Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-30
ECLI:NL:RBMNE:2026:4420
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 25/4557, 25/4646, 25/4953 en 25/4954 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaken tussen [eiseres] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M. Jansen), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, (gemachtigden: L.G. Rissema-van Haren en J.E. Tichelaar). Samenvatting 1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiseres een bestuurlijke boete kon opleggen voor het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres dus geen gelijk krijgt. De rechtbank verklaart de beroepen gericht tegen de met de boete samenhangende bestreden besluiten ook ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. In deze uitspraak doet de rechtbank uitspraak in meerdere zaaknummers die met elkaar samenhangen. De rechtbank heeft gelet op deze samenhang besloten om de zaaknummers te voegen. 3. Met het besluit van 11 oktober in 2024 in zaaknummer UTR 25/4557 heeft de minister aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd voor het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven. 4. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 in zaaknummer UTR 25/4646 heeft de minister in bezwaar het besluit van 5 december 2024 gehandhaafd waarin het verzoek van eiseres om uitstel van betaling is afgewezen. 5. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 in zaaknummer UTR 25/4953 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de aanmaningsbrief van het Centraal Justitieel Incassobureau niet-ontvankelijk verklaard. 6. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 in zaaknummer UTR 25/4954 heeft de minister de wettelijke rente en deurwaarderskosten bij eiseres in rekening gebracht. De minister heeft geen beslissing op het bezwaar van eiseres genomen. De minister heeft het bezwaarschrift gelet op artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank. 7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 8. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 9. De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister. 10. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de gemachtigde van eiseres een aantal vragen gesteld. Vervolgens heeft de minister op de beantwoording daarvan nog gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 mei 2026 gesloten. Beoordeling van de rechtbank in zaaknummer UTR 25/4557 (de bestuurlijke boete) Het bestreden besluit 11. De minister heeft naar aanleiding van een melding een inspectiebezoek uitgevoerd bij de onderneming van eiseres. De minister heeft aan eiseres een boete van in totaal € 14.000,- opgelegd voor het overtreden van de Wav. 11. Eiseres heeft twee vreemdelingen arbeid heeft laten verrichten zonder een tewerkstellingsvergunning en zonder dat de vreemdelingen in het bezit waren van een gecombineerde vergunning om werkzaamheden bij eiseres te verrichten. De minister heeft daarom twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav geconstateerd en daarvoor een boete van € 6.000,- opgelegd. De minister is daarbij uitgegaan van grove schuld. 11. Daarnaast heeft de minister eiseres gevorderd om de identiteitsgegevens over te leggen van personen die voor eiseres werken of hebben gewerkt. Eiseres heeft voor vier personen niet aan deze vordering voldaan. De minister heeft daarom ook vier overtredingen van artikel 15a van de Wav geconstateerd en daarvoor een boete van € 8.000,- opgelegd. Het bewijsaanbod van eiseres 14. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de twee vreemdelingen waarvan is geconstateerd dat zij arbeid verrichtten zonder vergunning op te roepen en te horen. De rechtbank gaa De Hoge Raad heeft deze vraag op 9 februari 2016 ontkennend beantwoord. Er is in dit geval dus geen sprake van ‘hetzelfde feit’, zodat de minister een bestuurlijke boete mocht opleggen. 21. Eiseres wijst er nog op dat de maximale hoogte van de geldboetes die de minister voor overtreding van de Wav hanteert gelijk zijn aan de maximale hoogte van de geldboetes die bij de strafbare feiten waar eiseres van wordt verdacht kunnen worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit niet dat sprake is van ‘hetzelfde feit”. De Hoge Raad heeft in de genoemde uitspraak vooral gewezen op het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden regelingen strekken. Bovendien kan voor de strafbare feiten waar eiseres van wordt verdacht niet alleen een geldboete, maar ook een gevangenisstraf worden opgelegd. De mate van verwijtbaarheid 22. Eiseres vindt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van grove schuld bij de twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Volgens eiseres stelt de minister ten onrechte dat zij actief arbeidskrachten heeft benaderd in Brazilië. Eiseres betwist dan ook de verklaringen van de twee vreemdelingen waaruit dit zou blijken. Dat aan eiseres eerder een boete is opgelegd vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav had de minister niet mogen betrekken. Dit omdat deze boete achteraf gezien in strijd met rechtspraak van de Hoge Raad is opgelegd. Eiseres is namelijk destijds niet de cautie gewezen en ook niet gewezen op haar recht op rechtsbijstand en de mogelijkheid van een tolk. Bovendien heeft de minister volgens eiseres ten onrechte de overtredingshistorie betrokken in het bestreden besluit. Bij het primaire besluit van 11 oktober 2024 had de minister de overtredingshistorie namelijk niet betrokken. De minister heeft op deze manier de feitelijke grondslag van de boete in het bestreden besluit gewijzigd. Verhoogde mate van verwijtbaarheid in bezwaar 23. De rechtbank stelt voorop dat in het primaire besluit van 11 oktober 2024 is uitgegaan van grove schuld bij de twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav en van normale verwijtbaarheid bij de overtredingen van artikel 15a van de Wav. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat had moeten worden uitgegaan van een hogere mate van verwijtbaarheid, namelijk voorwaardelijk opzet en dat de overtredingshistorie van eiseres had moeten worden betrokken bij het opleggen van de boete. De boete had volgens de minister dus eigenlijk moeten worden vastgesteld op € 48.000,-. De minister heeft de hoogte van de boete in het bestreden besluit niet aangepast gelet op het verbod op reformatio in peius. De minister blijft in het bestreden besluit dan ook bij het eerder vastgestelde boetebedrag van € 14.000,-. 24. Eiseres stelt dat doordat de minister uitgaat van voorwaardelijk opzet sprake is van precedentwerking en dat deze kwalificatie van belang kan zijn bij het bepalen van de hoogte van een eventuele toekomstige overtreding. De rechtbank kan deze stelling niet volgen. Op de zitting is naar voren gekomen dat de overwegingen van de minister in het bestreden besluit over voorwaardelijk opzet en de overtredingshistorie ten overvloede zijn en dat deze niet gebruikt zijn als onderbouwing voor het boetebedrag van € 14.000,-. De hoogte van dat bedrag is gebaseerd op het standpunt in het primaire besluit dat sprake is van grove schuld. De overwegingen ten overvloede dienen als een waarschuwing aan eiseres en veranderen haar rechtspositie dus niet. Verder is het benoemen van voorwaardelijk opzet in de motivering van het bestreden besluit niet van belang bij het bepalen van de hoogte van een eventuele toekomstige overtreding van de Wav. Bij die vraag is namelijk alleen van belang of eiseres eerder de Wav heeft overtreden en of al dan niet sprake is geweest van een overtreding die gekwalificeerd is als ernstig. Artikel 2 van de Wav – grove schuld 25. Van grove schuld is sprake als de mate van verwijtbaarheid hoge De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt – zoals dat ook uitgebreid in het bestreden besluit uiteen is gezet – dat [A] niet dubbel is geteld, maar dat sprake is van twee verschillende personen en dat dus sprake is van vier overtredingen in totaal. Uit de overgelegde gegevens blijkt namelijk dat [A] en [B] op 29 augustus 2023 gelijktijdig boekingen hebben uitgevoerd met verschillende boekingsnummers en verschillende soorten behandelingen. Eiseres heeft in beroep alleen gesteld dat sprake is van dezelfde persoon. Omdat eiseres deze stelling niet nader heeft onderbouwd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister drie overtredingen van artikel 15a van de Wav had moeten constateren in plaats van vier. Beëindigen van de overtreding 31. Uit het beleid van de minister blijkt dat een boete gematigd kan worden als de werkgever, nadat hij beseft dat sprake is van overtreding en voordat controle heeft plaatsgevonden, zelf de illegale tewerkstelling aantoonbaar heeft beëindigd. Weliswaar waren de twee vreemdelingen niet meer bij eiseres werkzaam ten tijde van de controle, maar dit was niet het gevolg van bewuste beëindiging van de overtreding. Eiseres heeft bij haar beroepschrift een proces-verbaal van een aangifte van haar tegen een van de betrokken medewerkers overgelegd. Uit dat document, maar ook uit de aangiften van de vreemdelingen die bij het boetrapport zijn gevoegd, kan worden opgemaakt dat het beëindigen van de werkzaamheden was ingegeven door onenigheid tussen eiseres en de twee vreemdelingen. De twee vreemdelingen hebben na die onenigheid zelfstandig de werkzaamheden beëindigd. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres niet zelf de overtreding van de Wav heeft beëindigd en dat deze matigingsgrond in dit geval niet van toepassing is. 32. Eiseres heeft op de zitting nog gesteld dat de werkzaamheden zijn beëindigd, omdat haar partner haar er in oktober van 2023 – naar aanleiding van een bedrijfsfeest waar zowel hij als de betrokken vreemdelingen aanwezig waren – op had gewezen dat dit noodzakelijk was. Eiseres stelt dat zij vanuit haar cultuur niet zomaar een werknemer kan ontslaan en dat zij moest wachten op een aanleiding om de werkzaamheden te beëindigen. Deze omstandigheden veranderen het oordeel van de rechtbank niet. Eiseres heeft deze stelling niet verder onderbouwd. De rechtbank vindt het ook niet aannemelijk dat de partner en boekhouder van eiseres pas na meerdere maanden nadat de twee vreemdelingen hun werkzaamheden bij eiseres zijn begonnen op de hoogte is van het feit dat de twee vreemdelingen in dienst zijn zonder