Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-14
ECLI:NL:RBMNE:2026:39
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/002214-25 en 05/046632-23 (t.t.z. gevoegd) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 14 januari 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [1999] in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 december 2025. Met instemming van partijen is het onderzoek (enkelvoudig) gesloten op 14 januari 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. R.E. Craenen; de advocaat van de verdachte: mr. J. Visscher (hierna: de advocaat); de benadeelde partij: [aangever] , met haar gemachtigde [A] ; de gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , [B] van Slachtofferhulp Nederland; de gemachtigde van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , mr. L. van Sommeren. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: Parketnummer 16/002214-25 feit 1 op 3 januari 2025 in Soesterberg een vuurwapen voorhanden heeft gehad; feit 2 op 3 januari 2025 in Soesterberg een politieagent heeft bedreigd door tegen hem te zeggen: "Ik wil je moeder in stukken snijden"; feit 3 op 3 januari 2025 in Soesterberg zich met geweld heeft verzet tegen zijn staandehouding, door een ambtenaar van de Koninklijke Marchaussee om haar middel te vast te pakken en slaande/stompende bewegingen te maken in haar ribben, met als gevolg schaafwonden en zwelling bij de ribbenkast; feit 4 op 22 november 2024 in Amersfoort [slachtoffer 1] heeft bedreigd door tegen haar te zeggen: "Ik zal bij je voor de deur staan en een paar kogels door je hoofd blazen. Ik zal je huis opblazen; feit 5 primair op 30 september 2024 in Amersfoort heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn vingernagel in het oog van die [slachtoffer 1] te steken en wroeten en boren; subsidiair ten laste gelegd als mishandeling door met een vlakke hand te slaan op het bovenbeen en met zijn vingernagel in het oog van [slachtoffer 1] te steken en te wroeten en te boren; Parketnummer 05/046632-23 op 15 februari 2023 in Berg en Dal zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door haar te duwen, waarbij haar arm tussen een deur is gekomen en haar op haar hoofd en/of schouder of lichaam te slaan, te stompen en te krabben. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 3, 4, en 5 van parketnummer 16/002214-25 en het feit onder parketnummer 05/046632-23 heeft gepleegd. Hij vindt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 van parketnummer 16/002214-25, omdat niet kan worden bewezen dat de verbalisant in Soesterberg is bedreigd. Hij merkt op dat hij een wijziging van de tenlastelegging op de zitting in deze zaak niet passend vindt. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 2, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/002214-25. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 05/046632-23 heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, voor zover het geweld ziet op het slaan tegen de schouder en het lichaam. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Gedeeltelijke vrijspraak De rechtbank oordeelt dat feit 2 van parketnummer 16/002214-25 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie. De rechtbank stelt vast dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat Een proces-verbaal van het uitluisteren van de spraakberichten door de politie, voor zover inhoudende: Op 23 november 2024 ontving ik als wijkagent van [slachtoffer 1] een spraakbericht. Dit spraakbericht had zij ontvangen op vrijdag 22 november 2024 om 23.00 uur. Het spraakbericht bevatte meerdere bedreigingen van een man naar [slachtoffer 1] toe. Volgens [slachtoffer 1] was de man die het spraakbericht had gestuurd en ingesproken, [verdachte] , haar soort van exvriend. Ik, verbalisant, hoorde het volgende gesproken worden in het spraakbericht: "Roep maar met jouw ogen. Het wordt nog veel meer dan jouw oog, met je je kent niemand. Ik hoef ook niemand te kennen. Ik weet dat zelfs jouw ouders je uitspugen stuk achterlijk kanker stuk vreten. Over, tegen wie praat jij zo. Sterker nog als dat wil sta ik straks voor jou deur en blaas ik straks een paar kogels door jouw hoofd en door jouw raam. Ja? Mongol. Al je wil blaas ik straks je hele kankerhuis op met die Somaliëaan die mij besch.. die mij aan het bedreigen was toch van ik schiet jou door je hoofd. Wollah [slachtoffer 1] je moet blij zijn dat ik nog geen boete op jouw kankermoeder heb gegooid, of dat ik jou niet in de kofferbak heb gegooid zodat jij je lichaam kan verkopen enzo. Ewa betaal mijn kankergeld want het begint nu echt tik tak te worden [slachtoffer 1] . Wollah en die grote bek van je ga ik echt afleren als het zo door gaat." Op 27 november 2024 begaf ik mij naar de woning van de moeder van [verdachte] . Mij was bekend dat hij hier veel verbleef en derhalve gingen we hiernaartoe in de hoop het pandverbod te kunnen uitreiken. Ik zei hem dat wij hier waren om iets af te geven namelijk een pandverbod. Ik toonde hem het pandverbod. Ik vroeg of hij wilde tekenen voor ontvangst. Op het moment dat ik [verdachte] zijn stem hoorde toen hij begon te praten, herkende ik zijn stem als dezelfde stem welke ik op de naar [slachtoffer 1] verzonden spraakberichten had gehoord. Ik herkende zijn stem aan de intonatie, zijn enigszins onvriendelijk klinkende geluid en daarbij het Marokkaanse accent wat goed te horen is in zijn stem. Zijn stem herkende ik voor 100% als dezelfde stem welke ik had gehoord op de spraakberichten. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. 3.3.3 Bewijsoverwegingen Ten aanzien van feit 3 (parketnummer 16/002214-25) De advocaat heeft vrijspraak bepleit van het feit, omdat geen sprake is geweest van verzet tegen aanhouding met geweld (wederspannigheid). Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank – net als de officier van justitie – geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangeefster, die ambtenaar is bij de Koninklijke Marchaussee. Het verweer wordt door het bewijsmiddel weerlegd. De rechtbank acht het feit daarom wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 4 en 5 (parketnummer 16/002214-25) De rechtbank acht de bedreiging (feit 4) wettig en overtuigend bewezen. Uit de eerdergenoemde bewijsmiddelen volgt dat de politie spraakberichten heeft uitgeluisterd, waarop de bedreigingen, waar de verdachte van wordt beschuldigd, zijn te horen. De politie herkent de stem van de verdachte in deze spraakberichten, omdat zij de verdachte uiteindelijk ook zelf spreken. Uit de aangifte volgt op welke datum deze bedreiging (ongeveer) heeft plaatsgevonden. Anders dan de raadsman, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de spraakberichten op of omstreeks 22 november 2024 heeft verstuurd. De wijkagent heeft namelijk verklaard dat hij op 23 november 2024 de spraakberichten van de aangeefster heeft ontvangen en dat hij van de aangeefster heeft gehoord dat de berichten een dag daarvoor waren verzonden. De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om aangeefster zwaar te mishandelen (feit 5). Uit de aangifte volgt dat de verdachte de aangeefster met zijn vinger in haar oog prikte en met zijn vinger in h 6 Straf en maatregel 6.1 Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 400 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 127 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering (meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling , begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, schuldhulpverlening en middelencontrole). De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn). De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte een contactverbod wordt opgelegd met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaar, te vervangen door twee weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is). 6.2 Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om bij een strafoplegging te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur die de verdachte in voorarrest heeft gezeten en een eventuele straf daarnaast voorwaardelijk op te leggen. Het is van belang dat verdachte niet opnieuw vast komt te zitten. Hij probeert zijn leven op te bouwen en dit wordt doorkruist als hij gedetineerd raakt. De advocaat verzoekt om bij het opleggen van bijzondere voorwaarden enkel een meldplicht en de opname in een kliniek op te leggen. De inhoud van de andere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd komt volgens hem ook tijdens deze twee voorwaarden aan bod. 6.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 400 dagen, waarvan 127 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel van die straf koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering. Anders dan de raadsman is de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van oordeel dat alle geadviseerde voorwaarden nodig zijn om te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen. Daarnaast legt de rechtbank een 38v-maatregel op in de vorm van een contactverbod met twee aangevers. Bij het bepalen van deze straf en de maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe. De ernst en de omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld. Later heeft hij geprobeerd om een andere vrouw, met wie hij ook een relatie heeft gehad, zwaar te mishandelen. Ook heeft hij haar daarna via spraakberichten bedreigd. De verdachte neemt slechts deels verantwoordelijkheid voor zijn handelen en legt de verantwoordelijkheid ook bij de vrouwen zelf, die hem ook zouden hebben mishandeld. Uit de aangiftes volgt wat de impact van het handelen van de verdachte is geweest op deze vrouwen: het heeft geleid tot gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid. De rechtbank rekent dit de verdachte aan en vindt het zorgelijk dat uit één van de aangiftes lijkt te volgen dat de mishandelingen vaker hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft de verdachte zich