Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:4871
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/242974-25 Tegenspraak (art. 279 Sv) Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2026. Het onderzoek is (enkelvoudig) gesloten op 21 juli 2026. Op de zitting waren aanwezig: de officier van justitie: mr. R.E. Craenen; de advocaat van de verdachte: mr. M.J. Lamers (hierna: de advocaat); de advocaat van de benadeelde partij [aangever] : mr. S. Vermeulen die waarneemt voor mr. L. van Gaalen-Van Beuzekom. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1: op 29 mei 2025 in Utrecht medeplichtig is geweest aan het afpersen van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar van [aangever] ; feit 2: op 29 mei 2025 in Utrecht medeplichtig is geweest aan de poging tot afpersing van cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- van [aangever] ; De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan feit 1 en feit 2. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte volledig vrij te spreken van allebei de feiten. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Inleiding De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan. Op 29 mei 2025 ging [aangever] (hierna: aangever) bowlen in Utrecht samen met [A] (hierna: [A] ) en de verdachte. Toen zij rond 23:23 uur klaar waren en naar hun auto liepen, werd aangever plots door drie personen benaderd: medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Op camerabeelden is te zien dat aangever wordt aangesproken door [medeverdachte 1] , waarna hij met aangever wegloopt in de richting van een afgelegen steeg op het bedrijventerrein naast de bowling. Niet veel later voegt ook [medeverdachte 2] zich bij hen. Met zijn drieën lopen zij steeds verder de steeg in. Ondertussen blijft [medeverdachte 3] staan bij [A] en de verdachte, die nog bij de auto op de parkeerplaats staan. Na ongeveer 25 minuten loopt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] [A] en de verdachte komen ophalen en naar aangever en [medeverdachte 1] lopen. Rond 23:56 uur vertrekken [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk en een paar minuten later vertrekken ook aangever, [A] en de verdachte. Diezelfde nacht belt aangever de politie en start onderzoek 31STRIKE25. Vaststaat dat de medeverdachten deze avond contact hebben gehad met aangever en dat aangever ten tijde van dat contact cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft overgemaakt. Volgens aangever was dit onder dwang en bedreiging gebeurd zoals in de beschuldiging nader is omschreven (bijlage I), en is daarna door bedreiging met geweld geprobeerd om hem nog veel meer cryptovaluta over te laten maken. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij medeplichtig is aan de (poging tot) afpersing door [medeverdachte 1] informatie te geven over namen en adressen van aangever, zijn vriendin en (schoon)familie en door op 29 mei 2025 met Daarnaast wordt in de telefoon van [medeverdachte 1] na de afpersing een foto aangetroffen van een briefje met daarop persoonlijke informatie over aangever, diens vriendin en (schoon)familie. Dit is precies de informatie die volgens aangever gebruikt is om hem die avond af te persen en onder druk te zetten. Door de recherche is vastgesteld dat dit handschrift gelijkenis vertoont met het handschrift dat is aangetroffen op enkele brieven/notities die in de slaapkamer van de verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen of gefotografeerd (hierna het referentiemateriaal). Gelet op de geschreven informatie op de brieven, zoals wachtwoorden en seed phrases, kan dit referentiemateriaal aan de verdachte gekoppeld worden. Vervolgens heeft een forensisch handschriftonderzoek plaatsgevonden door Eurofins TMFI, waarbij het handschrift op de foto van het briefje op de telefoon van [medeverdachte 1] is vergeleken met het handschrift op de notities/brieven die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte. Kort gezegd luidt de conclusie van de handschriftdeskundige dat de kans dat alle stukken zijn geschreven door een en dezelfde persoon waarschijnlijker is dan dat deze zijn geschreven door verschillende personen. Gelet op deze conclusie van het handschriftonderzoek, stelt de rechtbank vast dat alle brieven, dus zowel de geschreven notities die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte als het briefje waarvan een foto is aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 1] , door dezelfde persoon, en dus door de verdachte, zijn geschreven. Door de advocaat is aangevoerd dat het handschriftonderzoek niet toereikend is om als bewijs gebruikt te kunnen worden. Anders dan de advocaat heeft de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van (de conclusies van) de deskundige. Uit het rapport volgt dat het onderzoek is uitgevoerd volgens vastgestelde internationale standaarden. De handschriftdeskundige heeft in het rapport van het handschriftonderzoek zorgvuldig uiteengezet hoe op basis van het in dat onderzoek