Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:3701
APV - bakfietsoverkapping - voorwerp in de zin van 2:15 APV - beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/3360 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien), en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede (gemachtigden: L.C.G. Broos en A.A. van Ginkel). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] . Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiseres door het college. Met het handhavingsverzoek beoogt eiseres dat de bakfietsoverkapping van [derde belanghebbende] wordt verwijderd of een anderszins passende maatregel wordt getroffen ten behoeve van de verkeersveiligheid. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van het verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen . Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 31 oktober 2024 een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft het verzoek met het besluit van 21 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift. Het college heeft schriftelijk gereageerd op de reactie van eiseres. De derde belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het beroepschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. Het handhavingsverzoek van eiseres is gericht tegen de bakfietsoverkapping die haar buurman, [derde belanghebbende] , heeft gebouwd op zijn oprit. Eiseres vindt dat de bakfietsoverkapping zorgt voor een verkeersonveilige situatie waartegen het college handhavend moet optreden wegens overtreding van artikel 2:15 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Wijk bij Duurstede (APV). Eiseres maakt zich vooral zorgen over het risico van een aanrijding als zij met haar auto vanaf haar oprit de weg verlaat. Eiseres stelt namelijk dat de bakfietsoverkapping het zicht op de weg vanaf haar oprit belemmert. Het college heeft op 31 juli 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de bakfietsoverkapping. Eiseres heeft geen bezwaar aangetekend tegen de omgevingsvergunning. Tussen partijen is niet in geschil dat de bakfietsoverkapping is gebouwd volgens de vergunningvoorschriften. Het bestreden besluit 4. Het college heeft de afwijzing van het handhavingsverzoek in het bestreden besluit gehandhaafd met de motivering dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 2:15 van de APV. De bakfietsoverkapping is namelijk geen voorwerp in de zin van artikel 2:15. Daarnaast staat in het bestreden besluit dat artikel 2:15 niet van toepassing is wanneer iemand zich niet op de openbare weg, maar op de eigen oprit bevindt. Het juridisch kader 5. In artikel 2:15 van de APV staat dat het verboden is om beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Is de bakfietsoverkapping een voorwerp in de zin van artikel 2:15 van de APV? 6. Eiseres voert aan dat de bakfietsoverkapping wel degelijk een voorwerp is. Eiseres beroept zich daarbij op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) waarin de ABRvS heeft geoordeeld dat een haag moet worden aangemerkt als voorwerp in de zin van de APV, en een uitspraak van de ABRvS waarin is geoordeeld dat een loskade op het water moet worden gezien als voorwerp. Verder noemt eiseres een uitspraak uit 1993 van de toenmalige Afdeling Rechtspraak Raad van State (ARRS) die wordt aangehaald in de toelichting op de modelverordening APV van de Vereniging Nederlandse Gemeenten . Volgens eiseres zou de ARRS in deze uitspraak hebben geoordeeld dat een lattenscherm kan worden aangemerkt als voorwerp. Eiseres concludeert uit de aangehaalde jurisprudentie dat ook objecten die met de grond zijn verbonden kunnen worden gezien als voorwerp in de zin van de APV. 7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de toepassing van artikel 2:15 van de APV is vereist dat sprake is van een voorwerp of beplanting. In de APV wordt niet gedefinieerd wat een voorwerp is. De APV geeft in artikel 1:1 wel een definitie van een bouwwerk. Tussen partijen is niet in geschil dat de bakfietsoverkapping een bouwwerk is. Naar normaal spraakgebruik zijn een voorwerp en een bouwwerk twee verschillende dingen. Verder kan zowel uit de tekst van de APV als uit de toelichting op de modelverordening APV worden afgeleid dat de regelgever bouwwerken en voorwerpen als verschillende typen objecten ziet. Zo worden de termen voorwerp en bouwwerk in artikel 2:21, eerste lid van de APV in één zin benoemd als twee verschillende typen objecten. Daarnaast geeft de toelichting op de modelverordening APV een aantal voorbeelden van voorwerpen, zoals een vuilcontainer, een bloembak of een bouwsteiger. Dit zijn verplaatsbare objecten die niet aan de grond zijn verbonden en dus objecten die niet onder de definitie van bouwwerk vallen. 7.1. De rechtbank overweegt verder dat de regelgever er expliciet voor heeft gekozen om de term bouwwerk niet op te nemen in artikel 2:15 van de APV. Als de regelgever had beoogd om artikel 2:15 van de APV ook te laten gelden voor bouwwerken, had hij er wel voor gekozen om die term expliciet op te nemen in het artikel. De term bouwwerk komt immers op andere plaatsen in de APV wel terug. 7.2. De rechtbank overweegt tot slot dat het college op zitting heeft toegelicht dat het effect van bouwwerken op de verkeersveiligheid al wordt betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning wordt vervolgens op grond van het bestemmingsplan toegekend of afgewezen. Uit de systematiek van de lokale regelgeving volgt dus logischerwijs dat artikel 2:15 van de APV, dat immers ziet op de verkeersveiligheid, niet gaat over bouwwerken. 7.3. De door eiseres aangevoerde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. In twee van de genoemde uitspraken gaat het om objecten die niet zijn aangemerkt als bouwwerk, namelijk een haag en een lattenscherm. De aangevoerde jurisprudentie over de loskade is niet van toepassing op deze zaak aangezien het in die zaak gaat over een geheel andere situatie, namelijk de plaatsing van voorwerpen op, in of boven openbaar water. 7.4. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de bakfietsoverkapping geen voorwerp is. Dat betekent dat er geen sprake is van overtreding van artikel 2:15 van de APV. Het college is dus niet bevoegd om handhavend op te treden. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of de uitrit van eiseres een weg is in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Deze vraag is namelijk pas van belang als artikel 2:15 van de APV van toepassing is op de bakfietsoverkapping. Had het college nader onderzoek moeten doen naar de gevolgen voor de verkeersveiligheid van de plaatsing van de bakfietsoverkapping? 8. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of het zicht van verkeersdeelnemers in het gedrang komt door de bakfietsoverkapping . Eiseres mocht het college als belanghebbende vragen om handhaving nu zij van oordeel is dat er een risico is voor de veiligheid van verkeersdeelnemers, en er dus sprake is van strijd met artikel 2:15 van de APV. 9. Deze beroepsgrond slaagt niet.