Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-05
ECLI:NL:RBMNE:2026:401
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/4699 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. S. Heijnen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder (gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het Uwv van 30 mei 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken, omdat het Uwv op 20 januari 2026 dit besluit heeft vervangen door een gewijzigd besluit. 1.1 De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld akkoord te zijn met een veroordeling in de kosten met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003. 1.2 De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling gedeeltelijk toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld? 3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Is het Uwv aan verzoekster tegemoetgekomen? 4. De rechtbank moet dus beoordelen of het Uwv geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. 5. Op 8 juli 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van 30 mei 2024 waarin het bezwaar van verzoekster ongegrond is verklaard. Het Uwv heeft op 20 januari 2026 besloten dat verzoekster vanaf 9 november 2022 recht heeft op een uitkering volgens de Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Hiermee is het Uwv tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoekster vergoeden? 6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. 7. Verzoekster vraagt om een vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en kosten voor de door haar ingeschakelde deskundige. 8. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor 1). 9. Wat betreft het verzoek tot vergoeding van de kosten van de deskundige overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster in redelijkheid een deskundige ingeschakeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat verzoekster de medische beoordeling van het Uwv alleen kan aanvechten door zelf medische informatie in te brengen. Dat heeft verzoekster met het rapport van verzekeringsarts [A] gedaan. Verzoekster heeft een gespecificeerde factuur ter hoogte van € 3.926,27 (€ 3.244,85 en € 681,42 BTW) en een gespecificeerde factuur ter hoogte van € 971,15 (€ 802,66 en € 168,55 BTW) overgelegd. Uit de overgelegde facturen volgt dat in totaal 20,5 uur aan werkzaamheden wordt gedeclareerd tegen een uurtarief van gemiddeld € 197,-. 10. De te vergoeden kosten voor de werkzaamheden uit de hiervoor genoemde facturen stelt de rechtbank vast aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in