tewerkstellingsvergunning. Verder laat een en ander onverlet dat eiseres als werkgever verantwoordelijk is voor het aannemen van haar werknemers en zij bij het in dienst nemen van de betrokken vreemdelingen had kunnen en moeten weten dat een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav noodzakelijk was. Financiële draagkracht 33. De minister kan een boete ook matigen als uit de overgelegde financiële gegevens blijkt dat de gevolgen van de boete onevenredig zijn. De minister gebruikt voor de beoordeling van de financiële situatie de ‘vragenlijst natuurlijke personen voor bepaling draagkracht’. Eiseres en haar partner hebben de vragenlijst niet ingevuld en ook de daarbij gevraagde bewijsmiddelen niet overgelegd. Eiseres vindt het disproportioneel dat de boete niet wordt gematigd, omdat zij de vragenlijst niet heeft ingevuld. Volgens eiseres wordt met de vragenlijst namelijk meer gevraagd dan redelijkerwijs nodig is om de financiële draagkracht te kunnen beoordelen. 33. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiseres is om inzicht te geven in haar financiële situatie waardoor de minister in staat wordt gesteld om te beoordelen of matiging van de boete nodig is. Eiseres heeft een aantal documenten overgelegd, waaronder jaarbalansen van een aantal jaren, een door of namens eiseres gemaakt overzicht van inkomsten en uitg De verwijzing van eiseres naar het advies van de Raad van State kan niet leiden tot een ander oordeel. Het kabinet heeft op dat advies gereageerd en heeft daarbij onder meer de nadelige gevolgen uiteengezet. Het advies van de Raad van State heeft dan ook niet geleid tot een wijziging van artikel 6:16 van de Awb. De uitspraken waar eiseres in beroep nog naar heeft verwezen kunnen ook niet leiden tot een ander oordeel. Deze uitspraken zijn namelijk uitspraken van de voorzieningenrechter hangende een procedure waarin nog niet vaststaat of de boete rechtmatig is. Bovendien is in die uitspraken ook betrokken of er aanknopingspunten zijn voor een financiële noodsituatie. In dit geval heeft eiseres dat niet onderbouwd. Conclusie beroep in zaaknummer UTR 25/4646 42. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht geen uitstel van betaling verleend. Beoordeling van de rechtbank in zaaknummer UTR 25/4953 (de aanmaningsbrief) Het bestreden besluit 43. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de aanmaningsbrief van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat de aanmaningsbrief volgens de minister geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt, omdat de brief niet op enig rechtsgevolg is gericht. Het oordeel van de rechtbank 44. De rechtbank stelt voorop dat eiseres tegen het bestreden besluit geen afzonderlijke beroepsgronden heeft aangevoerd, maar vooral heeft gewezen op de onrechtmatigheid van de opgelegde bestuurlijke boete. De rechtbank heeft in deze uitspraak geconcludeerd dat de minister de bestuurlijke boete mocht opleggen. 44. De rechtbank merkt nog het volgende op. Niet is betwist dat sprake is van een aanmaning in de zin van artikel 4:112 van de Awb. Hoewel de aanmaning uitsluitend een herinnering is dat nog moet worden betaald, heeft het sturen van een aanmaning op grond van art. 4:106 van de Awb stuitende werking en mag op grond van art. 4:113, eerste lid, van de Awb een vergoeding voor de aanmaning in rekening worden gebracht. In dit geval is die vergoeding bij de aanmaning in rekening gebracht. Voor zover voor de aanmaning een vergoeding in rekening wordt gebracht, is wel sprake van een beschikking. Dit heeft de minister in de motivering van het bestreden besluit miskend. Maar gelet op artikel 8:4, aanhef en onder b, van de Awb, in samenhang bezien met artikel 7:1, eerste lid, van deze wet, kunnen tegen dit besluit geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden aangewend. In zoverre heeft de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Conclusie beroep in zaaknummer UTR 25/4953 46. Het beroep is ongegrond. De minister heeft het bezwaar van eiseres tegen de aanmaningsbrief van het CJIB niet-ontvankelijk mogen verklaren. Beoordeling van de rechtbank in zaaknummer UTR 25/4954 (wettelijke rente en deurwaarderkosten) Het bestreden besluit 47. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 heeft de minister kosten in rekening gebracht bij eiseres voor wettelijke rente en deurwaarderkosten. De minister heeft geen beslissing op het bezwaar van eiseres genomen. De minister heeft het bezwaarschrift gelet op artikel 4:125 van de Awb doorgezonden aan de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank 48. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een bijkomend besluit is zoals bedoeld in artikel 4:125 van de Awb en neemt daarom kennis van het bezwaarschrift. In het bezwaarschrift wijst eiseres op het advies van de Raad van State van 13 juli 2015. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de wettelijke rente en deurwaarderskosten niet bij eiseres in rekening mocht brengen. De rechtbank verwijst daarbij naar overweging 41 waarin wordt ingegaan op dat advies. Omdat eiseres verder geen andere beroepsgronden heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit