Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-20
ECLI:NL:RBMNE:2026:2747
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,049 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2747 text/xml public 2026-05-20T13:33:00 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-20 16.256381.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2747 text/html public 2026-05-20T09:58:30 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2747 Rechtbank Midden-Nederland , 20-05-2026 / 16.256381.25 Veroordeling voor opzettelijk brandstichten in een garage onder een appartementencomplex, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 227 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, met daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdachte hoeft dus niet terug naar de gevangenis, mits hij zich aan de voorwaarden houdt. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 120 uren. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16.256381.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 20 mei 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 6 mei 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. M.M. Jansen; de advocaat van de verdachte: mr. D.M. Moes namens mr. A.M. Demirer (hierna: de advocaat). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: primair: op 28 september 2025 in Lelystad brand heeft gesticht waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was, subsidiair: op voornoemde datum en locatie een muur van een garage en/of fietsenstalling en/of meerdere plafondplaten heeft vernield. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opzettelijke brandstichting kan worden bewezenverklaard. Ook kan worden bewezenverklaard dat van die brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De officier van justitie acht niet bewezen dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging is vrijspraak gevorderd. 3.2. Het standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Er was geen gevaar voor goederen en er was evenmin levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van psychische overmacht. Dit standpunt zal in paragraaf 4.3 worden besproken. 3.3. Het oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: 1. De verklaring van de verdachte op zitting, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Het klopt dat ik op 28 september 2025 in Lelystad brand heb gesticht door kartonnen dozen in de fik te steken. Ik zat drie uur lang opgesloten in een fietsenstalling. Ik had een gebroken pols en had daardoor veel pijn. Ik heb de politie drie keer gebeld en gezegd dat ik vastzat. Ik heb de politie gevraagd of ik uit de fietsenstalling kon worden gehaald. Ik heb van alles geprobeerd om uit de fietsenstalling te komen. Ik heb lawaai gemaakt en familieleden gebeld, maar zij namen niet op. Toen ik de politie voor de derde keer had gebeld, zei ik dat ik een kartonnen doos die daar lag zou aansteken. Dat heb ik toen gedaan. Ik dacht namelijk dat de deur open zou gaan door die brand, maar dat gebeurde niet. Toen ik brand had gesticht kwam de politie en heeft de politie de brand geblust. 2. Het proces-verbaal van bevindingen van 29 september 2025, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Uitwerking camerabeelden 20:16:58 uur: Ik zie dat er een persoon vanaf de linkerkant het camerabeeld in komt lopen. Ik zie dat de persoon tussen het hek en de oranje muur in loopt. Dit betreft het afgesloten gedeelte naast de fietsenstalling. Ik kan de persoon als volgt omschrijven: - man; - grijs/groene pet op zijn hoofd; - zwart vest met lange mouwen; - om de linkerhand is iets gewikkeld dat wit van kleur is; - grijze lange broek; - zwarte schoenen met witte zolen. De persoon wordt hierna verdachte genoemd. 20:17:04 uur: Ik zie dat de verdachte richting een grijze deur loopt die gevestigd is in de oranje muur. Ik zie dat de verdachte met zijn rechterhand de deurklink van de grijze deur vastpakt en hier meerdere keren aan trekt. Ik zie dat de verdachte dan meerdere keren met zijn rechtervoet tegen de grijze deur aantrapt. 20:17:15 uur: Ik zie dat de verdachte wegloopt van de grijze deur en richting de kartonnen dozen loopt. Ik zie dat de verdachte stil gaat staan bij de kartonnen dozen. Ik zie dat de verdachte met zijn bovenlichaam vooroverbuigt richting een kartonnen doos. Ik zie dat de verdachte zijn rechterhand in een kartonnen doos stopt. 20:18:01 uur: Ik zie dat de verdachte wegloopt van de kartonnen doos. Ik zie dat de verdachte in de richting loopt waar hij in eerste instantie het camerabeeld ingelopen kwam. Ik zie dat er in de kartonnen doos, waar de verdachte eerder zijn hand in hield, licht ontstaat. Ik zie dat de verdachte over zijn schouder kijkt naar de kartonnen doos waar het licht in ontstond. 