Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:4867
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/186009-25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2026. Het onderzoek is (enkelvoudig) gesloten op 21 juli 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. C.G.J.E. Lut (hierna: de advocaat); de officier van justitie: mr. R.E. Craenen; de advocaat van de benadeelde partij [aangever] : mr. S. Vermeulen, die waarneemt voor mr. L. van Gaalen-Van Beuzekom. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 29 mei 2025 in Utrecht: feit 1 : primair: samen met anderen cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft afgeperst van [aangever] ; subsidiair: medeplichtig is geweest aan de hiervoor genoemde afpersing; feit 2: primair: samen met anderen heeft geprobeerd om € 100.000,- aan cryptovaluta af te persen van [aangever] ; subsidiair: medeplichtig is geweest aan de hiervoor genoemde poging tot afpersing. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2 primair, omdat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking (medeplegen). De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de subsidiaire feiten heeft gepleegd, in die zin dat hij medeplichtig is geweest aan de (poging tot) afpersing. Ten aanzien van feit 1 primair vindt de officier van justitie dat de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken moet worden van het vierde gedachtestreepje van de beschuldiging (het dreigen met een pistool), omdat daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier zit. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte volledig vrij te spreken van de feiten 1 en 2. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Inleiding De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan. Op 29 mei 2025 ging [aangever] (hierna: aangever) bowlen in Utrecht samen met [A] (hierna: [A] ) en de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Toen zij rond 23:23 uur klaar waren en naar hun auto liepen, werd aangever plots door drie personen benaderd: de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Op camerabeelden is te zien dat aangever wordt aangesproken door [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 2] met aangever wegloopt in de richting van een afgelegen steeg op het bedrijventerrein naast de bowling. Niet veel later voegt ook [medeverdachte 3] zich bij hen. Met zijn drieën lopen zij steeds verder de steeg in. Ondertussen blijft de verdachte staan bij [A] en [medeverdachte 1] , die nog bij de auto op de parkeerplaats staan. Na ongeveer 25 minuten loopt de verdachte naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , waarna de verdachte en [medeverdachte 3] [A] en [medeverdachte 1] ophalen en naar aangever en [medeverdachte 2] lopen. Rond 23:56 uur vertrekken de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk en een paar minuten later vertrekken ook aangever en zijn gezelschap. Diezelfde nacht belt aangever de politie en start onderzoek [medeverdachte 2] loopt daarna met aangever weg, [medeverdachte 3] voegt zich bij hen en de verdachte blijft staan bij het gezelschap van aangever. De verdachte voegt zich een kort moment bij [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en aangever, waarna [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verder lopen met aangever en de verdachte weer teruggaat naar het gezelschap van aangever. De verdachte zag en hoorde wat er gebeurde en had een duidelijke functie binnen het geheel. Hij moet dus begrepen hebben wat zich daar afspeelde en wat er van hem werd verwacht. De betrokkenheid van de verdachte gaat bovendien verder dan het enkele staan bij het gezelschap van aangever. Uit de verklaring van [A] volgt dat de verdachte, toen hij bij hen stond, dreigende uitlatingen heeft gedaan. Na de afpersing (en gedurende de poging tot afpersing) wordt de verdachte opgehaald door [medeverdachte 2] en lopen zij naar aangever en [medeverdachte 3] toe. De verdachte loopt vervolgens samen met [medeverdachte 3] terug naar de parkeerplaats en gebaart dat het gezelschap van aangever mee moet komen naar de afgelegen plek. Eenmaal daar geven [A] en [medeverdachte 1] hun telefoons aan de verdachte en [medeverdachte 3] en die leggen de telefoons vervolgens op de auto van [A] . Na de afpersing ontvangt de verdachte via WhatsApp van [medeverdachte 3] een zogeheten seed phrase, die hoorde bij een walletadres waar volgens het financiële onderzoek de afgeperste cryptovaluta van aangever naartoe is overgemaakt. Medeplegen of medeplichtigheid? Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Het kernverwijt bij medeplichtigheid is het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, terwijl bij medeplegen de samenwerking centraal staat. De rechtbank is anders dan de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat het handelen van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm kan worden gekwalificeerd als medeplegen van de afpersing en poging tot afpersing. De rechtbank legt hieronder uit waarom. Uit het dossier blijkt duidelijk dat de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met zijn drieën optrokken en samen met de auto vanuit Eindhoven naar Utrecht zijn gereden, samen aangever anderhalf uur in de auto hebben opgewacht tot hij klaar was met bowlen, samen richting aangever zijn gelopen en uiteindelijk samen zijn weggereden. Het langdurig samen optrekken met de medeverdachten voorafgaand aan de afpersing, duidt op een gewichtige bijdrage van de verdachte aan de voorbereiding daarvan. Ter plaatse was er sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling. De verdachte wist, soms na alleen een handgebaar van een medeverdachte, kennelijk wat hij moest doen en waar hij moest staan, waaruit kan worden afgeleid dat er ook sprake was van een vooropgezet plan. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij wist dat hij meegevraagd werd voor een afspraak waar hij bij twee jongens zou moeten staan. [medeverdachte 2] was degene die aangever aansprak, hem naar de steeg liet meelopen en de bedreigende uitlatingen deed. [medeverdachte 3] liep met aangever en [medeverdachte 2] mee naar de plek waar de afpersing plaatsvond. Daar stond [medeverdachte 3] steeds dicht bij aangever en [medeverdachte 2] . De verdachte bleef ondertussen staan op de parkeerplaats bij [A] en [medeverdachte 1] (het gezelschap van aangever). Van zijn enkele aanwezigheid ging al een zekere mate van dreiging uit. Daar komt bij dat [A] heeft verklaard dat de verdachte ook bedreigende uitlatingen heeft gedaan in de trant van dat zij niet naar hem mochten kijken en dat hij wist waar hun ouders wonen. Ook is de verdachte uiteindelijk wel aangesloten bij de medeverdachten op de plek waar aangever werd afgeperst, en heeft hij samen m Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1 primair: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; Feit 2 primair: poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen. 4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf en maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een contactverbod met aangever. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om niet mee te gaan in de eis van de officier van justitie en aan de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die langer is dan de tijd dat de verdachte al in voorarrest heeft gezeten, maar die gelijk is aan het voorarrest. Aan een voorwaardelijk strafdoel kunnen dan de bijzondere voorwaarden van de reclassering gekoppeld worden. De advocaat voert daartoe aan dat de verdachte zijn leven nu op orde heeft en alles wordt doorkruist bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd De verdachte heeft zich samen met anderen op 29 mei 2025 schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing. De afpersing heeft ruim een half uur geduurd. De verdachte heeft aangever, die nietsvermoedend aan het bowlen was, samen met de medeverdachten buiten opgewacht. Aangever moest vervolgens meelopen naar een afgelegen steeg op een bedrijventerrein. Daar is hij onder bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van cryptovaluta. De bedreiging werd kracht bijgezet doordat de medeverdachte [medeverdachte 2] onder andere persoonlijke gegevens over aangever en zijn familie noemde, zoals namen en adressen. Ondertussen liep de medeverdachte [medeverdachte 3] steeds met de aangever en [medeverdachte 2] mee en bleef de verdachte bij het gezelschap van aangever staan bij de auto. Aangever heeft uit angst cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar overgemaakt. Aangever moest daarvoor allerlei handelingen in zijn telefoon verrichten en op die manier zijn belagers actief meehelpen om zijn geld af te pakken. Daarna is onder bedreiging met geweld geprobeerd om aangever nog meer cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- over te laten maken. Dat dit uiteindelijk niet gebeurd is, is niet aan de verdachte(n) te danken. De poging tot afpersing is gestopt doordat aangever, na aandringen van zijn naasten, zelf de politie heeft ingeschakeld. Dat was een moeilijke beslissing omdat het kon dat hij zichzelf en zijn naasten daarmee verder in gevaar bracht. Verdachten hebben aangever dus niet alleen veel geld afhandig gemaakt maar hem ook langere tijd onder grote psychische druk gezet. Uit de verklaringen van aangever en