Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-09
ECLI:NL:RBMNE:2026:4280
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/5973 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland, de deken (gemachtigde: mr. H.W.M. van den Heiligenberg). Inleiding Eiser heeft de deken gevraagd om op grond van artikel 13 van de Advocatenwet een advocaat aan hem toe te wijzen. Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de deken dit verzoek toegewezen en mr. C.E. Stellingwerf van [bedrijf] in [plaats] aangewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter bij uitspaak van 26 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de deken het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De deken heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de deken. Beoordeling door de rechtbank 1. Op grond van artikel 13 van de Advocatenwet kan de rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan het verzoek alleen wegens gegronde redenen afwijzen. 2. Eiser heeft de deken verzocht om hem een letselschadeadvocaat toe te wijzen, omdat hij een civiele procedure wil starten tegen Huisartsenpraktijk [naam] wegens ernstige medische fouten met aantoonbare gezondheidsschade voor hem tot gevolg. De deken heeft het verzoek toegewezen. Op grond van artikel 13 van de Advocatenwet heeft de deken op 17 juli 2025 mr. C.E. Stellingwerf van [bedrijf] in [plaats] , aangewezen om eiser bijstand te verlenen in de betreffende zaak. 3. Op grond van het derde lid van artikel 13 van de Advocatenwet kan de belanghebbende binnen zes weken na bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, beklag doen bij het hof van discipline. 4. Eiser wijst er, onder verwijzing naar uitspraken van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2025 en 13 februari 2026 , allereerst op dat hij een aanvraag heeft ingediend in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat is op zichzelf correct maar het is niet het punt in deze zaak, want de deken is het daarmee eens. Eiser heeft een aanvraag ingediend waarop de deken een besluit moest nemen. 5. Dat heeft de deken ook gedaan. Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de deken aan eiser een advocaat toegewezen. Eiser stelt dat hij niet heeft gekregen wat hij heeft gevraagd. Hij heeft gevraagd om toewijzing van een advocaat om een letselschadeprocedure te starten tegen Huisartsenpraktijk [naam] . In het besluit is de toewijzing beperkt tot huisarts [A] . 6. De rechtbank ziet dat, net als de deken, anders. Het gaat er om dat er een advocaat wordt toegewezen die deskundig is op relevante rechtsgebied, in dit geval een advocaat met kennis van letselschade. De deken heeft een advocaat aangewezen van een advocatenkantoor dat zich heeft gespecialiseerd in letselschade. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. De deken heeft in het besluit weliswaar opgeschreven dat eiser een civiele procedure wil voeren tegen huisarts [A] , maar dit heeft in die zin geen betekenis dat dit niet bindend is voor de aangewezen advocaat. Het is aan de aangewezen advocaat om te bepalen hoe de belangen van eiser het beste zijn gediend. De aangewezen advocaat bepaal