beschikbare materiaal tot een conclusie is gekomen, waarbij ook rekening is gehouden met eventuele beperkingen. Ook bij de rechter-commissaris bevestigt de handschriftdeskundige haar conclusie uit het rapport en heeft zij uitvoerig uitgelegd hoe en waarom op basis van het in dat onderzoek beschikbare materiaal conclusies konden worden getrokken. Is de verdachte medeplichtig aan de (poging tot) afpersing? Van medeplichtigheid aan de (poging) tot afpersing is sprake als hij daartoe opzettelijk behulpzaam is geweest, of daartoe bewust gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft. Daarbij moet het opzet zowel gericht zijn op het eigen handelen, als op het misdrijf dat wordt gepleegd (dubbel opzet). De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de verdachte als medeplichtige betrokken is geweest bij de afpersing en poging tot afpersing. Daarbij baseert de rechtbank zich op het eerdergenoemde chatgesprek met [gebruikersnaam] , waarin [medeverdachte 1] het heeft over vragen die de verdachte aan aangever moet stellen en de verdachte informatie over het trainingsschema van aangever doorspeelt. Hieruit blijkt dat de verdachte dus op 13 mei 2025 al bezig was met het verzamelen van informatie over (het doen en laten van) aangever en het doorspelen daarvan aan [medeverdachte 1] . Daarnaast wordt in de telefoon van [medeverdachte 1] uiteindelijk de foto van een briefje aangetroffen met daarop persoonlijke informatie over aangever en zijn naasten. De rechtbank gaat er, gelet op het forensisch handschriftonderzoek in combinatie met de overige feiten en omstandigheden, vanuit dat de verdachte dit briefje heeft geschreven. Uit de aangifte volgt dat de informatie op dit briefje ook daadwerkelijk is gebruikt door [medeverdachte 1] bij de (poging tot) afpersing van aangever op 29 mei 2025. In het licht van het gesprek van 13 mei 2025, waar de verdachte informatie over aangever aan het delen Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: Feit 1: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 29 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, in elk geval enig goed, dat geheel aan die [aangever] toebehoorde, door - die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en een bedrijventerrein, - tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, en - aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en adresgegevens van die [aangever] en diens vriendin, en diens ouders en diens schoonouders en de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico; - tegen die [aangever] te zeggen dat dat hij geld moest overmaken en de app Metamask en/of Telegram moest openen en (vervolgens) cryptovaluta moest overboeken, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 13 mei 2025 tot en met 29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door - die [medeverdachte 1] informatie te geven over namen en adressen van de vriendin en de (schoon)familie van die [aangever] , en - met die [aangever] af te spreken op 29 mei 2025 in Utrecht en die [medeverdachte 1] en een of meer (onbekend gebleven) personen over de locatie en/of het tijdstip van die afspraak en/of het tijdstip van terugkeer naar de auto(‘s) te informeren 2 [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , op 29 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat aan die [aangever] toebehoorde, - tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en - tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 13 mei 2025 tot en met29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, en inlichtingen heeft verschaft door - die [medeverdachte 1] informatie te geven over namen en adressen van de vriendin en de (schoon)familie van die [aangever] , en - met die [aangever] af te spreken op 29 mei 2025 in Utrecht en die [medeverdachte 1] en een of meer (onbekend gebleven) personen over de locatie en/of het tijdstip van die afspraak en/of het tijdstip van terugkeer naar de auto(‘s) te informeren. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: feit 1: medeplichtig aan afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; feit 2: medeplichtig aan poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen. 4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf en maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden. De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte een contactverbod met de aangever wordt opgelegd als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar, te v Het sociale netwerk is mogelijk delictgerelateerd. Door het niet kunnen inschatten van de risico's en het ontbreken van problemen binnen de leefgebieden, ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor reclasseringsbemoeienis en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Strafkader Bij de aard en ernst van deze feiten en het strafblad van de verdachte past een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Dat de (poging tot) afpersing samen met anderen is gepleegd en de hoogte van de daarmee gemoeide bedragen weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. In strafverlagende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet de pleger is van de (poging tot) afpersing, maar medeplichtig hieraan is geweest. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden op. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij meer rekening houdt met de persoon van de verdachte, waaronder het gegeven dat hij een blanco strafblad heeft. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma. Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr) De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v Sr. De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte: - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] . De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 5 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding 14 dagen hechtenis tegenover staan met een maximum van zes maanden. Gelet op de aard van de feiten en de ontkennende houding van de verdachte en het gegeven dat de verdachte schijnbaar uit het niets, zonder justitiële voorgeschiedenis, betrokken is als medeplichtige bij een (poging tot) afpersing, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen tegenover [aangever] . De rechtbank zal daarom de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren. 6 In beslag genomen voorwerpen In het dossier zit een beslaglijst van 25 maart 2026. Daarop staat een telefoon en twee USB-sticks. 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om alles terug te geven aan de verdachte. 6.3 Oordeel van de rechtbank Teruggave aan verdachte De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen telefoon en USB-sticks, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Uit het dossier blijkt niet dat deze voorwerpen zijn gebruikt bij de bewezenverklaarde feiten. 7 Vordering benadeelde partij 7.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.500,- voor feit 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 32.500,- voor vergoeding van materiële schade (feit 1) en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) van feit 1 en 2. De materiële schade bestaat uit de totale waarde van de overgeboekte cryptovaluta, waarbij de bedragen door de benadeelde partij naar beneden zijn afgerond. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 7.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.3. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt primair de vordering ni De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. Wettelijke rente De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 34.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Gijzeling Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 171 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen 36f, 38v, 38w, 45, 48, 49, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden ; 38v-maatregel legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf (5) jaar ; beveelt dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1998; beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken (14 dagen) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden ; beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. beslag (feit 1 en feit 2) - gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen: telefoon (G869127); 2 USB-sticks (G869129 en G869126); vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] (feit 1 en feit 2) wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 34.000,-, bestaande uit € 32.500,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immaterië Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: 1 [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), door - die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en/of een bedrijventerrein, - tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of - aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en/of adresgegevens van die [aangever] en/of diens vriendin, en/of diens ouders en/of diens schoonouders en/of de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico; - een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd, althans het lichaam van die [aangever] te zetten en/of te richten en/of - tegen die [aangever] te zeggen dat dat hij geld moest overmaken en/of de app Metamask en/of Telegram moest openen en/of (vervolgens) cryptovaluta moest overboeken, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 13 mei 2025 tot en met 29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door - die [medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen informatie te geven over namen en/of adressen van de vriendin en/of de (schoon)familie van die [aangever] , althans over het privéleven van die [aangever] en/of - met die [aangever] af te spreken op 29 mei 2025 in Utrecht en/of die [medeverdachte 1] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen over de locatie en/of het tijdstip van die afspraak en/of het tijdstip van terugkeer naar de auto(‘s) te informeren 2 [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen, op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), - tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en/of dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en/of - tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en/of dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 13 mei tot en met 29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door - die [medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen informatie te geven over namen en/of adressen van de vriendin en/of de (schoon)familie van die [aangever] , althans over het privéleven van die [aangever] en/of - met die [aangever] af te spreken op 29 mei 2025 in Utrecht en/of die [medeverdachte 1] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen over de locatie en/of het tijdstip van die afspraak en/of het tijdstip van terugkeer naar de auto(‘s) te informeren Bijlage II: Bewijsmiddelen Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. Een proces-ve Datum en tijd Gebruiker Bericht 29 mei 2025 23:42 uur [accountnaam 1] [adrescode 1] 29 mei 2025 23:48 uur [accountnaam 1] [adrescode 1] 30 mei 202500:12 uur [accountnaam 1] Waar blijf die bro 30 mei 202500:17 uur [accountnaam 2] Ben er mee Bezig Stuur je solana wallet 30 mei 202500:20 uur [accountnaam 1] [adrescode 2] SNEL BRO 30 mei 202500:23 uur [accountnaam 2] Bro ik ben er mee bezig 30 mei 202500:23 uur [accountnaam 1] Tempo 30 mei 202500:27 uur [accountnaam 1] Bro Schiet op Ik zie niks 30 mei 202500:31 uur [accountnaam 1] Bro ik geef je letterlijk 3 minJe speelt kk spelletjes 30 mei 202500:33 uur [accountnaam 1] Bro je maakt grapjesBegin te sturem want ik zie niks 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 1] Je moet echt beginnen nu 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 2] Doe ik 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 1] Nu Een proces-verbaal van de chats tussen ‘ [gebruikersnaam] ’ en ‘ [accountnaam 3] ’, voor zover inhoudende: Ik onderzocht de Apple lphone 12 mini die bij [medeverdachte 1] werd aangetroffen tijdens zijn aanhouding. Ik trof een chat aan tussen [accountnaam 3] ( [medeverdachte 1] ), en [gebruikersnaam] . [accountnaam 3] - 13-5-2025 20:42:28(UTC+2). Audio bestand uitgewerkt: doe gewoon fftjes eigenlijk watje daarstraks zei. Je weet toch, maar kijk wel uit wat je aan hem vraagt (..) Ga niet rare vragen stellen ofzo. (..) Ja je weet hoe je met hem moet praten toch? (..) ja, je weet waarvoor wij komen dus als hij jouw daarvoor bevestiging kan geven zonder dat hij merkt, van ja eeh... (..) Als hij in ieder geval maar niet platzak is. Dan ben ik allang blij." [gebruikersnaam] : - 13-5-2025 20.45:50(UTC+2) Jaa komt goed maat [gebruikersnaam] - 13-5-2025 20:45:59(UTC+2 Als die platzak is sla ik m zelf dood. In de chat tussen [gebruikersnaam] en [accountnaam 3] werd op 13 mei 2025 door [gebruikersnaam] , een afbeelding gedeeld. Op deze afbeelding was een chat tussen twee personen leesbaar. In het digitaal beslag van onderzoek Strike werd vervolgens een chat aangetroffen tussen [aangever] en [verdachte] . Ik vergeleek de afbeelding met de chat en zag dat dit hetzelfde gesprek betrof. De chat tussen [aangever] en [verdachte] werd aangetroffen in de telefoon van slachtoffer [aangever] . Uit de chat bleek dat [aangever] en [verdachte] een langdurige vriendschappelijke relatie onderhielden en veel persoonlijke en financiële informatie deelden. Voordat de afbeelding werd gedeeld vond er een gesprek plaats tussen [accountnaam 3] en [gebruikersnaam] . Dit leek de aanleiding voor het sturen van de afbeelding. In de chat tussen [aangever] en [verdachte] zag ik dat [aangever] vertelde tot hoe laat hij trainde. In de chat tussen [gebruikersnaam] en [accountnaam 3] , zag ik dat, [gebruikersnaam] en [accountnaam 3] spraken over ene 'hij'. Ik zag dat [gebruikersnaam] het volgende bericht stuurde: "Ik denk deze hij had mij vorige x foto gestuurd na het trainen om 21.10 dat klaar was". Ik bekeek de chat tussen [aangever] en [verdachte] in de telefoon van [aangever] en zag dat [aangever] , op 1 mei 2025, omstreeks 21:11 uur een foto van zichzelf deelde, in de chat tussen [aangever] en [verdachte] , nadat hij gesport had. Na het zien van bovenstaande bericht met bovenstaande foto vermoedde ik dat er in het gesprek tussen [gebruikersnaam] en [accountnaam 3] over [aangever] werd gesproken en dat de gebruiker van account [gebruikersnaam] vermoedelijk [verdachte] was. Na de afpersing op 29 mei 2025 stelde [aangever] vrijwillig zijn telefoon ter beschikking aan de politie ter waarheidsvinding. Ik zag in de chat dat [verdachte] en [aangever] een afspraak maakten voor 29 mei 2025. Een proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van de verdachte, voor zover inhoudende: Ik trof op de iphone 12 mini, die bij [medeverdachte 1] werd aangetroffen tijdens zijn aanhouding, een afbeelding van een briefje aan en zag dat bovenaan het briefje de naam van aangever stond. Ik zag dat er op het briefje verschillende namen van familieleden van [aangever]