Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:4860
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/168999-25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2026. Het onderzoek is (enkelvoudig) gesloten op 21 juli 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. D.C. Vlielander (hierna: de advocaat); de officier van justitie: mr. R.E. Craenen; de advocaat van de benadeelde partij [aangever] : mr. S. Vermeulen, die waarneemt voor mr. L. van Gaalen-Van Beuzekom. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1: op 29 mei 2025 in Utrecht samen met anderen cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft afgeperst van [aangever] ; feit 2: op 29 mei 2025 in Utrecht samen met anderen heeft geprobeerd om cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- af te persen van [aangever] ; De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen feit 1 en feit 2 heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 vindt de officier van justitie dat de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken moet worden van het vierde gedachtestreepje van de beschuldiging (het dreigen met een pistool), omdat daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier zit. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte volledig vrij te spreken van de feiten 1 en 2. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Inleiding De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan. Op 29 mei 2025 ging [aangever] (hierna: aangever) bowlen in Utrecht samen met [A] (hierna: [A] ) en de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Toen zij rond 23:23 uur klaar waren en naar hun auto liepen, werd aangever plots door drie personen benaderd: de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Op camerabeelden is te zien dat aangever wordt aangesproken door de verdachte, waarna de verdachte met aangever wegloopt in de richting van een afgelegen steeg op het bedrijventerrein naast de bowling. Niet veel later voegt ook [medeverdachte 2] zich bij hen. Met zijn drieën lopen zij steeds verder de steeg in. Ondertussen blijft [medeverdachte 3] staan bij [A] en [medeverdachte 1] , die nog bij de auto op de parkeerplaats staan. Na ongeveer 25 minuten loopt [medeverdachte 3] naar de verdachte en [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] [A] en [medeverdachte 1] ophalen en naar aangever en de verdachte lopen. Rond 23:56 uur vertrekken de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk en een paar minuten later vertrekken ook aangever en zijn gezelschap. Diezelfde nacht belt aangever de politie en start onderzoek 31STRIKE25. Vaststaat dat de verdachte deze avond contact heeft gehad met aangever en dat aangever ten tijde van dat contact cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft overgemaakt ten behoeve van de verdachte. Volgens aangever was dit onder dwang en bedreiging gebeurd zoals in de beschuldiging nader is omschreven (bijlage I), en is daarna door bedreiging geprobeerd om hem nog veel meer cryptovaluta over t Daarnaast vraagt de verdachte een dag na de afpersing in een chatgesprek aan ene [accountnaam 1] of niemand kan zien dat die munten zijn ‘geskoept’ ( de rechtbank begrijpt: straattaal voor ‘gestolen’) , gevolgd door het adres van een van de wallets waar de overgemaakte crypto van aangever op is gestort. De hele gang van zaken wijkt bovendien qua setting en werkwijze sterk af van een vrijwillige cash-crypto transactie zoals aangever wel eens deed en die ook wordt beschreven in het dossier. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte dan ook terzijde en komt op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van feit 1 (de afpersing). Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte tijdens de afpersing aangever met een pistool heeft bedreigd. De rechtbank zal de verdachte daarom van dat deel van de beschuldiging vrijspreken. Ten aanzien van feit 2: bewezenverklaring poging tot afpersing De rechtbank vindt ook bewezen dat de verdachte (na de voltooide afpersing onder feit 1) heeft geprobeerd om nog meer cryptovaluta van aangever af te persen. Omdat aangever uiteindelijk geen aanvullende cryptovaluta heeft overgemaakt maar de politie heeft gebeld, is het bij een poging tot afpersing gebleven. Aangever heeft verklaard dat de verdachte, nadat hij onder druk een hoeveelheid cryptovaluta had overgemaakt, had gezegd dat dit niet genoeg was en hij nog voor een bedrag van minimaal € 100.000,- aan cryptovaluta wilde. Aangever kreeg een uur de tijd om dat te regelen. Deze verklaring vindt steun in de screenshots van een Telegram-gesprek met [accountnaam 2] , die op de telefoon van aangever zijn aangetroffen. In dit gesprek wordt vlak na de afpersing druk uitgeoefend op aangever om nog meer cryptovaluta over te maken. Het tijdsverloop dat blijkt uit de tijdsaanduiding bij de berichten, past bij de verklaring van aangever. