Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-01
ECLI:NL:RBMNE:2026:3815
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar af. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 29 appartementen met een ontmoetingsruimte in Urk. Verzoeker woont tegenover het perceel en heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Omdat vergunninghouder is begonnen met de bouwwerkzaamheden, heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om de omgevingsvergunning te schorsen. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat niet is gebleken dat aan het bestreden besluit zodanige gebreken kleven dat de verleende omgevingsvergunning geen stand zou kunnen houden in bezwaar. Het belang van vergunninghouder weegt volgens de voorzieningenrechter tegen die achtergrond zwaarder dan de belangen van verzoeker voor het treffen van een voorlopige voorziening. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/5537 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr. C.R. Post) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Urk (het college) , verweerder (gemachtigde: E. den Nederlanden-Verhoeven). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. (vergunninghouder), uit [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. T. Rijs). Inleiding 1.1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend met het besluit van 13 februari 2026 voor het bouwen van 29 appartementen met een ontmoetingsruimte op het perceel [perceel] in [plaats] (het perceel). 1.2. Verzoeker woont tegenover het perceel aan de [adres] . Hij heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. 1.3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen en daarbij te bepalen dat alle bouwwerkzaamheden per direct worden gestaakt en gestaakt gehouden. 1.4. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd op het verzoek. 1.5. Het verzoek is op 27 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college, bijgestaan door [A] , en namens vergunninghouder haar gemachtigde en [B] . Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 2. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter stelt vast dat de werkzaamheden al zijn gestart. Gelet hierop wordt een spoedeisend belang aangenomen. Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging 3. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zo gebrekkig is dat dit in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak daarom eerst een voorlopig oordeel over de kans van slagen van het bezwaarschrift en daarmee over de vraag of de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend of niet. Daarna zal zij beoordelen of de belangen van verzoeker om de omgevingsvergunning te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en de vergunninghouder om de omgevingsvergunning in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker. 4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet. 5. Op het perceel is het Omgevingsplan Urk (het Omgevingsplan) van toepassing. Op dit moment bevat het Omgevingsplan op grond van artikel 22.1 van de Omgevingswet (Ow) een ‘tijdelijk deel’. Hiervan maakt het bestemmingsplan ‘Oranjewijk’ (het bestemmingsplan) van rechtswege deel uit. 6. Op grond van het bestemmingsplan geldt op het perceel de bestemming “Wonen – Gestapeld”. Volgens de bouwregels in artikel 9.2, onder c, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 12 meter. Het bouwplan heeft een bouwhoogte van 12,602 / 12,772 meter. Het college heeft middels artikel 15 van het bestemmingsplan (de 10% regeling) hiervan afgeweken. Toepassing 10% regeling 7. Verzoeker voert aan dat het college ten onrechte de afwijkingsbevoegdheid van artikel 15 heeft toegepast voor de overschrijding van de toegestane bouwhoogte. 8. Op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan is het college bevoegd om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de regels van het plan ten behoeve van het aanbrengen van wijzigingen van maximaal 10% in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen, voor zover niet zijnde bestemmingsgrenzen, mits het wijzigingen betreft ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan, waarbij belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden in de verbeelding. In artikel 1.14 is ‘bouwgrens’ gedefinieerd als: de grens van een bouwvlak. 9. De voorzieningenrechter stelt vast dat de afwijking ten aanzien van de bouwhoogte geen betrekking heeft op het bouwvlak. Van de bouwhoogte kan niet met toepassing van artikel 15 worden afgeweken. Dit betekent dat voor realisering van het bouwplan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Het bestreden besluit is dus niet op de juiste wijze tot stand gekomen. Dit gebrek kan in de bezwaarprocedure nog worden hersteld. Daarbij is op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dan wel van belang dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De voorzieningenrechter zal daarom hierna bezien in hoeverre het aannemelijk is dat sprake is van een ETFAL. ETFAL 10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de afwijking ten opzichte van wat het bestemmingsplan toelaat, alleen ziet op een overschrijding van de toegestane bouwhoogte van 12 meter met circa 60 tot 77 centimeter. Bij de vraag of sprake is van een ETFAL moet ervan worden uitgegaan dat de toegestane bouwhoogte daaraan voldoet. Een ETFAL-toets heeft dus alleen betrekking op de extra centimeters. 