Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-21
ECLI:NL:RBMNE:2026:424
RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: C/16/587445 / HL ZA 25-23 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van 1 PROVINCIE DRENTHE, te Assen,2. PROVINCIE FLEVOLAND , te Lelystad,3. PROVINCIE FRYSLÂN , te Leeuwarden,4. PROVINCIE GELDERLAND , te Arnhem,5. PROVINCIE GRONINGEN , te Groningen,6. PROVINCIE LIMBURG , te Maastricht,7. PROVINCIE NOORD-BRABANT , te 's-Hertogenbosch,8. PROVINCIE UTRECHT , te Utrecht,9. PROVINCIE ZEELAND , te Middelburg,10. PROVINCIE ZUID-HOLLAND , te Den Haag,11. PROVINCIE NOORD-HOLLAND , te Haarlem, eisende partijen, hierna samen te noemen: de Provincies, advocaat: mr. T.W. Franssen, tegen 1 [gedaagde sub 1] , te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2] B.V. , te [vestigingsplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , advocaat: mr. B.R.S. Goudkamp. 1 De procedure 1.1. De volgende stukken zitten in het procesdossier: - de dagvaarding van 14 januari 2025 met producties (1-34b), - de conclusie van antwoord met producties (1-14), - de nadere producties van de Provincies (35 en 36). 1.2. Op 6 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. Eerdere archeologische bedrijven van [gedaagde sub 1] hebben bij archeologische onderzoeken vondsten aangetroffen. De provincie op wiens grondgebied de archeologische vondst is gedaan is eigenaar van de vondst. Op de eerdere archeologische bedrijven van [gedaagde sub 1] rustte daarom de verplichting de vondsten over te dragen. Dat is niet gebeurd. Volgens de Provincies worden de vondsten nu op onrechtmatige wijze gehouden door [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] . 2.2. De Provincies vorderen daarom – samengevat – op grond van artikel 5:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot afgifte van deze vondsten en afgifte van alle bijbehorende documentatie, op straffe van een dwangsom. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] komen de vorderingen van de Provincies om meerdere redenen niet voor toewijzing in aanmerking. De Provincies krijgen gelijk. 3 De beoordeling Vooraf 3.1. De eerste vraag die gesteld kan worden in deze zaak is hoe het komt dat volgens de Provincies vondsten die aan haar toebehoren en die door eerdere bedrijven van [gedaagde sub 1] zijn aangetroffen bij opgravingen nu zouden liggen bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] . In dat kader wordt onder het kopje ‘inleiding’ uitgelegd wanneer en waarom opgravingen worden gedaan, welke rollen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] spelen in deze zaak en welke relevante gebeurtenissen zich hebben voorgedaan tussen de eerdere bedrijven van [gedaagde sub 1] en (een aantal van) de Provincies. 3.2. De tweede vraag die gesteld kan worden is waarom er nu precies een geschil is tussen de Provincies enerzijds en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] anderzijds. Want als er vondsten bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] liggen, waarom menen zij dan dat deze – alsmede de bijbehorende documentatie – niet hoeven te worden afgegeven aan de Provincies? De beantwoording van die vraag vergt een juridische beoordeling die plaatsvindt onder de kop ‘juridische beoordeling’. Inleiding 3.3. Voordat in Nederland gebouwd mag worden, moet zijn voldaan aan de voorwaarden die het college van burgemeester en wethouders aan een verleende omgevingsvergunning heeft verbonden. Die voorwaarden vinden hun grondslag in een omgevingsplan. Gelet op het grote maatschappelijke belang van een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed, is in een omgevingsplan bepaald dat een archeologisch onderzoek (een opgraving) moet plaatsvinden voordat bodemverstorende activiteiten (zoals bouwwerkzaamheden) mogen worden verricht. Hiervoor moet degene die de bodemverstorende activiteiten wil ver In een brief van 30 augustus 2021 meldt [gedaagde sub 1] zich namens [gedaagde sub 2] bij de Provincies. [gedaagde sub 2] schrijft dat [gedaagde sub 