Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:4862
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/185997-25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2026. Het onderzoek is (enkelvoudig) gesloten op 21 juli 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. A.Y. Bleeker (hierna: de advocaat); de officier van justitie: mr. R.E. Craenen; de advocaat van de benadeelde partij [aangever] : mr. S. Vermeulen, die waarneemt voor mr. L. van Gaalen-Van Beuzekom. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 29 mei 2025 in Utrecht: feit 1 : primair: samen met anderen cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft afgeperst van [aangever] ; subsidiair: medeplichtig is geweest aan de hiervoor genoemde afpersing; feit 2: primair: samen met anderen heeft geprobeerd om € 100.000,- aan cryptovaluta af te persen van [aangever] ; subsidiair: medeplichtig is geweest aan de hiervoor genoemde poging tot afpersing. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen feit 1 primair en feit 2 primair heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 primair vindt de officier van justitie dat de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken moet worden van het vierde gedachtestreepje van de beschuldiging (het dreigen met een pistool), omdat daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier zit. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank primair om de verdachte volledig vrij te spreken van feit 1 en feit 2. Subsidiair stelt de advocaat zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken moet worden voor bedreiging met een vuurwapen/pistool. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Inleiding De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan. Op 29 mei 2025 ging [aangever] (hierna: aangever) bowlen in Utrecht samen met [A] (hierna: [A] ) en de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Toen zij rond 23:23 uur klaar waren en naar hun auto liepen, werd aangever plots door drie personen benaderd: de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Op camerabeelden is te zien dat aangever wordt aangesproken door [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 2] met aangever wegloopt in de richting van een afgelegen steeg op het bedrijventerrein naast de bowling. Niet veel later voegt ook de verdachte zich bij hen. Met zijn drieën lopen zij steeds verder de steeg in. Ondertussen blijft [medeverdachte 3] staan bij [A] en [medeverdachte 1] , die nog bij de auto op de parkeerplaats staan. Na ongeveer 25 minuten loopt [medeverdachte 3] naar de verdachte en [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 3] en de verdachte [A] en [medeverdachte 1] ophalen en naar aangever en [medeverdachte 2] lopen. Rond 23:56 uur vertrekken de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk en een paar minuten later vertrekken ook aangever en zijn gezelschap. Diezelfde nacht belt aangever de politie en start onderzoek 31STRIKE25. Vaststaat dat de verdachten deze avond contact hebben gehad me De verdachte was voortdurend in de directe nabijheid van aangever en [medeverdachte 2] en stond ook op korte afstand van hen. Op de camerabeelden is bovendien te zien dat de verdachte op bepaalde momenten meekeek op de telefoon van aangever. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte wist wat daar op dat moment gebeurde. De rechtbank wordt hierin gesterkt door de Snapchatberichten die de verdachte de dag na de afpersing heeft verstuurd naar [medeverdachte 2] via het account [accountnaam 1] waarvan de verdachte op zitting heeft verklaard dat dit zijn account is -. In deze berichten wordt onder andere gesproken over het omwisselen van de cryptovaluta naar cash en wordt door de verdachte een walletadres gedeeld waar volgens het financiële onderzoek de afgeperste cryptovaluta van aangever naartoe is overgemaakt. Verdachte zegt in die chat dat hij gewoon snel cash wil hebben. Ook klaagt hij over het ‘crypto gezeik’ en dat hij met anderen zou zijn opgelicht door het ‘mannetje’ in Utrecht. Dat lijkt te gaan over deze afpersing. De verdachte heeft op zitting geen alternatieve uitleg gegeven over deze berichten, maar zich beroepen op zijn zwijgrecht. Medeplegen of medeplichtigheid? Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Het kernverwijt bij medeplichtigheid is het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, terwijl bij medeplegen de samenwerking centraal staat. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het handelen van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm kan worden gekwalificeerd als medeplegen van de afpersing en poging tot afpersing. De rechtbank legt hieronder uit waarom. Uit het dossier blijkt duidelijk dat de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met zijn drieën zijn opgetrokken en samen met de auto vanuit Eindhoven naar Utrecht zijn gereden, samen aangever anderhalf uur in de auto hebben opgewacht tot hij klaar was met bowlen, samen richting aangever zijn gelopen en uiteindelijk samen zijn weggereden. Het langdurig samen optrekken met de medeverdachten voorafgaand aan de afpersing, duidt op een gewichtige bijdrage van de verdachte aan de voorbereiding daarvan. Ter plaatse was er sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling. De verdachten wisten, soms na alleen een handgebaar van de (mede)verdachte, wat zij moesten doen en waar zij moesten staan. Daaruit kan worden afgeleid dat er ook sprake was van een vooropgezet plan. [medeverdachte 2] was degene die aangever aansprak, hem naar de steeg liet meelopen en de bedreigende uitlatingen deed. [medeverdachte 3] bleef ondertussen staan op de parkeerplaats bij [A] en [medeverdachte 1] (het gezelschap van aangever) en voorkwam dat zij hulp zouden kunnen inschakelen. Zoals eerder overwogen liep de verdachte met aangever en [medeverdachte 2] mee naar de plek waar de afpersing plaatsvond. Daar stond de verdachte steeds dicht bij aangever en [medeverdachte 2] . Op verschillende momenten kijkt hij op de telefoon van aangever mee. Wanneer [medeverdachte 2] wegliep, bleef de verdachte dicht bij aangever staan en stond hij consequent tussen aangever en de ‘vluchtroute’ voor aangever (de route naar de parkeerplaats) in. De verdachte heeft met zijn aanwezigheid – waardoor aangever in de minderheid was – er mede voor gezorgd dat aangever dus niet zou kunnen vluchten of hulp zou kunnen inschakelen. Daarnaast versterkte de verdachte met zijn aanwezigheid de dreiging die van de medeverdachte [medeverdachte 2] uitging. Dit geldt ook voor de bedreiging die [medeverdachte 2] heeft geuit in het kader van de poging tot afpersing. Daar heeft de verdachte bovendien aan bijgedragen door te zeggen dat aangever “gewoon moest doen wat ze vroegen”. Als aangever zou meewerken zou hem niks overkomen. Ook he De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om bij een bewezenverklaring overeenkomstig het advies van de reclassering geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd dat de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een taakstraf zou wel passend kunnen zijn met eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf. De advocaat voert hiertoe aan dat de verdachte nog jong is, geen relevante documentatie heeft, slechts een beperkte rol heeft gespeeld bij de feiten en een gevangenisstraf zijn werkzaamheden en kickbokscarrière zal doorkruisen. Daarnaast moet volgens de advocaat meer aangesloten worden bij de eis van de officier van justitie in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] , omdat zij een inwisselbare rol hadden. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd De verdachte heeft zich samen met anderen op 29 mei 2025 schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing. De afpersing heeft ruim een half uur geduurd. De verdachte heeft aangever, die nietsvermoedend aan het bowlen was, samen met de medeverdachten opgewacht. Aangever moest vervolgens meelopen naar een afgelegen steeg op een bedrijventerrein. Daar is hij onder bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van cryptovaluta. De bedreiging werd kracht bijgezet doordat de medeverdachte [medeverdachte 2] onder andere persoonlijke gegevens over aangever en zijn familie noemde, zoals namen en adressen. Ondertussen liep de verdachte steeds met [medeverdachte 2] en aangever mee en bleef medeverdachte [medeverdachte 3] bij het gezelschap van aangever staan bij de auto. Aangever heeft uit angst cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar overgemaakt. Aangever moest daarvoor allerlei handelingen in zijn telefoon verrichten en op die manier zijn belagers actief meehelpen om zijn geld af te pakken. Daarna is onder bedreiging met geweld geprobeerd om aangever nog meer cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- over te laten maken. Dat dit uiteindelijk niet gebeurd is, is niet aan de verdachte(n) te danken. De poging tot afpersing is gestopt doordat aangever, na aandringen van zijn naasten, zelf de politie heeft ingeschakeld. Dat was een moeilijke beslissing omdat het kon dat hij zichzelf en zijn naasten daarmee verder in gevaar bracht. Verdachten hebben aangever dus niet alleen veel geld afhandig gemaakt maar hem ook langere tijd onder grote psychische druk gezet. Uit de verklaringen van aangever en het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangever doodsangsten heeft uitgestaan, zowel tijdens als na de afpersing. Hij was bang dat hem of zijn familieleden iets zou overkomen door alle privégegevens die bij de verdachten bekend waren. De verdachten zijn koel en berekenend te werk gegaan. Ze hebben alleen maar gedacht aan hun eigen voordeel en niet hoe dit voor aangever moet zijn geweest. De verdachte heeft enerzijds eerlijk verklaard dat hij is meegegaan naar ‘een afspraak’ omdat hij wat geld wilde bijverdienen. Hij heeft verklaard dat hij geld zou krijgen door erbij te zijn, dat hij dit uit vrije wil heeft gedaan en dat niemand hem daartoe heeft gedwongen. De verdachte legt daarmee de verantwoordelijkheid bij zichzelf. Tegelijkertijd laat de verdachte nog steeds niet het achterste van zijn tong zien. De verdachte blijft verklaren dat hij niets strafbaars heeft gezien of gedaan en niets heeft meegekregen van een (poging tot) afpersing. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank echter af dat de rol van de verdachte groter is geweest dan hij zelf doet voorkomen en dat de verdachte juist n De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte: - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] . De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 5 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding 14 dagen hechtenis tegenover staan met een maximum van zes maanden. Gelet op de aard van de feiten en de ontkennende houding van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen tegenover [aangever] . Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De voorlopige hechtenis De rechtbank zal geen beslissing nemen over de voorlopige hechtenis, zodat de huidige schorsing (en schorsingskader) blijft doorlopen. 6 Vordering benadeelde partij 6.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.500,- voor feit 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 32.500,- voor vergoeding van materiële schade (feit 1) en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) van feit 1 en 2. . De materiële schade bestaat uit de totale waarde van de overgeboekte cryptovaluta, waarbij de bedragen door de benadeelde partij naar beneden zijn afgerond. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.3. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt primair de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair moet de materiele schade niet-ontvankelijk verklaard worden, omdat er geen nadeel is. De overgemaakte cryptovaluta op een wallet is bevroren en kan dus weer terug naar de aangever. Daarnaast moet de immateriële schade gematigd worden tot een bedrag van maximaal € 3.000,-. 6.4. Oordeel van de rechtbank Materiele schade De vordering tot vergoeding materiële schade van € 32.500,- is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. Dit betreft namelijk de cryptovaluta die door de aangever onder dwang zijn overgemaakt. De aangever is de cryptovaluta kwijt en het is ook uit zijn macht. Hij kan hier dus niet meer over beschikken. Teruggave is afhankelijk van de medewerking van derde partijen. Dat de wallets waar de cryptovaluta door de verdachten naartoe zijn overgeboekt zijn bevroren, doet hier niet aan af. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe. Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van ee Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen. 7 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de wetsartikelen: 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 8 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 primair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; 38v-maatregel legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf (5) jaar ; beveelt dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1998; beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken (14 dagen) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden ; beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 34.000,-, bestaande uit € 32.500,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade; veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; verklaart [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 34.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 171 dagen gijzeling; bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door - die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en/of een bedrijventerrein, - tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of - aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegeve t, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), - tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en/of dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en/of - tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en/of dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door - met die [medeverdachte 2] en die [aangever] mee te lopen naar voornoemde steeg en/of bedrijventerrein en/of aldaar bij die [aangever] te blijven staan en/of aldus te zorgen voor een getalsmatig overwicht en (daarmee) te beletten dat die [aangever] zich uit de voeten kon maken, en/of zijn telefoon zou gebruiken om alarm te slaan, en/of (vervolgens) - tegen die [aangever] te zeggen dat hij gewoon moest doen wat ze vroegen en dat hem dan niets zou overkomen en/of dat ze ervaren jongens waren en dit wel vaker deden, althans woorden en/of gedragingen van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens) - een of meer telefoon(s) van [A] en/of [medeverdachte 1] (zijnde de metgezellen van die [aangever] ) in te nemen en deze op een auto te leggen, waarbij tegen die [A] en [medeverdachte 1] werd gezegd dat zij tien minuten moesten wachten, en daarmee te beletten dat die [A] en/of [medeverdachte 1] de politie kon(den) alarmeren. Bijlage II: Bewijsmiddelen Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] , voor zover inhoudende: Op 29 mei 2025 was ik in Utrecht met [medeverdachte 1] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) en [A] ( de rechtbank begrijpt: [A] ) om te bowlen. Toen ik om 23:22 uur naar de auto liep hoorde ik dat iemand mijn naam riep en zag ik drie personen. Ik hoorde dat NN1 zei dat ik met hem mee moest lopen. Ik hoorde dat NN1 zei dat NN2 moest meelopen en NN3 bij mijn vrienden moest blijven staan. Ik zag dat NN2 meeliep met mij. Ik liep richting een steeg. Ik hoorde dat NN1 zei dat ik met hem dingen moest bespreken. Dit had te maken met mijn broer en dat dit [B] was. Ik liep samen met NN1 en NN2 het bedrijventerrein op. Ik hoorde dat NN1 zei: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij heel veel informatie had over mijn privéleven: de namen, geboortedatums en adresgegevens van mijn ouders, voor- en achternaam van mijn vriendin, mijn adresgegevens in Nederland en de adresgegevens van mijn vakantiewoning in Mexico. Tijdens dit gesprek had hij een telefoon vast. Ik zag dat hij uit deze telefoon veel informatie aan het oplezen was. Gedurende dit gesprek liepen we steeds het bedrijventerrein op. NN1 en NN2 liepen gedurende deze tijd met mij mee. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij geld wilde zien. Ik hoorde dat hij zei dat ik de app 'Metamask' moest openen. Ik zei tegen NN1 dat ik op het platform Telegram meer vermogen had dan dat ik had op de app Metamask. Ik startte de app Telegram op. Ik had op Telegram ongeveer voor 30.000 dollar aan waarde staan. Ik gaf mijn telefoon aan NN1. NNl moest adresgegevens hebben om het geld naar hem toe te sturen. Ik moest transacties opmaken en versturen naar de Trust wallet van NN1. NN1 had net Telegram aangemaakt. Ik hoorde dat NN1 zei dat dit niet genoeg was. Ik hoorde dat NN1 minimaal nog 100.000 euro 23:56:10: ik zag dat zowel [A] als [medeverdachte 1] iets aan [verdachte] en [medeverdachte 3] gaven. 23:56:57: ik zag dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar het voertuig van [medeverdachte 2] liepen en iets op het dak van de auto van [A] leggen. 23:59:18: [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] liepen richting hun voertuigen. Proces-verbaal van de transactie-hashes en adressen van de crypto overboekingen van de afpersing door aangever, voor zover inhoudende: Uit analyse van de transacties bleek dat er op 29 mei 2025 tussen 23:43 en 23:47 (UTC+2) in totaal 10,4 Ether, ter waarde van $27.505,44 USD, werd overgemaakt van vijf adressen naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Ethereum-blockchain. Ook werd er op 29 mei 2025 tussen 23:49 uur en 23:50 uur (UTC+2) in totaal 17 Binance Coin (BNB), ter waarde van $11.540,25 (USD) overgemaakt naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Binance Smart Chain blockchain. In totaal werd er op 29 mei 2025 tussen 23:43 uur en 23:50 uur (UTC+2) in acht transacties voor $39.045,69 (USD) aan crypto currency overgemaakt naar het adres [adrescode 1] . Een proces-verbaal van de crypto transacties, voor zover inhoudende: De aangever moest crypto overmaken naar een wallet van de verdachte met walletadres: [adrescode 1] . Nadat het geld van de aangever is overgemaakt wordt dit gebundeld en in een keer verzonden naar een volgende wallet, dit is [adrescode 2] . Het volledige bedrag wordt overmaakt naar [accountnaam 2] . Waar de ETH omgewisseld wordt naar Tether. Op de wallet gaat het bedrag in ETH er dus af en komt het er weer bij in Tether. Vervolgens wordt het bedrag opgesplitst en overgemaakt naar - [adrescode 3] en - [adrescode 4] . Nadat bleek dat het geld van de aangever was omgewisseld in Tether, is er vanuit het onderzoeksteam direct contact opgenomen met het bedrijf achter Tether en verzocht om deze tegoeden te bevriezen. Tether heeft gehoor gegeven aan dit verzoek. Een proces-verbaal van screenshots Telegram-chats op de telefoon van aangever, voor zover inhoudende: Tijdens de afpersing had de afperser het wallet-adres waarnaar hij de gelden moest overmaken per Telegram-bericht gestuurd. Van deze berichten maakte [aangever] screenshots. Ik zag dat de tijdstippen van de berichten aansloten bij de verklaring van [aangever] . Ik zag het gedeelde wallet-adres overeenkwam met het wallet-adres dat gebruikt werd door de afperser. Ik zag dat [aangever] in zijn berichten alleen zei ermee bezig te zijn en dat [accountnaam 3] doorlopend druk uitoefende omdat er schijnbaar niets gebeurde. Datum en tijd Gebruiker Bericht 29 mei 2025 23:42 uur [accountnaam 3] [adrescode 1] 29 mei 2025 23:48 uur [accountnaam 3] [adrescode 1] 30 mei 202500:12 uur [accountnaam 3] Waar blijf die bro 30 mei 202500:17 uur [accountnaam 4] Ben er mee Bezig Stuur je solana wallet 30 mei 202500:20 uur [accountnaam 3] [adrescode 5] SNEL BRO 30 mei 202500:23 uur [accountnaam 4] Bro ik ben er mee bezig 30 mei 202500:23 uur [accountnaam 3] Tempo 30 mei 202500:27 uur [accountnaam 3] Bro Schiet op Ik zie niks 30 mei 202500:31 uur [accountnaam 3] Bro ik geef je letterlijk 3 minJe speelt kk spelletjes 30 mei 202500:33 uur [accountnaam 3] Bro je maakt grapjesBegin te sturem want ik zie niks 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 3] Je moet echt beginnen nu 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 4] Doe ik 30 mei 202500:36 uur [accountnaam 3] Nu Een proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende: Ik trof op de iphone 12 mini, die bij [medeverdachte 2] werd aangetroffen tijdens zijn aanhouding, een afbeelding van een briefje aan en zag dat bovenaan het briefje de naam van aangever stond. Ik zag dat er op het briefje verschillende namen van familieleden van [aangever] stonden, namelijk: naam van de vader, broer, vader vriendin, broer vriendin, moeder vriendin, stiefzus vriendin en de naam van de vriendin van [aangever] . Ook zag ik dat het adr