Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-30
ECLI:NL:RBMNE:2026:448
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer / rekestnummer: 11929958 \ AE VERZ 25-66 Beschikking van 30 januari 2026 in de zaak van [verzoekster] , wonende in [woonplaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoekster] , procederend in persoon, tegen de besloten vennootschap Daan B.V. , gevestigd in Rotterdam , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: Daan , gemachtigden: mrs. J. van der Voet en B.B. Kuppens. 1 De procedure 1.1. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: het verzoekschrift met 10 producties (ingekomen op 17 oktober 2025) het verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek met 2 producties (ingekomen op 30 december 2025) de producties 3 en 4 van Daan (van 6 januari 2026) de reactie van [verzoekster] op het verweerschrift (van 7 januari 2026) de producties, genummerd 1-6, van [verzoekster] (van 7 januari 2026). 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. [verzoekster] is verschenen. Namens Daan zijn verschenen de heer [persoon1] en de heer [persoon2] , bijgestaan door mr. Kuppens. [verzoekster] en Daan hebben hun standpunten nader toegelicht; Daan aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken tijdens de zitting. 1.3. Na de mondelinge behandeling, op 9 en 16 januari 2026, heeft [verzoekster] nog stukken ingediend. De stukken van 9 januari 2026 waren al eerder toegezonden en behoren tot de processtukken. Het op 16 januari 2026 toegezonden uittreksel BRP wordt ook toegevoegd aan het dossier omdat dit informatie betreft die niet wordt betwist door Daan . 1.4. De kantonrechter heeft bepaald dat uiterlijk op 12 februari 2026 uitspraak zal worden gedaan. 2 De kern van de zaak 2.1. Daan heeft [verzoekster] op 19 augustus 2026 op staande voet ontslagen omdat [verzoekster] onjuiste reisdeclaraties zou hebben ingediend. Dit ontslag is naar het oordeel van de kantonrechter niet rechtsgeldig en wordt daarom vernietigd. Het dienstverband is dus niet op 19 augustus 2026 geëindigd en Daan moet [verzoekster] alsnog loon betalen. Dat hoeft Daan maar te doen tot 1 maart 2026. Het verzoek van Daan om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt namelijk toegewezen omdat voldoende aannemelijk is dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord is geraakt. Daan zal wel worden veroordeeld om aan [verzoekster] de wettelijke transitievergoeding te betalen. De overige verzoeken van partijen - [verzoekster] maakt aanspraak op een thuiswerkvergoeding en Daan wil dat [verzoekster] alle ontvangen reiskosten terugbetaalt - worden als onvoldoende onderbouwd afgewezen. 3 De beoordeling Inleiding 3.1. [verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1977, is op 3 juli 2023 bij Daan in dienst getreden in de functie van [functie] , voor veertig uur per week. Daan is een arbeidsbemiddelingsbureau. Op de arbeidsovereenkomst is de ABU CAO van toepassing. 3.2. In de arbeidsovereenkomst staat dat Daan zal zorgen voor een nieuwe passende opdracht als een opdracht wordt beëindigd of ingetrokken. Daarbij wordt uitgegaan van een reistijd van maximaal anderhalf uur enkele reis (artikel 2). De kosten die de werknemer maakt om op het werk te komen worden vergoed door Daan : € 0,21 per kilometer of de kosten van openbaar vervoer (artikel 3). 