11. Verzoeker heeft specifiek gewezen op de schaduwwerking van het bouwplan en de verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de overschrijding van de toegestane bouwhoogte met circa 60 tot 77 centimeter niet zal leiden tot een zodanige toename van schaduwwerking op het perceel van verzoeker, dat geen sprake meer is van een ETFAL. Dit blijkt ook uit het verrichte bezonningsonderzoek. 12. Wat betreft de verkeersveiligheid heeft verzoeker erop gewezen dat er een voetpad verdwijnt ten behoeve van de in het openbaar gebied aan te leggen parkeerplaatsen. Het college heeft echter toegelicht dat dit inderdaad bij het oorspronkelijke bouwplan zo was, maar dat het bouwplan in verband hiermee is aangepast. Daardoor wordt het voetpad behouden. 13. Verder heeft verzoeker naar voren gebracht dat er door het bouwplan sprake zal zijn van een toename van auto’s die via de aan te leggen uitrit het perceel zullen verlaten. Zijn kleinkinderen lopen daar op weg naar school. De voorzieningenrechter overweegt daarover dat de bouw van een appartementencomplex tot een hoogte van 12 meter is toegestaan. De voorzieningenrechter ziet niet hoe de circa 60 tot 77 centimeter extra hoogte tot een relevante toename van de verkeersbewegingen zullen gaan leiden. 14. Verzoeker heeft op de zitting, onder verwijzing naar de ‘Lijst bindend advies gemeenteraad bij omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (de lijst) nog aangevoerd dat in dit geval advies van de gemeenteraad verplicht is, omdat sprake is van toevoeging van meer dan 10 woningen. De voorzieningenrechter is het daar niet mee eens. In dit geval is weliswaar sprake van het realiseren van meer dan 10 woningen, maar dat is niet hetzelfde als het toevoegen van 10 woningen, zoals opgenomen op de lijst. De voorzieningenrechter begrijpt deze omschrijving zo, dat het gaat om een toevoeging van woningen ten opzichte van wat het bestemmingsplan toelaat. Een andere uitleg (namelijk dat het gaat om een feitelijke toename met meer dan 10 woningen) zou niet logisch zijn, aangezien de raad met de vaststelling van het bestemmingsplan al een standpunt heeft ingenomen over de ruimtelijke inpasbaarheid van een onbepaald aantal gestapelde woningen op het perceel. Het bouwplan valt daarom niet onder de gevallen die op de lijst staan. Verzoeker heeft op de zitting nog aan de orde gesteld dat de overgelegde lijst van 11 december 2025 is en dus niet van toepassing was ten tijde van de aanvraag (3 december 2025). De voorzieningenrechter overweegt hierover dat de voorgaande lijst (vastgesteld op 9 juni 2021) eveneens de bepaling bevatte dat voor de toevoeging van meer dan 10 woningen het adviesrecht geldt. Parkeren 15. Verzoeker voert aan dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat in de parkeerbehoefte op eigen terrein wordt voorzien. Dit omdat 5 van de 41 parkeerplaatsen in het openbaar gebied zijn gepland. Ook is de realisatie van die 5 parkeerplaatsen niet juridisch en planologisch geborgd. Het college had gelet op artikel 2.1 van de Notitie parkeernormen Urk 2014 de omgevingsvergunning in beginsel moeten weigeren. Verder moet bij de aanvraag vaststaan dat realisering van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In het aanvraagformulier staat echter dat wel aan dat vereiste wordt voldaan. 16. Op het perceel is het bestemmingsplan Parapluherziening Parkeernormen Urk (de Parapluherziening) van toepassing. Op grond van artikel 4.2 van de Parapluherziening moet voor het bouwplan bij de aanvraag worden aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze hiervoor is opgenomen in de Notitie Parkeernormen Urk 2014 (1e herziening) (de Notitie). Uit artikel 2.1 van de Notitie volgt dat parkeren op eigen terrein moet worden opgelost. Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden om te voorzien in de eigen parkeerbehoefte op eigen terrein wordt een omgevingsvergunning in beginsel geweigerd. In artikel 5.1 van de Notitie is verder bepaald dat afwijken van de plicht om op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte te voorzien pas aan de orde is indien het naar oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs fysiek onmogelijk of uit stedenbouwkundig, esthetisch, historisch, monumentaal of verkeersveiligheidsoogpunt niet aanvaardbaar is om op eigen terrein in de nodige parkeer- of stallingsruimte te voorzien. Als er goede redenen zijn om niet op eigen terrein (extra) parkeergelegenheid aan te leggen dan bestaan er andere mogelijkheden om vergunning te verlenen, namelijk als er op een andere wijze in de (toename) van de parkeerbehoefte wordt voorzien of als er sprake is van bijzondere omstandigheden. 17. Ten behoeve van het bouwplan zijn 41 parkeerplaatsen nodig. 36 daarvan worden op eigen terrein gerealiseerd. 5 parkeerplaatsen worden in het aangrenzend openbaar gebied aangelegd. 