20:18:06 uur tot 20:22:53 uur: Ik zie dat het licht dat ontstaan is in de kartonnen doos, steeds groter en feller wordt. Ik zie dat er vuurvlammen zijn, die zijn ontstaan in de kartonnen doos. Ik zie dat dit vuur steeds groter wordt. 20:22:53 uur tot en met 20:25:00 uur: Ik zie dat er een politieauto stopt en dat er een agent uitstapt. Ik zie dat de agent terugloopt naar de auto en daar een brandblusser uit pakt. Ik zie dat de agent samen met omstanders het vuur probeert te blussen. 3. Het proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2025, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 28 september 2025 omstreeks 20:21 uur kreeg ik de opdracht om naar een fietsenstalling in Lelystad te gaan, waar zich een persoon zou bevinden die zichzelf had ingesloten. Deze persoon zou tegen de dienstdoende centralist hebben gezegd dat als wij niet binnen tien minuten ter plaatse zouden zijn, hij voldoende brandstof zou hebben om een stapel dozen in brand te steken. Ik hoorde de centralist zeggen dat de persoon die belde [verdachte] heet. Aangekomen bij de fietsenstalling zag ik dat er een stapel dozen in brand stond. Ik zag dat de vlammen tot aan het plafond van de parkeergarage kwamen. Ik zag dat de brand zich bevond in een door een hek afgesloten gedeelte, afzonderlijk van de fietsenstalling, welke afgesloten was en waar ik niet bij kon komen. Tevens zag ik dat [verdachte] zich als enige bevond in dat gedeelte en tegen een toegangsdeur aan lag die leidt naar de kelderboxen onder het appartementencomplex. Middels een brandblusser heb ik door het hekwerk heen gepoogd de brand te blussen. Er was een groot gevaar voor uitbreiding van de brand, gezien het feit dat de brand gaande was onder het appartementencomplex en zich boven de vlammen een airco unit bevond. Tevens had een plafondplaat al vlam gevat. 3.3.2. Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte heeft verklaard dat hij zich op 28 september 2025 per ongeluk heeft ingesloten in een (kelderbox in een) garage, onder een appartementencomplex en daar enkele uren heeft vastgezeten. Hij had een gebroken pols en had daarom veel pijn. De rechtbank kan op basis van overige gegevens in het dossier niet vaststellen hoe lang de verdachte heeft vastgezeten in de garage en volgt daarom zijn verklaring dat hij daar enkele uren heeft gezeten. Hij heeft geprobeerd om uit de garage te komen door lawaai te maken.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2747 text/xml public 2026-05-20T13:33:00 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-20 16.256381.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Lelystad Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2747 text/html public 2026-05-20T09:58:30 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2747 Rechtbank Midden-Nederland , 20-05-2026 / 16.256381.25 Veroordeling voor opzettelijk brandstichten in een garage onder een appartementencomplex, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 227 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, met daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdachte hoeft dus niet terug naar de gevangenis, mits hij zich aan de voorwaarden houdt. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 120 uren. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16.256381.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 20 mei 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , hierna: de verdachte. 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 6 mei 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de officier van justitie: mr. M.M. Jansen; de advocaat van de verdachte: mr. D.M. Moes namens mr. A.M. Demirer (hierna: de advocaat). 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: primair: op 28 september 2025 in Lelystad brand heeft gesticht waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was, subsidiair: op voornoemde datum en locatie een muur van een garage en/of fietsenstalling en/of meerdere plafondplaten heeft vernield. De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opzettelijke brandstichting kan worden bewezenverklaard. Ook kan worden bewezenverklaard dat van die brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De officier van justitie acht niet bewezen dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging is vrijspraak gevorderd. 3.2. Het standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Er was geen gevaar voor goederen en er was evenmin levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van psychische overmacht. Dit standpunt zal in paragraaf 4.3 worden besproken. 