Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-11
ECLI:NL:RBMNE:2026:4288
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere zaaknummer: 12195409 MV EXPL 26-53 RD/960 Kort geding vonnis van 11 juni 2026 inzake [eiser] , wonende in [woonplaats] , verder ook te noemen [eiser] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, procederend in persoon, tegen: [gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam] , wonende in [woonplaats] , verder ook te noemen [handelsnaam] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. B. Burger. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken: de dagvaarding van 12 mei 2026, met producties 1 tot en met 23, een akte houdende rectificatie, wijziging van gronden en inbreng producties met producties x en y van de zijde van [eiser] , de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 11 van [handelsnaam] . 1.2 De mondelinge behandeling is gehouden op 28 mei 2026 op de locatie van deze rechtbank in Lelystad. Op de mondelinge behandeling zijn verschenen: - [eiser] , - [gedaagde] met mr. Burger. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.3 Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 11 juni 2026 vonnis wordt gewezen. 2 Kern van het geschil 2.1 [gedaagde] runt onder de naam Kinderdagverblijf [handelsnaam] een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. [eiser] is op 1 juni 2024 bij [gedaagde] in dienst getreden als facilitair medewerker en coach. Tussen partijen is in geschil of [eiser] zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 31 december 2025. [eiser] meent van niet. Volgens hem heeft hij de uitvoering van zijn werkzaamheden slechts opgeschort. Hij maakt daarom op verbeurte van een dwangsom aanspraak op wedertewerkstelling en betaling van loon vanaf 1 januari 2026 met wettelijke verhoging en wettelijke rente. [handelsnaam] vindt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Volgens [handelsnaam] heeft [eiser] namelijk duidelijk en ondubbelzinnig opgezegd. 2.2 De kantonrechter is het met [handelsnaam] eens. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. In reconventie zal worden beslist dat [eiser] de sleutels van [handelsnaam] die hij nog in bezit heeft terug moet geven. Als hij dat niet doet, gaat een dwangsom lopen. 3 De beoordeling In conventie en in reconventie Wat moet de kantonrechter beoordelen? 3.1 In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waar een spoedeisend belang bij is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn. Partijen hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen 3.2 Volgens [eiser] heeft hij belang bij het verrichten van zijn werk en het ontvangen van salaris. Hij heeft het salaris nodig om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen. 3.3 De aanspraak op loon is naar zijn aard spoedeisend. De kantonrechter neemt dan ook een spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] aan. Dit geldt ook voor de vorderingen in reconventie. Na beëindiging van een arbeidsovereenkomst is het evident dat een werkgever sleutels en gegevens moet terug ontvangen. De maatstaf voor beoordeling van een opzegging door een werknemer 3.4 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet in het geval van een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer sprake zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Onder omstandigheden kan de werkgever een onderzoeksplicht hebben over de vraag of de wil van de werknemer daadwerkelijk op be Jullie hebben het al jarenlang zo zonder mij gedaan, dus succes verder. ” Daarna blijft het even stil tussen partijen en [eiser] liet zich niet meer op de werkvloer zien. 3.9 Vanaf 8 januari 2026 heeft [gedaagde] – tevergeefs - geprobeerd via een aantal lange SMS berichten in gesprek te komen met [eiser] . Ze schrijft herhaaldelijk “denk er even heel goed over na of dit de juiste beslissing is ” en geeft aan te willen komen tot een oplossing. Ze oppert ook oplossingen, bijvoorbeeld door voor te stellen aan [eiser] om thuis te werken. [eiser] reageert niet. 3.10 Nadat [gedaagde] van de GGD vernam dat [eiser] op 31 december 2025 ook aan de GGD heeft medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden voor [handelsnaam] neer heeft gelegd, besloot zij op 9 januari 2026 per SMS bericht aan [eiser] zijn opzegging per 31 december 2025 te bevestigen. [eiser] reageert op dit bericht onder andere met: “ Wens je veel succes ” en “ En van uit het oogpunt dat ik daar geen verandering in kan brengen heb ik mijn grenzen gesteld. ” 3.11 Als bijlage bij een e-mail van 10 januari 2026 stuurt [eiser] aan [gedaagde] een plan van aanpak toe. Dit betreffen voorwaarden waaronder hij wil terugkeren naar [handelsnaam] . Op 13 januari 2026 bericht [gedaagde] [eiser] dat ze zijn opzegging op 9 januari 2026 heeft bevestigd en het daarbij wil laten. [eiser] reageert hierop met: “ Per 31 december 2025 heb ik mijn werkzaamheden voor Kinderdagverblijf [handelsnaam] beëindigd. (….) Ik verzoek je om schrijftelijk te bevestigen: (…) 3. Wanneer de volledige eindafrekening plaatsvindt. Totdat hierover duidelijkheid bestaat, blijft de overdracht opgeschort.” 3.12 Op grond van het bovenstaande vindt de kantonrechter het aannemelijk dat [eiser] de arbeidsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd. Er was al langer onvrede bij [eiser] over de gang van zaken bij [handelsnaam] , zijn functie inhoud en loon. Vanaf 31 december 2025 is [eiser] niet meer op het werk verschenen en heeft hij meerdere keren duidelijk gemaakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen door mede te delen een eindafrekening te willen ontvangen en niets meer met [handelsnaam] te maken te willen hebben. Voor een gesprek met [gedaagde] stond hij niet open en hij ging ook niet in op haar aanbod om bijvoorbeeld vanuit huis werkzaamheden te verrichten. Anders dan [eiser] meent volgt uit zijn e-mail van 10 januari 2026 ook niet dat hij zijn werkzaamheden had opgeschort. Sterker nog; uit dat bericht blijkt dat hij alleen onder voorwaarden wilde terugkeren. Met die voorwaarden ging [handelsnaam] niet akkoord, waarna [eiser] nogmaals bevestigde te hebben opgezegd en dat hij een eindafrekening wenst te ontvangen. Gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen, de duidelijke communicatie vanuit [eiser] , de verstreken tijd en de meerdere berichten die [gedaagde] aan hem verstuurde om tot een oplossing te komen en hem te laten nadenken of de opzegging echt was wat hij wenste, kan ook niet gezegd worden dat op [handelsnaam] een verdere onderzoeksplicht rustte. [handelsnaam] mocht vertrouwen op de opzegging door [eiser] en hoefde er niet vanuit te gaan dat hij slechts zijn werkzaamheden wilde opschorten. 3.13 [eiser] heeft op de mondelinge behandeling voor het eerst het standpunt ingenomen dat hij zijn uitingen in een emotionele toestand heeft gedaan. Dit standpunt maakt het oordeel niet anders. [eiser] heeft zijn werk op 31 december 2025 neergelegd en daarna herhaaldelijk, bijna twee weken lang, in dezelfde trant zijn standpunt herhaald. In de tussentijd had [eiser] los van de emotie na kunnen en moeten denken over de gevolgen van zijn uitingen. Zeker omdat [gedaagde] [eiser] meerdere keren heeft gevraagd of dit echt was wat hij wilde. Ook heeft [gedaagde] lange tijd voor [eiser] de mogelijkheid opengehouden om het werk te hervatten. [eiser] heeft hier niet of afwijzend op gereageerd. 3.14 De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] gehouden kan worden aan zijn uitingen tegenover [gedaagde] van 31 dece