3.3. Van 3 juli 2023 tot en met 12 april 2024 was [verzoekster] gedetacheerd bij de gemeente [gemeente 1] , van 11 november 2024 tot en met 31 maart 2025 bij de gemeente [gemeente 2] en van 1 april 2025 tot en met 30 juni 2025 werkte zij bij de gemeente [gemeente 3] , voor 24 uur per week. 3.4. Partijen verschillen onder andere van mening over de nadere afspraken die voor de klus in [gemeente 3] zijn gemaakt vanwege de reisafstand tussen [woonplaats] en [gemeente 3] . Nadat de opdracht in [gemeente 3] was afgerond heeft Daan besloten om [verzoekster] onder te brengen bij de vestiging van Daan in Groningen Het mag zo zijn dat bij Daan het vermoeden is ontstaan dat [verzoekster] structureel ergens anders verbleef en dat het innen van (extra) reiskosten haar wel goed uitkwam, maar dat is zonder nadere feitelijke onderbouwing of toelichting door Daan een onvoldoende dringende reden om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. De kantonrechter zal hierna bij het tegenverzoek van Daan wel overwegen dat [verzoekster] een verkeerd beeld heeft van wat zij gerechtigd was te declareren, maar de kantonrechter kan op basis van de gedingstukken en dat wat partijen over en weer hebben aangevoerd nu eenmaal niet vaststellen dat het de bedoeling van [verzoekster] was om de werkgever bij het declareren van de reiskosten bewust te benadelen. 3.12. Daar komt bij dat Daan kennelijk al in juli 2025 ervan op de hoogte was dat [verzoekster] mogelijk niet altijd vanuit de opgegeven woonplaats naar haar werk vertrok. Daan heeft daar pas op 19 augustus 2025 gevolgen aan verbonden. Daan heeft uitgelegd dat zij eerst met [verzoekster] in gesprek wilde en dat zij tijdens dat gesprek het standpunt van [verzoekster] (dat zij meende in haar recht te staan door te declareren vanaf haar woonadres in plaats van incidentele verblijfadressen) niet kon en wilde volgen, maar dat helpt Daan niet. Een dringende reden moet nu eenmaal onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren en dat is hier dus niet zo gegaan. 3.13. Tenslotte had Daan , toen haar tijdens het gesprek op 19 augustus 2025 duidelijk werd dat [verzoekster] kennelijk meende kosten te mogen declareren voor kilometers die niet gereden waren, er goed aan gedaan om [verzoekster] uitleg te geven over de declaratiemethodiek. Daarbij past een duidelijke toelichting op hoe dat in het vervolg moest gebeuren en hoe dat voor het verleden eventueel kon worden gecorrigeerd, met een waarschuwing dat, als [verzoekster] zou volharden in haar standpunt en niet mee zou werken, daar consequenties aan verbonden zouden worden. Daar heeft Daan niet voor gekozen. Een ontslag op staande voet is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval dan ook niet proportioneel. 3.14. De conclusie is dat er onvoldoende basis is voor een ontslag op staande voet, dat ook nog eens niet onverwijld is gegeven. Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag wordt daarom toegewezen. Daan moet het loon vanaf 19 augustus 2025 betalen 3.15. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd is de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] na 19 augustus 2025 blijven bestaan. [verzoekster] heeft dus recht op loon. Het verzoek van [verzoekster] tot betaling van het volledige salaris van € 6.021,11 wordt toegewezen als onder de beslissing staat vermeld. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Daan het loon te laat heeft betaald. Geen toelating tot de werkzaamheden 3.16. Het verzoek van [verzoekster] om Daan te veroordelen haar toe te laten tot de werkzaamheden, versterkt met een dwangsom als prikkel om Daan daartoe te bewegen, wordt afgewezen. Uit de overwegingen 3.25 tot en met 3.36 volgt dat het verzoek van Daan om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. De kantonrechter heeft het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op 1 maart 2026. Gezien de korte tijd die resteert tussen de beschikking en het einde van het dienstverband, en omdat Daan expliciet te kennen heeft gegeven niet met [verzoekster] verder te willen, bestaat geen aanleiding om Daan te veroordelen tot toelating van [verzoekster] tot haar werkzaamheden. Thuiswerkvergoeding 3.17. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is afgesproken dat [verzoekster] , wanneer zij vanuit huis werkt, een vergoeding voor hybride werken ontvangt van € 3,00 per gewerkte dag. [verzoekster] heeft onder randnummer 14 van haar verzoekschrift aanspraak gemaakt op de thuiswerkvergoeding vanaf datum indiensttreding zonder de vergoeding te specificeren. [verz De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de arbeidsverhouding duurzaam verstoord is geraakt . Daartoe is het volgende van belang. 