1] , althans [gedaagde sub 2] , nog veel informatie over opgravingen heeft, die tijdens het faillissement van [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. niet zijn overgedragen. Volgens [gedaagde sub 2] bezit zij ook archeologische vondsten van “onbetaalde projecten en vondsten die toevallig nog tevoorschijn gekomen zijn”. [gedaagde sub 2] vraagt om een overleg met de Provincies om tot overdracht van de archeologische vondsten te komen. [gedaagde sub 2] wil wel een financiële vergoeding van de Provincies ontvangen als compensatie van de schade die ontstaan is door de beslaglegging in september 2016 en de schending van een op de Provincies rustende zorgplicht. 3.10. Partijen hebben gesproken over de teruggave door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van archeologische vondsten en documentatie alsook over de financiële voorwaarden waaronder dit zou moeten gebeuren, maar er is geen overeenstemming bereikt. Juridische beoordeling 3.11. Hiervoor is toegelicht hoe het komt dat volgens de Provincies vondsten die aan haar toebehoren en die door eerdere bedrijven van [gedaagde sub 1] bij opgravingen zijn aangetroffen alsnog bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] zouden liggen. Daarom wordt nu toegekomen aan de bespreking van de tweede vraag die genoemd is onder 3.2.: waarom vinden [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] dat zij de vondsten met bijbehorende documentatie niet aan de Provincies hoeven te verstrekken? 3.12. [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] wijzen er allereerst op dat de Provincies niet precies stellen welke provincie eigenaar is van welke archeologische vondst. Om die reden kan volgens hen een revindicatievordering niet slagen. Daarbij vinden ze de vordering te onbepaald, omdat geen gedetailleerd overzicht is gegeven van de vondsten die zij willen verkrijgen. Vervolgens voeren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan dat de Provincies van de opgravingsdocumentatie geen eigenaar zijn en het auteursrecht zich tegen afgifte verzet. Tot slot menen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat de Provincies een zorgplicht hebben geschonden. De standpunten van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] baten haar niet. De Provincies zijn eigenaar van de zich bij [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] bevindende archeologische vondsten 3.13. De door de onder 3.4. genoemde archeologische bedrijven verrichte werkzaamheden zijn uitgevoerd in een periode dat de Monumentenwet 1988 nog geldend recht was. Op grond van artikel 50 aanhef en onder a van de Monumentenwet 1988 zijn de vondsten eigendom van de provincie waar zij zijn gevonden. De in artikel 50 Monumentenwet 1988 genoemde uitzonderingen, dat iemand anders het recht van eigendom kan bewijzen of dat het eigendom de gemeente of de Staat toekomt, zijn niet van toepassing. Partijen zijn het namelijk eens dat de vondsten geen eigendom van de gemeente of van de Staat zijn. Ook heeft niemand anders een recht van eigendom bewezen. Dit houdt in dat de vondsten in eigendom toebehoren aan de Provincies waar deze zijn gevonden. De Provincies zijn ook eigenaar van de opgravingsdocumentatie 3.14. De Provincies vorderen ook afgifte van alle analoge en digitale archeologische opgravingsdocumentatie die hoort bij de archeologische projecten die zijn uitgevoerd op het grondgebied van de Provincies. De rechtbank volgt de Provincies in het standpunt dat opgravingsdocumentatie die hoort bij een concrete opgraving (archeologische vondst) naar verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van die opgraving (artikel 3:3 BW). Opgravingsdocumentatie vormt namelijk een zo essentieel deel van de archeologische opgraving, dat zonder dit deel de opgraving niet aan haar economische of maatschappelijke bestemming kan beantwoorden. Zonder bijbehorende documentatie is de opgraving dus incompleet. Op de zitting hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf ook ges Ook hier geldt dat deze gegevens op de overzichtslijsten voldoende concreet zijn omschreven. 