18. Uit de toelichting van het college en vergunninghouder op de zitting blijkt dat het bij het indienen van de aanvraag de bedoeling was dat vergunninghouder van de gemeente een groter stuk grond zou kopen. Ook de grond waarop nu de 5 parkeerplaatsen in openbaar gebied zijn gepland, zou aan vergunninghouder worden verkocht. Zo zou vergunninghouder kunnen voldoen aan het vereiste aantal parkeerplaatsen van 41 op eigen terrein. Vervolgens heeft het college met vergunninghouder afgesproken dat de extra grond in eigendom van de gemeente blijft en dat de gemeente – op kosten van vergunninghouder – daar 5 parkeerplaatsen zal aanleggen. De reden daarvoor is dat dit leidt tot een verkeersveiligere situatie doordat het voetpad behouden kan blijven en dat ook anderen dan bezoekers en bewoners van het appartementencomplex van die parkeerplaatsen gebruik kunnen maken. Gaandeweg het besluitvormingstraject is de situatie dus gewijzigd, waardoor niet langer sprake was van het kunnen realiseren van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein. Anders dan verzoeker meent, stond daarmee bij de aanvraag vast dat niet aan de parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden voldaan. De aanvraag is namelijk niet alleen het ingediende aanvraagformulier, maar ook alle (latere) bijbehorende documenten en aanvullingen. Er was dus voldaan aan de voorwaarde van artikel 4.2 van de Parapluherziening. Op grond van artikel 5.1 van de Notitie is het vervolgens mogelijk om af te wijken van de verplichting van parkeren op eigen terrein onder meer in het geval dat dit redelijkerwijs fysiek onmogelijk is of dat dit uit verkeersveiligheidsoogpunt niet aanvaardbaar is. De voorzieningenrechter is, gelet op de toelichting van het college, vooralsnog van oordeel dat één of meer van deze uitzonderingssituaties zich voordoen. Het college heeft al gewezen op de verkeersveiligheid. Maar daarnaast is het ook de vraag of meer parkeerplaatsen op eigen terrein wel fysiek realiseerbaar zijn nu de grond voor 5 parkeerplaatsen door de gemeente niet is verkocht aan vergunninghouder. Dit punt moet het college in het besluit op bezwaar wel beter motiveren. 19. Ten aanzien van de borging van de aanleg van de 5 parkeerplaatsen in openbaar gebied overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Door het college en vergunninghouder is op de zitting toegelicht dat in de koopovereenkomst betreffende de grond is opgenomen dat de gemeente binnen drie maanden na oplevering de parkeerplaatsen moet realiseren. De voorzieningenrechter stelt vast dat vergunninghouder op grond hiervan de gemeente er zo nodig aan kan houden dat de parkeerplaatsen worden aangelegd. Verzoeker is bij deze overeenkomst geen partij, maar kan het college wel verzoeken om handhavend op te treden tegen vergunninghouder, wanneer de parkeerplaatsen niet worden aangelegd. Daarmee is de realisatie van in totaal 41 parkeerplaatsen voldoende geborgd. Participatie 20. Verzoeker vindt dat hij ten onrechte niet betrokken is bij het participatietraject. Zo is hij niet uitgenodigd voor het gesprek van 13 januari 2026 met omwonenden. 21. Op grond van de Ow en de Omgevingsregeling heeft de aanvrager van een omgevingsvergunning de verplichting om bij de aanvraag kenbaar te maken of participatie heeft plaatsgevonden en, zo ja, op welke wijze en met welk resultaat. Vergunninghouder heeft aan dat vereiste voldaan door in het aanvraagformulier in te vullen dat zij contact heeft gehad met anderen voor wie haar plannen gevolgen hebben. De Ow stelt geen inhoudelijke eisen aan (de vorm van) participatie. 22. De gemeente Urk heeft op 9 juni 2022, gekoppeld aan de onder 14 genoemde lijst, de ‘Lijst verplichte participatie bij omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ vastgesteld. Op grond daarvan is participatie verplicht bij toevoeging van een of meer woningen binnen de bebouwde kom. De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 14, van oordeel dat het ook hier moet gaan om een toevoeging van een woning ten opzichte van wat op grond van het bestemmingsplan al was toegestaan. In dit geval bestaat er dus geen verplichting tot participatie. 23. Verder heeft de gemeente Urk de Participatievisie Urk 2023 opgesteld. Uit de bijbehorende Memo Participatievisie (de Memo) volgt dat het enkel de bedoeling van de Participatievisie is om in gevallen waarin participatie niet verplicht is, de initiatiefnemer te stimuleren om over participatie na te denken. Wel ziet de gemeente daarbij, afhankelijk van de impact van het initiatief, ook een rol voor zichzelf weggelegd. Het resultaat van het participatieproces vormt namelijk een onderdeel van de uiteindelijke belangenafweging, zo staat in de Memo. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college, nu sprake is van een buitenplanse omgevingsactiviteit, in het kader van de benodigde belangenafweging het participatietraject moet betrekken. Het college kan dat alsnog doen in de beslissing op bezwaar. 24. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog niet is gebleken dat aan het bestreden besluit zodanige gebreken kleven dat de verleende omgevingsvergunning geen stand zou kunnen houden in bezwaar.