Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-14
ECLI:NL:RBMNE:2026:33
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/6594 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen [VoF] VoF, uit [plaats] , [VoF] (gemachtigde: mr. E.M. Oskam), en de Minister van Justitie en Veiligheid, de minister Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [VoF] tegen (een deel van) de door de minister opgelegde beperkingen en voorschriften in de aan haar op 6 februari 2024 verleende ontheffing voor geluiddempers. 1.1. Met het bestreden besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van [VoF] is de minister bij dat besluit gebleven. 1.2. [VoF] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] , vertegenwoordiger van [VoF] , de gemachtigde van [VoF] en mr. D.L. van der Wijst en mr. I.M. Touwen, de gemachtigden van de minister. 1.4. Het onderzoek ter zitting is heropend om schriftelijke vragen te stellen. De minister heeft op 1 september 2025 de schriftelijke vragen beantwoord. [VoF] heeft op 25 september 2025 gereageerd. Op 8 november 2025 heeft [VoF] aanvullende stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] , de vertegenwoordiger van [VoF] , de gemachtigde van [VoF] en mr. I.M. Touwen en mr. R.P. Stehouwer, de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 2. [VoF] voert een detail- en groothandel in wapens, waaronder hoog segment specialistische luchtbuksen, en verricht productiewerkzaamheden. Op 4 april 2023 is aan [VoF] een erkenning op grond van artikel 9 van de Wet Wapens en Munitie (Wwm) afgegeven. Dit is een vergunning bestemd voor degene die bedrijfsmatige activiteiten met wapens verricht. Hieronder vallen de erkenningsplichtige handelingen, zoals de fabricage, het verhandelen en repareren van wapens en munitie. Zonder deze erkenning is het verboden deze handelingen te verrichten. 3. [VoF] maakt naast hoog segment specialistische luchtbuksen ook geluiddempers voor wapens. Een geluiddemper is een niet in het vuurwapen geïntegreerd, doorgaans aan de loopmond van het vuurwapen bevestigd voorwerp. Een geluiddemper is geschikt om het geluid van het schot van een wapen te dempen (artikel 2, eerste lid en onder f van de Regeling wapens en munitie). Geluiddempers zijn wapens van de eerste categorie (artikel 2, eerste lid, onder 3° van de Wwm). Dit houdt in dat alle handelingen met een geluiddemper in principe verboden zijn, tenzij daarvoor een ontheffing wordt verleend. In artikel 13, eerste lid, van de Wwm is het verbod tot het voorhanden hebben, vervoeren, dragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van geluiddempers opgenomen. Een ontheffing voor geluiddempers kan op grond van artikel 4, eerste lid en onder e van de Wwm worden verleend voor toestellen en voorwerpen die worden gebruikt voor beroeps-, hulpverlenings-, trainings- en sportdoeleinden. Ook in artikel 13, tweede lid, van de Wwm geeft de minister de bevoegdheid ontheffing van dat verbod te verlenen voor gebruik door of onderwijs ten behoeve van de krijgsmacht, de politie en de overige openbare dienst of voor doorvoer van wapens en munitie. Die ontheffing kan alleen worden verleend als de aanvrager ook over een erkenning beschikt. 4. Op 6 september 2023 heeft [VoF] een verzoek ingediend voor een ontheffing voor geluiddempers op grond van artikel 4, eerste lid en onder e van de Wwm. Deze ontheffing is op 6 februari 2024 aan [VoF] verleend. Aan die ontheffing heeft de minister conform artikel 6 van de Wwm beperkingen en voorschriften gesteld. De ontheffing 5. De rechtbank stelt vast dat aan [VoF] een ontheffing op grond van artikel 4, eerste lid en onder e, van de Wwm is verleend. De minister heeft hierover opgemerkt dat achteraf gezien deze bepaling niet als grondslag had kunnen dienen voor de verlening van d Indien de korpschef in de politieregio waar de beurs wordt gehouden voor de aanwezigheid van wapens op die beurs uitdrukkelijke toestemming heeft verleend. De korpschef kan aan deze toestemming voorschriften verbinden. ”. 12. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister ook voor de ontheffing beperkingen mag opleggen ten aanzien van het voorhanden hebben van geluiddempers. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook een grondslag gegeven voor beperking 2. Dat het voorhanden houden ook betekent dat de beheerder van [VoF] geluiddempers met zich kan dragen naar andere plekken, zoals namens [VoF] op zitting is gesteld, volgt de rechtbank niet. Het voorhanden houden wordt immers uitdrukkelijk in verband gebracht met de vestigingslocatie, zodat de aanwezigheid van de geluiddempers tot dat adres beperkt is. Het betoog van [VoF] slaagt niet. Beperking 4 Inleiding 13. In beperking 4 van de ontheffing is opgenomen dat de ontheffing voor het doen uitgaan van geluiddempers is beperkt tot garantie- en reparatiegevallen naar buitenlandse leveranciers en dat deze niet is verleend voor commerciële (verkoop)handelingen buiten Nederland. 14. [VoF] stelt dat zij als gevolg van deze beperking de geluiddempers niet naar het buitenland kan uitvoeren. [VoF] is een onderneming die winst moet draaien en dit wordt nu beperkt. [VoF] kan en wil de geluiddempers met adequate contracten en centrale registratie naar het buitenland uitvoeren. [VoF] stelt dat de minister met deze beperking handelt in strijd met de Europese wet- en regelgeving, meer in het bijzonder artikel 34 tot en met 36 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 3, eerste lid onder c en artikel 10 van de Verordening 258/2012 (de Verordening). Beoordeling 15. Ook hier geldt dat een ontheffing ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Wwm kan worden afgegeven, rekening houdend met de handelingen genoemd bij de erkenning (artikel 9 van de Wwm). Een erkenning geldt onder meer voor categorie II en III wapens. Aan de uitvoer van die wapens is een consentplicht verbonden. Die houdt in dat zonder consent geen in- en uitvoer van de wapens mag plaatsvinden (artikel 14, eerste lid, van de Wwm). Omdat de ontheffing aan de erkenning is verbonden, kan de minister worden gevolgd in zijn standpunt dat uitvoer in ieder geval niet mogelijk is zonder de hiervoor genoemde consent. Voor categorie I wapens, zoals geluiddempers, is het verlenen van consent niet mogelijk. Dit betekent dat uitvoer van geluiddempers in principe niet mogelijk is en de minister dus terecht een beperking ten aanzien van de uitvoer van de geluiddempers van [VoF] heeft opgelegd. Het betoog van [VoF] slaagt niet. 16. In artikel 34 tot en met 36 van het VWEU is kortgezegd bepaald dat een lidstaat geen kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking mag opleggen, tenzij deze gerechtvaardigd zijn voor bescherming van onder meer de openbare orde en openbare veiligheid. [VoF] komt niet op tegen de invoer van geluiddempers uit een andere lidstaat. Het gaat [VoF] immers uitsluitend om het uitvoeren naar het buitenland. Artikel 34 van het VWEU is daardoor niet van toepassing. Omdat [VoF] de geluiddempers vanuit Nederland wil uitvoeren naar andere lidstaten geldt het verbod op kwantitatieve uitvoerbeperkingen als bedoeld in artikel 35 van het VWEU wel. De beperking is echter door de minister opgelegd, omdat er in het Nederlandse stelsel een consentplicht voor het binnenkomen en uitgaan van wapens en munitie geldt (artikel 14 van de Wwm). De consentplicht dient ter controle en toezicht van het internationale overbrengen van wapens en hun onderdelen. De minister heeft hiermee namelijk een kader ontwikkeld waarmee hij zicht heeft op controle op wapenbezit en -verkrijging. Daarmee kan het ondermijnen van de openbare orde en veiligheid worden teruggedrongen. Naar het oordeel van de rechtbank is de beperking in dat kader terecht opgelegd en gerechtvaardigd als bedoeld in