Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-11
ECLI:NL:RBMNE:2026:360
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Lelystad Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/5858 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen V.E.D. Milieuservice B.V., uit Dronten, eiseres (gemachtigde: mr. E. Dans), en het college van gedeputeerde staten van Flevoland (het college), verweerder (gemachtigde: mr. A. de Wildt). Inleiding 1. Eiseres heeft op 19 januari 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het veranderen van haar inrichting aan de Pioniersweg in Dronten. In de bedrijfshal(len) aan de Pioniersweg 82-84 worden vet-, water- slibmengsels en swill verwerkt, waarna bedrijfsafvalwater biologisch wordt gezuiverd. In de bedrijfshal(len) aan de Pioniersweg 112-114 worden frituuroliën verwerkt. Voor deze zaak is met name van belang dat eiseres de verwerkingscapaciteit van organische olie- en vetverwerking wil uitbreiden tot 160.000 ton per jaar. 2. Met het besluit van 31 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. 3. Het college heeft een verweerschrift ingediend en eiseres heeft hierop gereageerd. 4. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres heeft hieraan deelgenomen samen met [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . De gemachtigde van het college heeft deelgenomen samen met [persoon 4] en [persoon 5] . Beoordeling door de rechtbank Regelgeving 5. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. 6. In artikel 2.14 van de Wabo is het toetsingskader opgenomen voor het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Op grond van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden geweigerd in het belang van het milieu. Op grond van artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 10, van de Wabo moet het college bij die beslissing in ieder geval in acht nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken (BBT) moeten worden toegepast. Een omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de BBT niet worden toegepast. 7. Op grond van artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende BBT rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. Het besluit 8. Het college heeft besloten om geen omgevingsvergunning te verlenen omdat de aanvraag niet uitgaat van BBT en daarnaast geurhinder onvoldoende of niet wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, niet tot een minimum wordt beperkt. De inrichting beschikt onder andere niet over een milieubeheersysteem en evenmin over een geurbeheerplan. Uit de emissierapporten blijkt dat de geuremissienorm van BBT 34 wordt overschreden en de aanzienlijke toename van de geuremissie is ook in strijd met beleidsregel 1 en 4 van de Beleidsregels voor de beoordeling van geurhinder 2008 (hierna: het provinciaal beleid). Verder is bij het toepassen van meerdere scheidingstechnieken onduidelijk gebleven of wel of niet rekening is gehouden met natte gaswassing, is het verwijderingsrendement van het Moving Bed Trickling Filter onbekend en ontbreekt informatie over verdringingsverliezen uit de opslagtanks. Het beroep van eiseres 9. Eiseres voert aan dat een milieubeheersysteem op grond van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE) niet verplicht is en dat het moeten beschikken over een milieubeheersysteem ook als een voorschrift aan de vergunning verbonden had kunnen worden. Eiseres wijs Voor het geval dat uitgegaan moet worden van het geheel aan afvalstoffen dat bij de inrichting binnenkomt, heeft eiseres gesteld dat ook dan sprake is van op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen waar de BBT-conclusies in punt 3 niet van toepassing op zijn. Ook daarin volgt de rechtbank eiseres niet. Het Uitvoeringsbesluit definieert op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen als: afvalstromen die bestaan uit waterige vloeistoffen, zuren/basen of verpompbaar slib (bv. emulsies, afgewerkte zuren, waterig scheepsafval) en die geen vloeibaar biologisch afbreekbaar afval zijn. Onder vloeibaar biologisch afbreekbaar afval verstaat het Uitvoeringsbesluit: afval van biologische oorsprong met een relatief hoog watergehalte (bv. inhoud van vetafscheiders, organisch slib, keukenafval en etensresten). De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afvalstromen vallen onder de definitie van vloeibaar biologisch afbreekbaar afval. Dat de afvalstromen voor een groot gedeelte uit water bestaan, zoals eiseres betoogt, komt helemaal overeen met deze definitie. Daarmee staat ook vast dat deze afvalstromen niet kunnen worden aangeduid als op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen want de definitie daarvan sluit vloeibaar biologisch afbreekbaar afval juist uit. Dat betekent dat het college terecht heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan de BBT-conclusies onder punt 3 van het Uitvoeringsbesluit. Voldoet de aanvraag aan BBT-conclusie 34? 15. Volgens tabel 6.7 van BBT 34 geldt voor de biologische behandeling van afval de grenswaarde voor ammoniak óf voor geurconcentratie. Volgens eiseres had het college moeten kiezen voor de grenswaarde voor ammoniak. Aan die emissienormen wordt ruimschoots voldaan. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor reeds weergegeven dient het college bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning de BBT in acht te nemen. De doelstelling van de RIE en de daarop gebaseerde BBT voor afvalbehandeling is het garanderen van een hoog niveau van milieubescherming en van een verbetering van de milieukwaliteit. Gelet op deze doelstelling wordt bij de beoordeling van een aanvraag bekeken welke emissie de meeste impact heeft op het milieu (in dit geval de lucht) en welke techniek gebruikt moet worden om emissie naar lucht te verminderen. Het college heeft uiteengezet dat de ammoniakemissie ruimschoots lager is dan de grenswaarde, waardoor het beperken van deze emissie minder relevant is voor het verminderen van milieuhinder in de omgeving dan het beperken van geur. De rechtbank kan dit volgen. Volgens tabel 6.7 van BBT 34 mag de geuremissie maximaal 1.000 OuE/Nm3 bedragen. Vaststaat dat de aangevraagde geurconcentratie van 47.000 OuE/Nm3 daar ver boven zit. Gelet daarop heeft het college kunnen besluiten dat niet wordt voldaan aan BBT en dat de vergunning moest worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Dat betekent ook dat de rechtbank niet toekomt aan het bespreken van de beroepsgronden die gaan over het provinciaal geurbeleid. Dit geurbeleid gaat er immers ook van uit dat bij (het voorkomen van) geurhinder ALARA wordt toegepast, de voorloper van het begrip BBT. Tussenconclusie 16. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college terecht heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan BBT 34 en op juiste gronden heeft besloten de aanvraag vanwege het niet voldoen aan BBT te weigeren. Daarom komt de rechtbank niet toe aan het bespreken van de gronden van eiseres over het milieubeheersysteem, het geurbeheerplan, al dan niet ontbrekende informatie bij de aanvraag, het verwijderingsrendement van het Moving Bed Trickling Filter en het verdringingsverlies uit opslagtanks. Wel beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres doet op het vertrouwensbeginsel. Vertrouwensbeginsel 17. Eiseres doet een beroep op de brief van het college van 11 november 2022 waarin staat dat in het overleg van 9 november 2022 is aangegeven dan 47.000 OuE/m3 geureenhed