Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:4958
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/1443 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.T. Bosman), en de burgemeester van de gemeente Utrecht (gemachtigden: : Mevr. N. Notenboom, mevr. T. Puertas en dhr. M. Vink). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het door de burgemeester ongeldig verklaarde rijbewijs van verzoeker. Na een controle is gebleken dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als bedoeld in de Wegenverkeerswet, wat maakt dat het rijbewijs nooit afgegeven had mogen worden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 9 januari 2026 heeft de burgemeester het rijbewijs van verzoeker per 16 januari 2026 ongeldig verklaard . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van verweerder en mr. A. Khalaf als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het besluit 3. Op 19 februari 2024 heeft verzoeker een rijbewijs met categorieën AM en B aangevraagd, welke is verleend door de burgemeester. Op 10 maart 2025 heeft verzoeker om vervanging van dit rijbewijs gevraagd wegens verlies of diefstal. Ook dit rijbewijs is aan verzoeker afgegeven. Op een later moment is uit een controle gebleken dat verzoeker op het moment van de aanvraag van, zowel het eerste rijbewijs als het vervangende rijbewijs, geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met d en i van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit schrijft artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) wel voor. Daarom is het rijbewijs ongeldig verklaard op grond artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 4. Verzoeker voert aan dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder g, van de Vw. Hij is van mening dat de eisen in de Wvw over vormen van rechtmatig verblijf in strijd zijn met richtlijn 2006/126/EG (de Rijbewijsrichtlijn). Volgens Artikel 7, eerste lid, onder e, van de Rijbewijsrichtlijn moet de aanvrager van een rijbewijs zijn ‘gewone verblijfplaats’ op het grondgebied van een lidstaat hebben. De verblijfsstatus van een aanvrager wordt in de Rijbewijsrichtlijn dus niet genoemd. Onder de gewone verblijfplaats wordt volgens artikel 12 van de Rijbewijsrichtlijn verstaan: ’de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen, ten minste 185 dagen per kalenderjaar’. Daar voldoet verzoeker aan. Verzoeker meent dat de bepalingen in de Wvw artikel 12 van de Rijbewijsrichtlijn uitholt. 5. Tijdens de zitting heeft verzoeker ook een beroep gedaan op de Opvangrichtlijn en het gelijkheidsbeginsel. Door het afpakken van zijn rijbewijs stelt verzoeker geen effectieve toegang (meer) te hebben tot de arbeidsmarkt. Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Afdeling over artikel 15, tweede lid, van de Opvangrichtlijn. Deze richtlijn heeft beoogd de zelfstandigheid van asielzoekers te bevorderen. Een onderdeel van deze brede doelstelling is het vergemakkelijken van de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers en het waarborgen dat zij eerlijke kansen krijgen om in de l