het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangever doodsangsten heeft uitgestaan, zowel tijdens als na de afpersing. Hij was bang dat hem of zijn familieleden iets zou overkomen door alle privégegevens die bij de verdachten bekend waren. De verdachten zijn koel en berekenend te werk gegaan. Ze hebben alleen maar gedacht aan hun eigen voordeel en niet hoe dit voor aangever moet zijn geweest. De verdachte heeft op de zitting enerzijds eerlijk verklaard dat hij is meegegaan naar ‘een afspraak’ en dat hij daar bij twee jongens moest staan. Op alle nad De rechtbank vindt dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Uit het reclasseringsadvies volgt dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien. Zo heeft hij onder andere dagbesteding en zet hij goede stappen in de richting van een delictvrije toekomst. Dit zou allemaal doorkruist worden als de verdachte naar de gevangenis zou moeten. De rechtbank meent dat de verdachte, en zo ook de maatschappij, meer gebaat is bij de voortzetting van deze positieve ontwikkeling dan bij een detentie. Daarbij weegt ook de jonge leeftijd van de verdachte mee. De rechtbank zal de verdachte daarom een kans geven om de positieve stappen die hij in de afgelopen periode heeft gezet, voort te zetten. Wel vindt de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, het belangrijk dat de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd hangt. De voorwaardelijke straf is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Ook biedt een voorwaardelijk strafdeel de rechtbank de mogelijkheid om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden waaraan de verdachte zich moet houden. Dat zal de rechtbank dan ook doen. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast zal een contactverbod met aangever als bijzondere voorwaarde worden opgelegd. Ook is het belangrijk dat de verdachte ook nu nog de gevolgen van zijn strafbare handelen ervaart. De rechtbank zal daarom aan de verdachte ook een taakstraf opleggen. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte op een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast legt de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod met aangever op. De bijzondere voorwaarden staan nader omschreven in het dictum. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf (in de vorm van een werkstraf) op van 200 uur, te vervangen door 100 dagen jeugddetentie als de verdachte deze werkstraf niet of niet goed uitvoert. Ondanks dat de rechtbank een andere deelnemingsvorm bewezen vindt dan de officier van justitie, namelijk het primaire medeplegen van de (poging tot) afpersing in plaats van de subsidiaire medeplichtigheid daaraan, wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie, omdat zij meer rekening houdt met het reclasseringsadvies en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Dadelijke uitvoerbaarheid Uit het reclasseringsadvies volgt dat zij vanwege de heftigheid van de feiten, het delictverleden van de verdachte en de tekortkomende handelingsvaardigheden een verhoogd risico zien als belangrijke steunfiguren wegvallen. Zonder professioneel vangnet om de verdachte heen moet er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam voor een of meer personen. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht daarom dadelijk uitvoerbaar verklaren. Voorlopige hechtenis Nu de rechtbank beslist dat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen goederen die te maken hebben met de Wet Wapens en Munitie (te weten de patroonhouders, munitie, wapendoos en boekje wapen) moeten worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van de in beslag genomen telefoon verzoekt de officier van justitie om deze verbeurd te verklaren omdat er delict gerelateerde informatie (namelijk een seed phrase) op staat, of te onttrekken aan het verkeer omdat hij met de telefoon toegang zou kunnen krijgen tot wallets. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om de telefoon terug te ge Er was sprake van een planmatige afpersing door meerdere daders, waarbij aangever naar een steeg en afgelegen bedrijventerrein is meegenomen en waar hij onder dreiging met geweld werd gedwongen om cryptovaluta over te boeken. Bij de bedreiging werd gedetailleerde (kennis over) privé gegevens over hem en zijn naasten gedeeld, waaronder adresgegevens. Zowel tijdens als na de afpersing heeft aangever doodsangsten uitgestaan Aangever is hierdoor noodgedwongen verhuisd omdat hij zich niet langer veilig voelde in zijn eigen huis. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding kijkt de rechtbank onder meer naar de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank kijkt naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat aansluiting gezocht zou moeten worden bij categorie 19.1 a) (met een bandbreedte tussen € 3.000,- en € 8.000,-). De rechtbank gaat uit van categorie 19.1 b) ( tot een bedrag van € 3.000,-) nu niet is bewezen dat er een vuurwapen is gebruikt door de daders, de afpersing niet langer dan een half uur heeft geduurd en de benadeelde partij niet fysiek is aangepakt. De rechtbank ziet in genoemde omstandigheden aanleiding om dit bedrag naar beneden bij te stellen. Nu de aard en omvang van het geestelijk letsel niet nader is onderbouwd zal de rechtbank niet méér toewijzen dan het bedrag dat op basis van wat de benadeelde partij is overkomen in ieder geval billijk wordt geacht. Dat bedrag stelt de rechtbank naar billijkheid vast op € 1.500,-. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. Wettelijke rente De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 34.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Gijzeling Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 171 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bed De begeleiding start zo snel mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1998; waarbij de gecertificeerde instelling Reclassering Nederland, opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; beveelt dat de bijzondere waarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn: - veroordeelt de verdachte tot een taakstraf (in de vorm van een werkstraf) van 200 uur ; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen jeugddetentie; beslag (feit 1 primair en feit 2 primair) - verklaart de telefoon (G860438) verbeurd; - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: munitie, patroonhouders, wapendoos en boekje; - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: patroonhouders (G3589342 en G860367) munitie (G3589364 en G860365 ) ; wapendoosje (G860370); boekje wapen (G860368) vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] (feit 1 primair en feit 2 primair) wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 34.000,-, bestaande uit € 32.500,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade; veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; verklaart [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 34.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 171 dagen gijzeling; bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door - die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en/of een bedrijventerrein, - tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of - aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en/of adresgegevens van die [aangever] en/of diens vriendin, en/of diens ouders en/of diens schoonouders en/of de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico; - een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd, althans het lichaam van die [aangever] te zetten en/of te richten en/of - tegen die [aangever] te zegge 2 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), - tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en/of dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en/of - tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en/of dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen, op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), - tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en/of dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en/of - tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en/of dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door - bij [A] en [medeverdachte 1] (zijnde de metgezellen van die [aangever] ) te blijven staan, en daarmee te beletten dat zij zich bij die [aangever] konden voegen op het moment dat de afpersing plaatsvond, en/of (vervolgens) - tegen die [A] en [medeverdachte 1] te zeggen dat ze niet naar hem, verdachte, mochten kijken en/of dat ze rustig moesten blijven en/of dat hij, verdachte, wist wie [A] en/of [medeverdachte 1] waren en waar zijn/hun ouders woonden, althans woorden en/of gedragingen van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens) - een of meer telefoon(s) van die [A] en/of [medeverdachte 1] in te nemen en deze op een auto te leggen, waarbij tegen die [A] en [medeverdachte 1] werd gezegd dat zij tien minuten moesten wachten, en daarmee te beletten dat die [A] en/of [medeverdachte 1] de politie kon(den) alarmeren. Bijlage II: Bewijsmiddelen Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] , voor zover inhoudende: Op 29 mei 2025 was ik in Utrecht met [medeverdachte 1] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) en [A] ( de rechtbank begrijpt: [A] ) om te bowlen. Toen ik om 23:22 uur naar de auto liep hoorde