Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-29
ECLI:NL:RBMNE:2026:3233
vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Locatie Utrecht Strafrecht Parketnummer: 96.076267.24 Datum uitspraak: 29 januari 2026 Vonnis van de kantonrechter, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september 2025 en 20 januari 2026. De zaak is aanhangig gemaakt bij oproeping van 23 januari 2025, naar aanleiding van het verzet van verdachte tegen de aan hem opgelegde strafbeschikking van 19 december 2023 met nummer [CJIB-nummer] ten bedrage van € 100. Ter zitting van 2 april 2025 is het onderzoek ter zitting door een andere kantonrechter voor onbepaalde tijd aangehouden. Op 15 september 2025 is het onderzoek door de vandaag oordelende kantonrechter opnieuw aangevangen. Bij tussenvonnis van 26 september 2025 heeft hij het onderzoek heropend. Op 20 januari 2026 is het onderzoek ter zitting voortgezet. De kantonrechter heeft vastgesteld vandaag uitspraak te zullen doen. De tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 3 december 2023 te Bilthoven, gemeente De Bilt, niet (op eerste vordering) heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht / het Wetboek van Strafvordering / het Wetboek van Strafrecht; ( art 2 Wet op de identificatieplicht, art 447e Wetboek van Strafrecht ) De formele voorvragen. De kantonrechter stelt vast dat de oproeping geldig is. De kantonrechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. Wat de ontvankelijkheid van de officier van justitie betreft, overweegt de kantonrechter dat, anders dan de verdediging stelt, niet is komen vast te staan dat door een onbevoegde verbalisant een identiteitsbewijs van de verdachte werd gevorderd. Waarom de kantonrechter tot dit oordeel komt, zal de kantonrechter hieronder nader motiveren. Eens te meer is daardoor niet gebleken dat daardoor de officier van justitie nu niet ontvankelijk zou zijn in zijn vervolging. Ook is de officier van justitie niet niet-ontvankelijk door het niet overleggen van aktes met betrekking tot de bevoegdheid van de betrokken verbalisanten, waardoor de verdediging in het uitvoeren van haar taak is belemmerd. De daarover door de verdediging naar voren gebrachte stellingen komen naar het oordeel van de kantonrechter wel in aanmerking om te worden beschouwd als een subsidiair gevoerd bewijsverweer, strekkend tot vrijspraak. De verweren moeten worden verworpen voor zover deze zich richten op de ontvankelijkheid. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging. Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Ten aanzien van het bewijs De kantonrechter stelt het volgende vast. Een verbalisant van de Vereniging Natuurmonumenten trad handhavend op toen hij en zijn collega van Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (hierna: RUD Utrecht) naar hun zeggen in hun proces-verbaal op het [landgoed] constateerden dat de verdachte zijn hond onaangelijnd uit liet in strijd met de toegangsregels tot dit landgoed. De verbalisant van Vereniging Natuurmonumenten vorderde vervolgens van de verdachte dat deze een identiteitsbewijs ter inzage aanbood. De verdachte voldeed daar niet op eerste vordering aan, omdat hij volgens zijn verklaring in het proces-verbaal en ter zitting in de veronderstelling verkeerde dat hij geen identiteitsbewijs op zak had (maar wel in de auto). Even later bleek, zo heeft de verdachte in zijn verzetschrift en ter zitting verklaard, dat hij bij toeval toch zijn paspoort wel degelijk bij zich droeg. De verdediging heeft zich reeds in het verzetschrift, dat door de officier van justitie werd ontvangen op 29 december 2023, op het standpunt gesteld dat de verbaliserende buitengewoon opsporingsambtenaar die in dienst was van de Vereniging Natuurmonumenten maar tezamen met een buitengewoon opsporingsambtenaar van de RUD Utrecht buiten een terrein v 8.2. ledere werkgever legt werkafspraken vast in het geactualiseerde Handboek