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat dat niet kan worden vastgesteld dat deze berichten door de verdachte zijn verstuurd. Uit de screenshots blijkt immers dat in hetzelfde Telegram-gesprek op 29 mei 2025 om 23.42 uur en 23.48 uur, en dus ten tijde van de onder feit 1 bewezen verklaarde afpersing, door [accountnaam 2] het walletadres is verzonden waarnaar aangever rond datzelfde tijdstip de cryptovaluta had overgemaakt. Aangever heeft verklaard dat het walletadres ter plekke naar hem werd verstuurd op Telegram vanuit de Trustwallet van de verdachte. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat zowel het wallet-adres als het account [accountnaam 2] aan de verdachte toebehoren en de berichten door de verdachte zijn verzonden. Medeplegen ten aanzien van feit 1 en feit 2 De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten bij de (poging tot) afpersing, waardoor sprake is van medeplegen. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn samen met de auto vanuit Eindhoven naar Utrecht gereden, hebben aangever anderhalf uur opgewacht in de auto tot hij klaar was met bowlen, zijn samen op aangever afgelopen en zijn uiteindelijk samen weer weggereden. Ter plaatse was er sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling. De verdachten wisten, soms na alleen een handgebaar van een (mede)verdachte, wat zij moesten doen en waar zij moesten staan. Daaruit kan worden afgeleid dat er ook sprake was van een vooropgezet plan. De verdachte was degene die aangever aansprak, hem naar de steeg liet meelopen en de bedreigende uitlatingen deed. [medeverdachte 3] bleef ondertussen staan op de parkeerplaats bij [A] en [medeverdachte 1] (het gezelschap van aangever) en voorkwam dat zij hulp zouden kunnen inschakelen. Dat [medeverdachte 1] zelf ook verdachte is en dubbelspel speelde doet aan de intentie niet af. [medeverdachte 2] liep met aangever en de verdachte mee naar de steeg Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd De verdachte heeft zich samen met anderen op 29 mei 2025 schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing. De afpersing heeft ruim een half uur geduurd. De verdachte heeft aangever, die nietsvermoedend aan het bowlen was, samen met de medeverdachten opgewacht en mee laten lopen naar een afgelegen steeg op een bedrijventerrein. Daar heeft hij onder bedreiging met geweld aangever gedwongen tot afgifte van cryptovaluta. De bedreiging werd kracht bijgezet door onder andere persoonlijke gegevens over aangever en zijn familie te noemen, zoals namen en adressen. Ondertussen liep een van de medeverdachten steeds met de verdachte en aangever mee en bleef een andere medeverdachte bij het gezelschap van aangever staan bij de auto. Aangever heeft uit angst cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar overgemaakt. Aangever moest daarvoor allerlei handelingen in zijn telefoon verrichten en op die manier zijn belagers actief meehelpen om zijn geld af te pakken. Daarna is onder bedreiging met geweld geprobeerd om aangever nog meer cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- over te laten maken. Dat dit uiteindelijk niet gebeurd is, is niet aan de verdachte(n) te danken. De poging tot afpersing is gestopt doordat aangever, na aandringen van zijn naasten, zelf de politie heeft ingeschakeld. Dat was een moeilijke beslissing omdat het kon dat hij zichzelf en zijn naasten daarmee verder in gevaar bracht. Verdachten hebben aangever dus niet alleen veel geld afhandig gemaakt maar hem ook voor langere tijd onder grote psychische druk gezet. Uit de verklaringen van aangever en het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangever doodsangsten heeft uitgestaan, zowel tijdens als na de afpersing. Hij was bang dat hem of zijn familieleden iets zou overkomen door alle privégegevens die bij de verdachten bekend waren. De verdachten zijn koel en berekenend te werk gegaan. Ze hebben alleen maar gedacht aan hun eigen voordeel en niet hoe dit voor aangever moet zijn geweest. De verdachte heeft tot op de zitting ontkend dat er sprake is geweest van (poging tot) afpersing. Dit terwijl uit het dossier naar voren komt dat de verdachte juist een leidende rol heeft gehad bij deze (poging tot) afpersing. De verdachte heeft dus geen openheid van zaken gegeven over wat zich heeft afgespeeld op 29 mei 2025 en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Uit het strafblad van de verdachte van 2 maart 2026 blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor vermogensfeiten. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee. Eerder opgelegde (langdurige) gevangenisstraffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Ook tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in deze zaak is de verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen in verband met een verdenking van vermogensfeiten. In het reclasseringsadvies van 11 juni 2026 staat dat de verdachte een belast verleden kent waarbij hij op jonge leeftijd op zichzelf aangewezen was, een crimineel sociaal netwerk had en delicten pleegde. Daarbij was sprake van problematiek op verschillende leefgebieden waarbij zijn kwetsbaarheid op het gebied van zijn psychosociaal functioneren (onder andere psychosegevoeligheid) opvalt. Hoewel de verdachte in het verleden vaak in aanraking kwam met justitie, lijkt dit de laatste jaren verminderd te zijn. Na de laatste lange detentieperiode was er volgens de reclassering een verandering te zien ten opzichte van zijn pro criminele houding, die plaats maakte voor meer maatschappelijk geaccepte Hoewel de verdachte ten tijde van de schorsing in aanraking is gekomen met politie en justitie, namelijk in verband met een verdenking van ladingdiefstallen, is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico voldoende kan worden ondervangen met het huidige schorsingskader en de schorsingsvoorwaarden die die daarbij horen. De rechtbank wijst daarom de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af, zodat de huidige schorsing (en schorsingskader) blijft doorlopen. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen munitie moet worden onttrokken aan het verkeer. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat refereert zich met betrekking tot het beslag aan het oordeel van de rechtbank. 6.3. Oordeel van de rechtbank Onttrekken aan het verkeer De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee stuks munitie, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. 7 Vordering benadeelde partij 7.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.500,- voor feit 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 32.500,- voor vergoeding van materiële schade (feit 1) en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) van feit 1 en 2. De materiële schade bestaat uit de totale waarde van de overgeboekte cryptovaluta, waarbij de bedragen door de benadeelde partij naar beneden zijn afgerond. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 7.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.3. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt primair de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair moet de materiele schade niet-ontvankelijk verklaard worden, omdat er geen nadeel is. De overgemaakte cryptovaluta op een wallet is bevroren en kan dus weer terug naar de aangever. Daarnaast moet de immateriële schade gematigd worden tot een bedrag van maximaal € 1.000,-. 7.4. Oordeel van de rechtbank Materiele schade De vordering tot vergoeding materiële schade van € 32.500,- is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. Dit betreft namelijk de cryptovaluta die door de aangever onder dwang zijn overgemaakt. De cryptovaluta zijn uit de macht van aangever. Hij kan hier dus niet meer over beschikken. Teruggave is afhankelijk van de medewerking van derde partijen. Dat de wallets waar de cryptovaluta door de verdachten naartoe zijn overgeboekt zijn bevroren, doet hier niet aan af. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe. Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de wetsartikelen 36b, 36d, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; 38v-maatregel legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf (5) jaar ; beveelt dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1998; beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken (14 dagen) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden ; beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. beslag (feit 1 en feit 2) - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 1 stuk munitie (G3548259); 1 stuk munitie (G3548182); vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 34.000,-, bestaande uit € 32.500,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade; veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; verklaart [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 34.