ik dat iemand mijn naam riep en zag ik drie personen. Ik hoorde dat NN1 zei dat ik met hem mee moest lopen. Ik hoorde dat NN1 zei dat NN2 moest meelopen en NN3 bij mijn vrienden moest blijven staan. Ik zag dat NN2 meeliep met mij. Ik liep richting een steeg. Ik hoorde dat NN1 zei dat ik met hem dingen moest bespreken. Dit had te maken met mijn broer en dat dit [B] was. Ik liep samen met NN1 en NN2 het bedrijventerrein op. Ik hoorde dat NN1 zei: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij heel veel informatie had over mijn privéleven: de namen, g [aangever] had een telefoon in zijn hand. 23:42:20: Ik zag dat zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] mee keken op de telefoon die [aangever] in zijn handen had. 23:42:53: [medeverdachte 3] ging bijna tegen [aangever] aanstaan. 23:50:59: Ik zag dat [medeverdachte 2] liep in de richting van [A] , [medeverdachte 1] en [verdachte] . 23:51:05: ik zag dat [medeverdachte 2] even bleef staan. Opmerking verbalisant: Mogelijk dat hij iets roept/zegt of een gebaar maakt. Want terwijl hij daar stond, zag ik op Ch2 dat [verdachte] begon te lopen in zijn richting. 23:51:56: Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte] in de richting van [aangever] en [medeverdachte 3] liepen. 23:52:43: Ik zag dat [medeverdachte 3] en [verdachte] beiden sychroon gebarende signalen maken met hun armen. Ook liepen ze in de richting van [A] en [medeverdachte 1] . 23:55:51: Ik zag dat [A] en [medeverdachte 1] naar [aangever] liepen. 23:56:02: Ik zag dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] naar [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] toeliepen. 23:56:10: ik zag dat zowel [A] als [medeverdachte 1] iets aan [medeverdachte 3] en [verdachte] gaven. 23:56:57: ik zag dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar het voertuig van [medeverdachte 2] liepen en iets op het dak van de auto van [A] leggen. 23:59:18: [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] liepen richting hun voertuigen. Proces-verbaal van de transactie-hashes en adressen van de crypto overboekingen van de afpersing door aangever, voor zover inhoudende: Uit analyse van de transacties bleek dat er op 29 mei 2025 tussen 23:43 en 23:47 (UTC+2) in totaal 10,4 Ether, ter waarde van $27.505,44 USD, werd overgemaakt van vijf adressen naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Ethereum-blockchain. Ook werd er op 29 mei 2025 tussen 23:49 uur en 23:50 uur (UTC+2) in totaal 17 Binance Coin (BNB), ter waarde van $11.540,25 (USD) overgemaakt naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Binance Smart Chain blockchain. In totaal werd er op 29 mei 2025 tussen 23:43 uur en 23:50 uur (UTC+2) in acht transacties voor $39.045,69 (USD) aan crypto currency overgemaakt naar het adres [adrescode 1] . Een proces-verbaal van screenshots Telegram-chats op de telefoon van aangever, voor zover inhoudende: Tijdens de afpersing had de afperser het wallet-adres waarnaar hij de gelden moest overmaken per Telegram-bericht gestuurd. Van deze berichten maakte [aangever] screenshots. Ik werkte de berichten in de screenshots uit in tabel 1. Ik zag dat de tijdstippen van de berichten aansloten bij de verklaring van [aangever] . Ik zag het gedeelde wallet-adres overeenkwam met het wallet-adres dat gebruikt werd door de afperser. Ik zag dat [aangever] in zijn berichten alleen zei ermee bezig te zijn en dat [accountnaam 1] doorlopend druk uitoefende omdat er schijnbaar niets gebeurde. Datum en tijd Gebruiker Bericht 29 mei 2025 23:42 uur [accountnaam 1] [adrescode 1] 29 mei 2025 23:48 uur [accountnaam 1] [adrescode 1] 30 mei 202500:12 uur [accountnaam 1] Waar blijf die bro 30 mei 202500:17 uur [accountnaam 2] Ben er mee Bezig Stuur je solana wallet 30 mei 202500:20 uur [accountnaam 1] [adrescode 2] SNEL BRO 30 mei 202500:23 uur [accountnaam 2] Bro ik ben er mee bezig 30 mei 202500:23 uur [accountnaam 1] Tempo 30 mei 202500:27 uur [accountnaam 1] Bro Schiet op Ik zie niks 30 mei 202500:31 uur [accountnaam 1] Bro ik geef je letterlijk 3 minJe speelt kk spelletjes 30 mei 202500:33 uur [accountnaam 1] Bro je maakt grapjesBegin te sturem want ik zie niks 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 1] Je moet echt beginnen nu 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 2] Doe ik 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 1] Nu Een proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van de verdachte, voor zover inhoudende: Ik trof op de iphone 12 mini, die bij [medeverdachte 2] werd aangetroffen tijdens zijn aanhouding, een afbeelding van een briefje aan en zag dat bovenaan het briefje de naam van aangever stond. Ik zag dat e