Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-20
ECLI:NL:RBMNE:2026:3198
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6754 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. G.B.A. Bol), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv) (gemachtigde: mr. B.E. de Leng). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het terugbetalen van € 4.724,37 netto (€ 7.357,11 bruto), omdat eiseres dit bedrag te veel aan voorschot heeft ontvangen op haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres ontving naast het voorschot inkomsten uit loondienst, terwijl hiermee door het Uwv geen rekening werd gehouden. Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij doet een beroep op het vertrouwensbeginsel, voert aan dat afgezien moet worden van kwijtschelding op grond van een Kamerbrief en dat de terugvordering onevenredige gevolgen voor haar heeft. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het genoemde bedrag mocht terugvorderen . Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voorgeschiedenis en besluitvorming 2. Eiseres werkte bij [bedrijf] toen zij zich op 27 februari 2023 ziekmeldde. Na het doorlopen van de wachttijd heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd. Zij heeft hierbij aangegeven dat zij nog voor 22 uur per week bij [bedrijf] blijft werken. 2.1 Het Uwv heeft met het besluit van 24 februari 2025 aan eiseres een voorschot op haar WIA-uitkering toegekend, waarbij geen rekening is gehouden met overige inkomsten. Het Uwv heeft met het besluit van 14 juli 2025 aan eiseres een WIA-uitkering toegekend, het voorschot beëindigd en aangegeven dat eiseres te veel voorschot heeft ontvangen en daarom een deel moet terugbetalen. Met het besluit van 11 augustus 2025 heeft het Uwv aan eiseres laten weten dat zij € 6.299,17 netto (€ 9.808,48 bruto) moet terugbetalen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.2 Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het Uwv de terugvordering met 25% gematigd. Hierdoor moet eiseres € 4.724,37 netto (€ 7.357,11 bruto) terugbetalen. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3 De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het Uwv. De gemachtigde van eiseres is met voorafgaand bericht niet verschenen. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en partijen gelegenheid gegeven schriftelijke op elkaar te reageren. 2.4 Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Grondslag van het besluit 3. Het Uwv legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiseres – na verrekening van haar inkomsten met de uitbetaalde WIA-voorschotten – een bedrag van € 4.724,37 netto (€ 7.357,11 bruto) te veel heeft ontvangen over de periode van 24 februari 2025 tot en met 31 juli 2025. Beoordelingskader 4. In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA is bepaald dat het UWV beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is het UWV verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering van eiseres terug te vorderen. Uit de rechtspraak volgt dat ook een uitkering die op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA als voorschot onverschuldigd betaalbaar is gesteld, door het UWV moet worden teruggevorderd. Artikel 76, zesde lid, van de Wet WIA bepaalt dat het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Beoordeling va In geval van toepassing van een vaste gedragslijn, moet de aanvaardbaarheid daarvan wel in elk afzonderlijk geval aangetoond worden. Het Uwv moet een terugvorderingsbesluit dat gebaseerd is op het Afwegingskader dus uitvoerig motiveren. 6.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het terugvorderingsbesluit dat gebaseerd is op het Afwegingskader uitvoerig gemotiveerd. Het Uwv heeft uitgelegd dat eiseres in de doelgroep valt en voldoet aan de criteria. Namelijk het verstrekte WIA-voorschot is door het Uwv hoger vastgesteld dan de uitkering waar recht op is, waardoor het verstrekte voorschot niet volledig kan worden verrekend. Uit het Afwegingskader volgt dat in dit geval wordt afgezien van terugvordering voor zover er geen naastlopende inkomsten of een ander recht op uitkering is. Het Uwv vordert alleen het verschil tussen het verstrekte voorschot en het bedrag dat eiseres zou hebben ontvangen als bij de berekening wel rekening was gehouden met haar inkomsten, conform het Afwegingskader. Het Uwv heeft toegelicht dat de inhoud van de Kamerbrief en het Afwegingskader bedoeld zijn om te voorkomen dat mensen nadeel ondervinden van het handelen van het Uwv. Dat is hier niet het geval omdat sprake is geweest van een dubbele betaling, namelijk het voorschot op de WIA-uitkering en inkomsten uit arbeid. Bovendien blijkt uit de voorschotbeslissing van 24 februari 2025 dat bij de berekening van het voorschot geen rekening is gehouden met inkomsten uit arbeid. In deze beslissing staat ook dat als iemand inkomsten had die bij de berekening van het voorschot nog niet bij het Uwv bekend waren, degene (een deel) van het voorschot moet terugbetalen. Hierdoor had eiseres kunnen weten dat zij teveel WIA-voorschot ontving en dus een deel moest terugbetalen. De door eiseres aangehaalde uitspraak is niet vergelijkbaar, omdat daar sprake was van een WIA-uitkering die uiteindelijk werd geweigerd en waarbij door een fout in de berekening een restschuld overbleef. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd waarom de toepassing van het Afwegingskader in het geval van eiseres aanvaardbaar is. De beroepsgrond slaagt niet. Evenredigheidsbeginsel 7. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De terugvordering vormt voor haar een onevenredig zware financiële last, terwijl de fout volledig door het Uwv gemaakt is. 7.1 Het Uwv voert aan dat eiseres haar onevenredig zware last niet heeft onderbouwd. Er is met haar een betalingsregeling is getroffen, zodat voldoende rekening is gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering. Onder verwijzing naar de geldende rechtspraak heeft het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden afgewogen tegen het uitgangspunt dat ten onrechte ontvangen bedragen moeten worden terug betaald. In het bestreden besluit is de vordering met 25% gematigd, omdat het voorschot te hoog was vastgesteld. Het Uwv vindt dat het daarmee voldoende rekening heeft gehouden met het feit dat het ontstaan van de terugvordering deels aan het Uwv is te wijten. 7.2 De rechtbank stelt vast dat in dit geval een voorschot aan eiseres is verstrekt, omdat er sprake was van achterstanden in de sociaal-medische beoordeling na de aanvraag voor een WIA-uitkering. Eisers heeft bij de aanvraag gemeld dat zij nog 22 uur bij haar werkgever blijft werken, maar desondanks is aan eiseres een voorschot verstrekt waarbij geen rekening is gehouden met inkomsten. Hierdoor heeft het Uwv een aandeel gehad in de oorzaak van de terugvordering. Het Uwv heeft het terug te vorderen bedrag daarom al gematigd met 25%. Eiseres voert aan dat de terugvordering leidt tot een onevenredig zware last, maar zij heeft de nadelige gevolgen niet toegelicht of gemotiveerd. Hiermee heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank, zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering, alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen en geen aanleiding hoeven te zien om op grond van een dringende rede