op de weg van het college gelegen om te onderzoeken of het van eiseres gevraagd kan worden een lening af te sluiten bij DUO, zeker nu eiseres in bezwaar uiteen heeft gezet wat daarvan de impact is. Het college kon hier niet zonder een individueel op eiseres toegespitste motivering aan voorbij gaan. Ook deze beroepsgrond slaagt. Het gelijkheidsbeginsel 17. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van ongelijke behandeling van rechtens vergelijkbare gevallen. Eiseres noemt dat in (bepaalde) gemeenten, als ouders een bijstandsuitkering of Wsw-status hebben, wel sprake kan zijn van (volledige) vergoeding van studiekosten. Hierbij zou niet als voorwaarde worden gesteld dat betrokkene geen startkwalificatie mag hebben. Hiervoor geldt dat geen sprake is van een met de situatie van eiseres vergelijkbaar geval. Het gaat in deze zaak namelijk niet om een vergoeding die op grond van de Participatiewet of Wsw is aangevraagd, waar overigens op zichzelf staande specifieke voorwaarden voor gelden. Het argument van eiseres dat in andere gemeenten wel sprake zou zijn van een volledige vergoeding van studiekosten op basis van de Kindregeling, maakt ook niet dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat het er om dat hetzelfde bestuursorgaan vergelijkbare gevallen gelijk moet behandelen. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen door het college is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 18. De rechtbank ziet geen aanleiding in te gaan op alle overige verwijzingen door eiseres naar bepalingen van nationaal en internationaal recht, waarmee het bestreden besluit in strijd zou zijn. Wat is overwogen onder 14 en 16 maakt immers al dat het beroep gegrond is. 19. Er kleeft een motiveringsgebrek en zorgvuldigheidsgebrek aan het bestrede