met geweld verzet tegen zijn staandehouding door een lid van de Koninklijke Marechaussee, waardoor deze ambtenaar letsel heeft opgelopen. Hiermee heeft hij het gezag van deze ambtenaar ondermijnd en heeft hij haar belet in het uitoefenen van haar werk. Tot slot is hierna een vuurwapen bij de verdachte aangetroffen. In zijn algemeenheid geldt dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens een risico meebrengt voor de veiligheid van personen, waarbij (willekeurige) slachtoffers kunnen vallen. De pers 8.1.3 Standpunt van de verdediging De advocaat stelt zich op het standpunt dat de schade aanzienlijk moet worden gematigd en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de precieze hoogte daarvan. Er moet volgens hem onderscheid worden gemaakt tussen het letsel aan de knie en het letsel aan de ribben. Van het letsel aan de ribben is geen medische informatie beschikbaar. Het letsel aan de knie is een gevolg van een ongelukkige aanhouding en niet van wederspannigheid, waardoor de schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. 8.1.4 Oordeel van de rechtbank Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. Parketnummer 16/002214-25 (feit 4 en feit 5) 8.2.1: Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 8.2.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,-. 8.2.3 Standpunt van de verdediging De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair stelt hij dat de kosten aanzienlijk moeten worden gematigd en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de precieze hoogte hiervan. Hij merkt op dat de schade aan het oog niet medisch objectiveerbaar vastgesteld. 8.2.4 Oordeel van de rechtbank Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 800,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. Parketnummer 05/046632-23 8.3.1 vordering van de benadeelde partij [slachtoffer De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen. 9 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 181, 285, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13a van de Opiumwet; artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16-002214-25 en het feit van parketnummer 05-046632-23 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het onder de feiten 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16-002214-25 en het feit van parketnummer 05-046632-23 bewezenverklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 400 dagen ; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht ; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 127 dagen , niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte gedurende de proeftijd: zich blijft melden bij Inforsa reclassering op het adres Utrechtseweg 11-13, 3811NA te Amersfoort. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.; zich laat zich opnemen in Forensische Verslavingskliniek Basalt of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo spoedig mogelijk. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing; zich laat behandelen door Forensische Ambulante Zorg Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrisc - beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; 38v-maatregel - legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf (5) jaren, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [slachtoffer 1] , geboren op [1999] ; [slachtoffer 2] , geboren op [2002] ; - beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; - beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 14 dagen hechtenis, met een maximum van 6 maanden; beslag (parketnummer 16-002214-25, feit 1 en feit 3) - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 1 STK Revolver (G3461911) 1 STK Munitie (G3461920) 1 STK Verdovende Middelen (G3461951); vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] (parketnummer 16/002214-25, feit 3) wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade; veroordeelt de verdachte tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van volledige betaling; verklaart [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 5 dagen gijzeling; bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 16/002214-2, feit 4 en feit 5) wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 800,-, bestaande uit immateriële schade; veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2024 tot de dag van volledige betaling; verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 800,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 8 dagen gijzeling; bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 05/046632-23) wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 800,-. bestaande uit immateriële schade; veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2023 tot de dag van volledige betaling; verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft de gevorderde materiële kosten voor het eigen risico (voor een bedrag van €770,-) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; wijst de vordering van [slach