Uniform Optreden boa’s provincie Utrecht. In dit handboek worden operationele afspraken opgenomen met de andere deelnemende partijen over de feitelijke inzet van de betreffende BOA. Ook bijgevoegd was diverse correspondentie waaruit naar voren komt dat de beide verbalisanten zich wel degelijk opsporingsbevoegd achten, dat de Vereniging Natuurmonumenten van mening is dat haar buitengewoon opsporingsambtenaar op [landgoed] opsporingsbevoegd was, dat RUD Utrecht meent dat zijn buitengewoon opsporingsambtenaar in de hele provincie Utrecht en dus ook op [landgoed] opsporingsbevoegd was, en dat de toezichthouder, de hoofdofficier van justitie functioneel parket, en direct toezichthouders volgens een woordvoerder van mening verschillen met de provincie Utrecht (en dus ook met Vereniging Natuurmonumenten, toevoeging kantonrechter) over de bevoegdheid van de boa van Vereniging Natuurmonumenten in dit specifieke geval. Een argumentatie voor die beweerdelijk bij de toezichthouders levende mening werd daarbij niet gegeven. Op 2 april 2025 heeft de officier van justitie verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden, omdat hij zich niet inhoudelijk heeft kunnen voorbereiden door een ICT-storing. Ondanks verzet daartegen door de verdediging heeft de kantonrechter de zaak aangehouden. Ter zitting van 15 september 2025 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende reden is om te twijfelen aan de bevoegdheid van de verbalisant van Vereniging Natuurmonumenten en gevorderd dat de verdachte, met vernietiging van de strafbeschikking, wordt veroordeeld tot een geldboete van € 100. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 26 september 2025 aan de officier van justitie opgedragen om ervoor zorg te dragen dat binnen acht weken aan het dossier worden toegevoegd: een notitie van of namens de toezichthouder en de aktes van aanstelling en beëdiging van de verbalisanten waaruit hun bij aanstelling gegeven bevoegdheden, geografische begrenzingen en inhoudelijk werkterrein blijken, een en ander mede gelet op artikel 5.1 en 7.1 van de Samenwerkingsovereenkomst. Gelet op het feit dat eind december nog niets aan het dossier was toegevoegd, heeft de griffier de officier van justitie op 22 december telefonisch kort gewezen op deze zaak waarvoor speciaal een zitting is aangemaakt. De kantonrechter heeft op 8 januari 2026 in een telefoongesprek met de officier van justitie erop gewezen dat deze zaak op de rol van 20 januari 2026 staat en dat in deze zaak van groot belang is dat de in het tussenvonnis genoemde stukken nog voor de zitting aan het dossier worden toegevoegd, zodat de kantonrechter en de verdediging voldoende gelegenheid hebben om de zitting voor te bereiden. Op 8 januari 2026 is een notitie toegevoegd gedateerd 7 januari 2026, namens de toezichthouder functioneel parket. Daarin wordt onder meer vooropgesteld dat convenanten alleen kunnen worden afgesloten door werkgevers die boa’s in dienst hebben. Partijen die geen boa’s in dienst hebben, kunnen ingevolgde de Beleidsregels niet deelnemen aan zo’n convenant, gezien het feit “dat het daardoor om een verkapte inhuurconstructie zou gaan (geen boa’s in dienst, wel gebruik willen maken van boa’s van andere partijen)”. Vervolgens wordt in de notitie met verwijzing naar artikel 2.2 van de Samenwerkingsovereenkomst gesteld dat de onder 2.2 sub a genoemde Handboek Uniform Optreden boa’s provincie Utrecht er niet was, zodat er geen opsporing kon plaats vinden onder de het bereik van artikel 2.2 sub a. Volgens de notitie is ook de situatie van artikel 2.2 sub d niet van toepassing omdat er geen samenwerkingsverband bestaat tussen de betreffende werkgevers om in elkaars gebied te gaan controleren en handhaven, en omdat de twee verbalisanten zelfstandig hebben besloten om met elkaar een dienst te draaien. De andere drie subcategorieën zijn vanzelfsprekend niet van toepassing. De notitie vermeldt (ond