Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-13
ECLI:NL:RBMNE:2026:2829
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,877 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2829 text/xml public 2026-05-27T10:29:03 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-13 12051523 \ MC EXPL 26-139 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2829 text/html public 2026-05-27T10:28:37 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2829 Rechtbank Midden-Nederland , 13-05-2026 / 12051523 \ MC EXPL 26-139 Gedaagde heeft een factuur te laat betaald. Eiser vordert alleen nog de wettelijke (handels)rente en proceskosten. Die worden toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12051523 \ MC EXPL 26-139 Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van [eiser] ., handelend onder de naam [handelsnaam 1] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [handelsnaam 1] gemachtigde: Vannim Incasso, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [handelsnaam 2] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 januari 2026 met 9 producties, - de conclusie van antwoord van 6 februari 2026, - de conclusie van repliek van 5 maart 2026. 1.2 Hoewel daartoe bij brief van de griffier van 11 maart 2026 in de gelegenheid gesteld, heeft [handelsnaam 2] geen conclusie van dupliek genomen. 1.3 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1 [handelsnaam 2] heeft een factuur van [handelsnaam 1] niet op tijd betaald, ook niet nadat [handelsnaam 1] [handelsnaam 2] daarvoor heeft aangemaand. [handelsnaam 1] heeft de factuur daarom vermeerderd met wettelijke (handels)rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [handelsnaam 2] heeft op 25 januari 2026 de factuur in hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten betaald, maar de bijkomende rente en proceskosten niet. De kantonrechter oordeelt dat [handelsnaam 2] deze rente en proceskosten moet betalen, omdat zij de factuur niet op tijd heeft betaald. 3 De beoordeling [handelsnaam 2] heeft de factuur van [handelsnaam 1] niet op tijd betaald 3.1 [handelsnaam 1] verkoopt verlichting en lichtinstallaties. [handelsnaam 2] onderhoudt tuinen, parken en plantsoenen. [handelsnaam 2] heeft bij [handelsnaam 1] diverse artikelen besteld ter waarde van in totaal € 1.568,75. Die factuur heeft [handelsnaam 2] niet betaald. Daarom heeft [handelsnaam 1] een incassobedrijf ingeschakeld, die [handelsnaam 2] op 23 september 2025 heeft gesommeerd tot betaling. Op 12 en 26 november 2025 is nogmaals de mogelijkheid geboden tot betaling, maar betaling bleef uit. 3.2 Op 25 januari 2026 heeft [handelsnaam 2] de factuur samen met de buitengerechtelijke incassokosten betaald. [handelsnaam 2] moet de wettelijke (handels)rente betalen 3.3 [handelsnaam 1] vordert wettelijke handelsrente van 8,05% als bedoeld in 6:119a BW over de factuur, berekend vanaf 15 juli 2025, de vervaltermijn van de factuur. De kantonrechter wijst deze vordering toe. Er is sprake van een handelsovereenkomst omdat beide partijen handelen in het kader van een beroep of bedrijf. [handelsnaam 2] is te laat geweest met betalen en voert ook geen verweer tegen de wettelijke handelsrente. De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop volgens de afspraak uiterlijk betaald moest worden. Dat is in dit geval 15 juli 2025, tot aan 25 januari 2026, de dag van betaling van de hoofdsom. 3.4 [handelsnaam 1] vordert daarnaast wettelijke handelsrente als bedoeld in 6:119a BW over de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst deze vordering af. De wettelijke handelsrente is alleen verschuldigd over de kernprestatie uit een handelsovereenkomst, niet over de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst wel de gevorderde wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW toe. De wettelijke rente wordt berekend vanaf 6 januari 2026 (het moment van dagvaarding ) tot aan 25 januari 2026 (het moment van betaling). [handelsnaam 2] moet de proceskosten betalen 3.5 [handelsnaam 2] moet de proceskosten van [handelsnaam 1] betalen. Het verweer tegen de proceskosten slaagt niet. [handelsnaam 2] heeft verschillende betaalherinneringen ontvangen en de mogelijkheid gekregen om de factuur alsnog de betalen. Omdat niet tot betaling werd overgegaan, heeft [handelsnaam 1] terecht gedagvaard en is zij niet nodeloos een procedure gestart. 3.6 De kosten van [handelsnaam 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 129,54 - griffierecht € 397,00 - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punt × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € € 1.069,04 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [handelsnaam 2] om aan [handelsnaam 1] te betalen de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom, met ingang van 15 juli 2025 tot aan 25 januari 2026, 4.2 veroordeelt [handelsnaam 2] om aan [handelsnaam 1] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten, met ingang van 6 januari 2026 tot aan 25 januari 2026, 4.3 veroordeelt [handelsnaam 2] in de proceskosten van € 1.069,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. Hoge Raad 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127; HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012 en paragraaf 7.3 van hoofdstuk V van het Rapport BGK-integraal.