3.26. [verzoekster] stelt dat zij recht heeft op vergoeding van reiskosten, gebaseerd op de afstand tussen haar woonplaats [woonplaats] en de werklocatie van de (laatste) opdrachtgever, de gemeente [gemeente 3] , maar niet als kilometervergoeding . Op de zitting heeft [verzoekster] toegelicht dat zij tijdens het dienstverband bij Daan , als de afstand groot was, op adressen bij familie verbleef waardoor ze haar reistijd en de kilometers heeft beperkt. [verzoekster] meent dat zij daar een vrije keuze in had en dat zij dat niet hoefde te melden aan Daan . Als ze niet bij familieleden had overnacht had zij namelijk een hotelovernachting kunnen declareren in de plaats waar ze gedetacheerd was. Zij baseert dat op de ABU cao. 3.27. De kantonrechter is met Daan van oordeel dat het standpunt van [verzoekster] om meerdere redenen niet houdbaar is. In de eerste plaats komen alleen de reiskosten die daadwerkelijk worden gereisd voor vergoeding in aanmerking. Daan heeft terecht gewezen op het bepaalde in artikel 31b lid 2 sub a punt 3 van de Wet op de Loonbelasting waarin staat dat tot € 0,23 per afgelegde kilometer mag worden vergoed. De werkgever is dus wettelijk beperkt in tot het vergoeden van de kilometers die daadwerkelijk zijn afgelegd/gereden. [verzoekster] heeft dus recht op een vergoeding van de werkelijk gemaakte reiskosten, op basis van de werkelijk gereden kilometers. 3.28. Ook lijkt [verzoekster] te miskennen dat bij de beantwoording van de vraag of zij aanspraak had op reistijdvergoeding van belang is de bepaling in de arbeidsovereenkomst die een reistijd van maximaal anderhalf uur enkele reis voorschrijft. Als de afstand van het logeeradres van [verzoekster] tot de locatie van de opdrachtgever binnen die anderhalf uur reistijd valt had een hotelovernachting immers niet gedeclareerd kunnen worden. 3.29. De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat, mede vanwege de afspraak over de maximale reistijd, voor de opdracht bij de gemeente [gemeente 3] is afgesproken dat [verzoekster] de 24 uren over vier dagen per week van 10:00 uur tot 16.00 uur zou werken en daar in principe ook aanwezig zou zijn. De stelling van [verzoekster] dat het haar privé-keuze is om bij familie of bekenden te verblijven (en de reiskosten vanuit [woonplaats] te declareren) omdat Daan anders wel de hotelkosten had moeten betalen gaat ook in dit geval niet op. In de bovengenoemde afspraak is immers vervat dat de tijd waarin [verzoekster] niet voor de gemeente [gemeente 3] werkzaam was (de resterende 16 uur) doorbetaald kreeg met daarbovenop kennelijk de reisuren die [verzoekster] extra maakte boven de 40 contracturen bij Daan . 3.30. Er is geen ander werk aangeboden in de periode dat [verzoekster] in [gemeente 3] werkzaam was dus zij heeft zich helemaal kunnen richten op deze klus. [verzoekster] heeft op de zitting desgevraagd bevestigd dat zij 24 uur voor de gemeente [gemeente 3] heeft gewerkt. Zij zegt wel dat ze ander werk voor Daan heeft gedaan in die periode maar dat is niet onderbouwd. Dat daarom is gevraagd door Daan evenmin. 3.31. De kantonrechter gaat er daarom vanuit, net als Daan , dat [verzoekster] al haar tijd besteedde aan de opdracht bij de gemeente [gemeente 3] . Dat wordt ook bevestigd door de declaraties en de toelichting daarop in productie 1 van [verzoekster] . In zo’n geval is het dus juist heel relevant of de reis wordt gemaakt vanuit de gestelde woonplaats ofwel van een logeeradres dichterbij. Op de momenten dat [verzoekster] heeft gelogeerd bij haar ouders, zus of bij bekenden elders in het land heeft [verzoekster] niet de overeengekomen arbeidsduur besteed aan de gemeente [gemeente 3] omdat zij niet steeds vanuit [woonplaats] naar de locatie is gereden op de momenten waarop zij gesteld heef