3.22. Daarbij komt dat de curator in 2016 ook in staat was om de door hem bij de gefailleerde vennootschappen [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. aangetroffen vondsten en documentatie aan de juiste provincie te geven, zonder dat de provincies eerst een opgave van vondsten en documentatie moesten doen. En ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat afgifte mogelijk is, mits de provincies daar een financiële vergoeding tegenover stellen. Dat de vondsten en documentatie nog niet zijn afgegeven lijkt dan ook meer te maken te hebben met het feit dat partijen nooit tot financiële overeenstemming zijn gekomen, dan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet wisten wat zij aan wie moesten afgeven. 3.23. De Provincies hoeven dus niet nader op te geven van welke concrete opgravingen zij afgifte van vondsten en documentatie willen. De problematiek van de niet-betalende opdrachtgevers verzet zich ook niet tegen afgifte van de archeologische vondsten en de daarmee samenhangende documentatie 3.24. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gemotiveerd en onweersproken gesteld dat bedrijven die in opdracht archeologische opgravingen doen vaak niet (volledig) door de opdrachtgever betaald krijgen, terwijl zij tegenover de gemeente of provincie wel verplicht zijn de archeologische vondsten en bijbehorende documentatie af te geven. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verwijten de Provincies dat zij hun zorgplicht hebben geschonden door onvoldoende druk uit te oefenen op de opdrachtgevers om alsnog tot betaling van de verrichte werkzaamheden over te gaan. 3.25. Anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] menen, valt het niet betaald krijgen voor verrichte werkzaamheden onder het ondernemingsrisico van de opgravingsbedrijven. De archeologische bedrijven [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. hadden bij hun opdrachtgever financiële zekerheden kunnen inbouwen of uitvoering van haar contractuele verplichtingen kunnen opschorten totdat (volledige) betaling zou volgen. Dit hebben zij niet gedaan. 3.26. Volgens [gedaagde sub 1] namen en nemen de opgravingsbedrijven uiteindelijk de betalingsrisico’s voor lief omdat zij zich anders uit de markt plaatsen. Deze toelichting van [gedaagde sub 1] komt neer op een bewust genomen bedrijfsrisico dat niet bij de Provincies neergelegd kan worden. Er gold dus ook geen zorgplicht van de Provincies om te bewerkstelligen dat [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. betaald zouden krijgen voor hun werk. Ook geldt er geen zorgplicht voor de Provincies voor betalingen aan [gedaagde sub 2] . Het staat [gedaagde sub 2] bovendien nog steeds vrij om de aan haar gecedeerde vorderingen van [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. zelf te proberen te incasseren. Volgens [gedaagde sub 1] gaat het om ongeveer € 200.000,-- aan onbetaald gebleven facturen. [gedaagde sub 1] stelt een aantal keren via een gerechtelijke procedure geprobeerd te hebben betaling van de facturen te krijgen, maar dat je niet altijd weet wat de uitkomst van zo’n procedure zal zijn. Dat kan zo worden gevoeld, maar ook dat verzet zich niet tegen afgifte van de archeologische vondsten en documentatie. Ook de tegen [gedaagde sub 1] ingestelde vordering tot afgifte van de archeologische vondsten en documentatie is toewijsbaar 3.27. [gedaagde sub 1] voert nog een zelfstandig verweer, namelijk dat de vorderingen van de Provincies tegenover hem niet toewijsbaar zijn omdat hij nooit als privépersoon gehandeld heeft. [gedaagde sub 1] stelt dat hij altijd heeft gehandeld namens de vennootschappen. De rechtbank verwerpt het verweer. 3.28. De Provincies hebben namelijk op de zitting onweersproken gesteld dat [gedaagde sub 1] als bestuurder, aandeelhouder en/of vennoot steeds (in)direct betrokken was bij [onderneming 3] , [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V. De boedel van de gefailleerde vennootschap [on