Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-27
ECLI:NL:RBMNE:2026:4873
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/2838 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen Secretary Plus Management Support B.V., gevestigd te Almere, eiseres (gemachtigde: mr. M. Bockting), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder. Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster mevrouw [naam] heeft genomen. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. De EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Een EZWb-besluit moet uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werkneemster worden genomen. De werkneemster van eiseres is op 3 maart 2025 ziek uitgevallen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 6 maart 2026 een EZWb-besluit had moeten nemen. Verweerder heeft op 5 maart 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. 4. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 24 april 2026 aan dat de ingebrekestelling van eiseres niet in behandeling is genomen door hem. Hij stelt hierbij dat een EZWb een ambtshalve beslissing is en geen beslissing op een aanvraag. Verweerder stelt dat uitsluitend beslissingen op aanvraag eventueel in aanmerking komen voor een vergoeding van dwangsom. Verder verzoekt verweerder de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. 5. Op 14 april 2026 heeft eiseres beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een besluit van verweerder. Omdat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, en dat nog altijd niet heeft gedaan, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Dat er geen aanvraag ten grondslag ligt aan de ingebrekestelling doet hier niets aan af. De ingebrekestelling is terecht ingediend en verweerder dient nog steeds binnen de wettelijke termijn een EZWb-besluit te nemen. 6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 7. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. 9. In het beroepschrift vraagt eiseres om vergoeding van de geleden schade en de nog te lijden schade. Eiseres heeft niet vermeld welke schade zij vergoed wil hebben en heeft de schade ook niet nader onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek om de geleden schade te vergoeden