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 171 dagen gijzeling; bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging Ik hoorde dat NN1 zei dat hij mensen bij mijn huis zou staan en dat hij mij zou omleggen als ik de politie erbij haal. Gedurende dit gesprek zei ik tegen NN2 dat als ik het geld zou overmaken dat zei mij alsnog om konden leggen. Ik hoorde NN2 zeggen dat ik gewoon moest doen wat ze vroegen. Ik hoorde dat NN2 zei dat als ik gewoon meewerkte dat mij niks zou overkomen. Ik hoorde dat NN1 tegen NN2 zei dat hij NN3 en [medeverdachte 1] en [A] moest halen. Ik hoorde dat NNl zei dat [medeverdachte 1] en [A] hun mobiele telefoons moest inleveren en dat NN1 NN2 en NN3 wegliepen met de telefoons. Ik ben na 5 minuten met [medeverdachte 1] en [A] naar onze voertuigen gelopen. Ik zag dat de telefoons van [medeverdachte 1] en [A] op [A] auto lagen. Een proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden, voor zover inhoudende: Naar aanleiding van de aangifte van [aangever] werden camerabeelden van de plaats delict gevorderd. Alle in dit proces-verbaal opgenomen beelden werden vastgelegd op 29 mei 2025. 23:23:35: ik zag dat drie personen het pand van [horeca gelegenheid] uit kwamen lopen. 23:23:30: ik zag dat [verdachte] uit zijn voertuig stapte en in een rechte lijn naar [aangever] liep. [aangever] loopt met [verdachte] mee. Terwijl [verdachte] loopt lijkt hij een handgebaar te maken in de richting van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijven bij [A] en [medeverdachte 1] staan. 23:24:40: ik zag dat [verdachte] een handgebaar maakte dat [aangever] tot meelopen aanzette. 23:25:45: ik zag dat [medeverdachte 2] een handgebaar maakte en dat [medeverdachte 3] vervolgens zijn kant op liep. Beiden liepen ze in de richting van [verdachte] en [aangever] . Tijdens het lopen zag ik dat [medeverdachte 2] zijn capuchon opzette. 23:25:37: Ik zag dat [medeverdachte 2] zich bij [aangever] en [verdachte] voegde. Ik zag dat [aangever] naar achteren bewoog terwijl [medeverdachte 2] en [verdachte] richting [aangever] liepen. Opmerking verbalisant: Ik merkte op dat, door de snelheid waarmee [medeverdachte 2] op [aangever] inliep, [aangever] niet veel keus leek te hebben dan mee te bewegen. 23:26:20: ik zag dat [medeverdachte 2] een gebaar maakte met zijn arm in de richting van [medeverdachte 3] . Hierna liep [medeverdachte 3] terug naar [A] en [medeverdachte 1] . 23:26:39: Ik zag dat [verdachte] , [aangever] en [medeverdachte 2] met zijn drieën liepen. 23:26:46: [aangever] stond in het midden tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] in. Duidelijk zichtbaar was dat [verdachte] en [medeverdachte 2] bijna tegen [aangever] aanstonden. 23:32:10: Ik zag dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [aangever] in beeld kwamen. Zichtbaar was dat [verdachte] in iedere hand één telefoon vasthield. Ik zag dat [aangever] ook een telefoon in zijn hand hield. 23:32:29: Ik zag dat [verdachte] wegliep en [aangever] bij [medeverdachte 2] stond. 23:41:55: Ik zag dat [verdachte] naast [aangever] stond. [aangever] had een telefoon in zijn hand. 23:42:20: Ik zag dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] mee keken op de telefoon die [aangever] in zijn handen had. 23:42:53: [medeverdachte 2] ging bijna tegen [aangever] aanstaan. 23:50:59: Ik zag dat [verdachte] liep in de richting van [A] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . 23:51:05: ik zag dat [verdachte] even bleef staan. Opmerking verbalisant: Mogelijk dat hij iets roept/zegt of een gebaar maakt. Want terwijl hij daar stond, zag ik op Ch2 dat [medeverdachte 3] begon te lopen in zijn richting. 23:51:56: Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte 3] in de richting van [aangever] en [medeverdachte 2] liepen. 23:52:43: Ik zag dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] beiden sychroon gebarende signalen maken met hun armen. Ook liepen ze in de richting van [A] en [medeverdachte 1] . 23:55:51: Ik zag dat [A] en [medeverdachte 1] naar [aangever] liepen. 23:56:02: Ik zag dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] toeliepen. 23:56:10: ik zag