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2829 text/xml public 2026-05-27T10:29:03 2026-05-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-13 12051523 \ MC EXPL 26-139 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2829 text/html public 2026-05-27T10:28:37 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2829 Rechtbank Midden-Nederland , 13-05-2026 / 12051523 \ MC EXPL 26-139 Gedaagde heeft een factuur te laat betaald. Eiser vordert alleen nog de wettelijke (handels)rente en proceskosten. Die worden toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12051523 \ MC EXPL 26-139 Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van [eiser] ., handelend onder de naam [handelsnaam 1] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [handelsnaam 1] gemachtigde: Vannim Incasso, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [handelsnaam 2] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 januari 2026 met 9 producties, - de conclusie van antwoord van 6 februari 2026, - de conclusie van repliek van 5 maart 2026. 1.2 Hoewel daartoe bij brief van de griffier van 11 maart 2026 in de gelegenheid gesteld, heeft [handelsnaam 2] geen conclusie van dupliek genomen. 1.3 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1 [handelsnaam 2] heeft een factuur van [handelsnaam 1] niet op tijd betaald, ook niet nadat [handelsnaam 1] [handelsnaam 2] daarvoor heeft aangemaand. [handelsnaam 1] heeft de factuur daarom vermeerderd met wettelijke (handels)rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [handelsnaam 2] heeft op 25 januari 2026 de factuur in hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten betaald, maar de bijkomende rente en proceskosten niet. De kantonrechter oordeelt dat [handelsnaam 2] deze rente en proceskosten moet betalen, omdat zij de factuur niet op tijd heeft betaald. 3 De beoordeling [handelsnaam 2] heeft de factuur van [handelsnaam 1] niet op tijd betaald 3.1 [handelsnaam 1] verkoopt verlichting en lichtinstallaties. [handelsnaam 2] onderhoudt tuinen, parken en plantsoenen. [handelsnaam 2] heeft bij [handelsnaam 1] diverse artikelen besteld ter waarde van in totaal € 1.568,75. Die factuur heeft [handelsnaam 2] niet betaald. Daarom heeft [handelsnaam 1] een incassobedrijf ingeschakeld, die [handelsnaam 2] op 23 september 2025 heeft gesommeerd tot betaling. Op 12 en 26 november 2025 is nogmaals de mogelijkheid geboden tot betaling, maar betaling bleef uit. 3.2 Op 25 januari 2026 heeft [handelsnaam 2] de factuur samen met de buitengerechtelijke incassokosten betaald. [handelsnaam 2] moet de wettelijke (handels)rente betalen 3.3 [handelsnaam 1] vordert wettelijke handelsrente van 8,05% als bedoeld in 6:119a BW over de factuur, berekend vanaf 15 juli 2025, de vervaltermijn van de factuur. De kantonrechter wijst deze vordering toe. Er is sprake van een handelsovereenkomst omdat beide partijen handelen in het kader van een beroep of bedrijf. [handelsnaam 2] is te laat geweest met betalen en voert ook geen verweer tegen de wettelijke handelsrente. De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop volgens de afspraak uiterlijk betaald moest worden. Dat is in dit geval 15 juli 2025, tot aan 25 januari 2026, de dag van betaling van de hoofdsom. 3.4 [handelsnaam 1] vordert daarnaast wettelijke handelsrente als bedoeld in 6:119a BW over de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst deze vordering af. De wettelijke handelsrente is alleen verschuldigd over de kernprestatie uit een handelsovereenkomst, niet over de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter wijst wel de gevorderde wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW toe. De wettelijke rente wordt berekend vanaf 6 januari 2026 (het moment van dagvaarding ) tot aan 25 januari 2026 (het moment van betaling). [handelsnaam 2] moet de proceskosten betalen 3.5 [handelsnaam 2] moet de proceskosten van [handelsnaam 1] betalen. Het verweer tegen de proceskosten slaagt niet. [handelsnaam 2] heeft verschillende betaalherinneringen ontvangen en de mogelijkheid gekregen om de factuur alsnog de betalen. Omdat niet tot betaling werd overgegaan, heeft [handelsnaam 1] terecht gedagvaard en is zij niet nodeloos een procedure gestart. 3.6 De kosten van [handelsnaam 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 129,54 - griffierecht € 397,00 - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punt × € 217,00) - nakosten € 108,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € € 1.069,04 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [handelsnaam 2] om aan [handelsnaam 1] te betalen de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom, met ingang van 15 juli 2025 tot aan 25 januari 2026, 4.2 veroordeelt [handelsnaam 2] om aan [handelsnaam 1] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten, met ingang van 6 januari 2026 tot aan 25 januari 2026, 4.3 veroordeelt [handelsnaam 2] in de proceskosten van € 1.069,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. Hoge Raad 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127; HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012 en paragraaf 7.3 van hoofdstuk V van het Rapport BGK-integraal.