Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-16
ECLI:NL:RBMNE:2026:2863
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6515 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [eiser 1] , eiser, [eiseres] , eiseres, [eiser 2] , de budgethouder, allen uit [plaats] , eisers en Zilveren Kruis Zorgkantoor, het zorgkantoor (gemachtigde: mr. S. Gezer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de wijziging met terugwerkende kracht van een eerder verleend pgb over 2023. Eisers zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank de wijziging van de pgb-verlening. 2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het zorgkantoor de subsidieverlening in redelijkheid met terugwerkende kracht heeft kunnen wijzigen. Het beroep van de budgethouder is ongegrond. Het beroep van eiser en eiseres is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Bij besluit van 28 november 2023 heeft het zorgkantoor het aan de budgethouder over 2023 verleend pgb met terugwerkende kracht gewijzigd. Met het bestreden besluit van 4 maart 2024 op het bezwaar van de budgethouder is het zorgkantoor bij dat besluit gebleven. 3.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 3.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor. 3.3. Ter zitting is gebleken dat de budgethouder onder bewind staat. Na afloop van de zitting heeft de bewindvoerder schriftelijk verklaard dat geen toestemming nodig is voor het voeren van deze procedure. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid beroep van eiser en eiseres 4. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser en eiseres (vader en moeder en zorgverleners van de budgethouder) ontvankelijk zijn in hun beroep. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit. Vaststaat dat eiser en eiseres geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 28 november 2023. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van eiser en eiseres is daarom niet-ontvankelijk. Beroep van de budgethouder 5. Bij besluit van 3 december 2022 is aan de budgethouder voor het jaar 2023 een pgb verleend van € 50.059,-. 6. Bij afzonderlijke besluiten van 13 november 2023 heeft het zorgkantoor het pgb beëindigd per 4 januari 2023 en over de periode 1 tot en met 4 januari 2023 een pgb verleend van € 548,59. Tegen deze besluiten is geen bezwaar gemaakt. Zij staan daarom in rechte vast. 7. In deze procedure ligt uitsluitend het bestreden besluit voor, waarin het besluit van 28 november 2023 is gehandhaafd. Bij dit laatste besluit is de subsidieverlening over 2023 met terugwerkende kracht gewijzigd. Daarbij is vastgesteld dat de budgethouder vanaf 5 januari 2023 geen recht meer had op pgb-uitbetaling wegens verblijf in een instelling. De subsidieverlening over 2023 is daarom beperkt tot de periode van 1 tot en met 4 januari 2023 en voor het overige gewijzigd (in die zin dat over de resterende periode geen pgb-verlening meer resteert). Het besluit strekt daarmee tot (gedeeltelijke) wijziging van de eerder verleende subsidie. 8. Niet in geschil is dat de budgethouder vanaf 4 november 2022 verbleef in een instelling en dat gedurende dat verblijf na twee maanden geen recht meer bestond op pgb-uitbetaling. In geschil is of het zorgkantoor de subsidieverlening over 2023 met terugwerkende kracht mocht wijzigen. Mocht de budgethouder erop vertrouwen dat het verleende pgb niet zou worden gewijzigd? 9. De budgethouder stelt dat tijdens een telefoongesprek aan eiser is meegedeeld dat het pgb pas zes maanden na opname hoefde te worden stopg Het zorgkantoor moet bij de uitoefening van die bevoegdheid de betrokken belangen afwegen en beoordelen of wijziging met terugwerkende kracht in het concrete geval redelijk is. De beoordelingsruimte is hier beperkt, omdat vaststaat dat vanaf 5 januari 2023 geen recht meer bestond op pgb-uitbetaling wegens verblijf in een instelling. De belangenafweging kan er niet toe leiden dat een materieel niet bestaand recht alsnog wordt toegekend. Wel kan zij in voorkomende gevallen aanleiding geven om de terugwerkende kracht te beperken. De rechtbank ziet daarvoor in dit geval geen aanleiding. Dat de periodieke betalingen nog enige tijd zijn doorgegaan en eerst per 3 mei 2023 zijn beëindigd, maakt dit niet anders. Binnen het pgb-stelsel rust op de budgethouder de verantwoordelijkheid om relevante wijzigingen tijdig en op de voorgeschreven wijze te melden. Uit het telefoongesprek in december 2022 blijkt niet van een ondubbelzinnige melding van een verblijf in een instelling van langer dan twee maanden. Het zorgkantoor hoefde daarom niet eerder tot wijziging over te gaan. De enkele voortzetting van betalingen kan niet meebrengen dat de subsidieverlening over een periode waarin materieel geen recht bestond, in stand moet blijven. 12.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het zorgkantoor in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de pgb-subsidieverlening met terugwerkende kracht te wijzigen voor de periode vanaf 5 januari 2023. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep van eiser en eiseres is niet-ontvankelijk. Het beroep van de budgethouder is ongegrond. Dat betekent dat de wijziging van de subsidieverlening over 2023 in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep van [eiser 1] en [eiseres] niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep van [eiser 2] ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026. de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:48 1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien: a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid; d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of e. met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. 2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de sub