3.3. Het oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: 1. De verklaring van de verdachte op zitting, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Het klopt dat ik op 28 september 2025 in Lelystad brand heb gesticht door kartonnen dozen in de fik te steken. Ik zat drie uur lang opgesloten in een fietsenstalling. Ik had een gebroken pols en had daardoor veel pijn. Ik heb de politie drie keer gebeld en gezegd dat ik vastzat. Ik heb de politie gevraagd of ik uit de fietsenstalling kon worden gehaald. Ik heb van alles geprobeerd om uit de fietsenstalling te komen. Ik heb lawaai gemaakt en familieleden gebeld, maar zij namen niet op. Toen ik de politie voor de derde keer had gebeld, zei ik dat ik een kartonnen doos die daar lag zou aansteken. Dat heb ik toen gedaan. Ik dacht namelijk dat de deur open zou gaan door die brand, maar dat gebeurde niet. Toen ik brand had gesticht kwam de politie en heeft de politie de brand geblust. 2. Het proces-verbaal van bevindingen van 29 september 2025, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Uitwerking camerabeelden 20:16:58 uur: Ik zie dat er een persoon vanaf de linkerkant het camerabeeld in komt lopen. Ik zie dat de persoon tussen het hek en de oranje muur in loopt. Dit betreft het afgesloten gedeelte naast de fietsenstalling. Ik kan de persoon als volgt omschrijven: - man; - grijs/groene pet op zijn hoofd; - zwart vest met lange mouwen; - om de linkerhand is iets gewikkeld dat wit van kleur is; - grijze lange broek; - zwarte schoenen met witte zolen. De persoon wordt hierna verdachte genoemd. 20:17:04 uur: Ik zie dat de verdachte richting een grijze deur loopt die gevestigd is in de oranje muur. Ik zie dat de verdachte met zijn rechterhand de deurklink van de grijze deur vastpakt en hier meerdere keren aan trekt. Ik zie dat de verdachte dan meerdere keren met zijn rechtervoet tegen de grijze deur aantrapt. 20:17:15 uur: Ik zie dat de verdachte wegloopt van de grijze deur en richting de kartonnen dozen loopt. Ik zie dat de verdachte stil gaat staan bij de kartonnen dozen. Ik zie dat de verdachte met zijn bovenlichaam vooroverbuigt richting een kartonnen doos. Ik zie dat de verdachte zijn rechterhand in een kartonnen doos stopt. 20:18:01 uur: Ik zie dat de verdachte wegloopt van de kartonnen doos. Ik zie dat de verdachte in de richting loopt waar hij in eerste instantie het camerabeeld ingelopen kwam. Ik zie dat er in de kartonnen doos, waar de verdachte eerder zijn hand in hield, licht ontstaat. Ik zie dat de verdachte over zijn schouder kijkt naar de kartonnen doos waar het licht in ontstond. 20:18:06 uur tot 20:22:53 uur: Ik zie dat het licht dat ontstaan is in de kartonnen doos, steeds groter en feller wordt. Ik zie dat er vuurvlammen zijn, die zijn ontstaan in de kartonnen doos. Ik zie dat dit vuur steeds groter wordt. 20:22:53 uur tot en met 20:25:00 uur: Ik zie dat er een politieauto stopt en dat er een agent uitstapt. Ik zie dat de agent terugloopt naar de auto en daar een brandblusser uit pakt. Ik zie dat de agent samen met omstanders het vuur probeert te blussen. 3. Het proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2025, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 28 september 2025 omstreeks 20:21 uur kreeg ik de opdracht om naar een fietsenstalling in Lelystad te gaan, waar zich een persoon zou bevinden die zichzelf had ingesloten. Deze persoon zou tegen de dienstdoende centralist hebben gezegd dat als wij niet binnen tien minuten ter plaatse zouden zijn, hij voldoende brandstof zou hebben om een stapel dozen in brand te steken. Ik hoorde de centralist zeggen dat de persoon die belde [verdachte] heet. Aangekomen bij de fietsenstalling zag ik dat er een stapel dozen in brand stond. Ik zag dat de vlammen tot aan het plafond van de parkeergarage kwamen. Ik zag dat de brand zich bevond in een door een hek afgesloten gedeelte, afzonderlijk van de fietsenstalling, welke afgesloten was en waar ik niet bij kon komen. Tevens zag ik dat [verdachte] zich als enige bevond in dat gedeelte en tegen een toegangsdeur aan lag die leidt naar de kelderboxen onder het appartementencomplex. Middels een brandblusser heb ik door het hekwerk heen gepoogd de brand te blussen. Er was een groot gevaar voor uitbreiding van de brand, gezien het feit dat de brand gaande was onder het appartementencomplex en zich boven de vlammen een airco unit bevond. Tevens had een plafondplaat al vlam gevat. 3.3.2. Bewijsoverwegingen De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte heeft verklaard dat hij zich op 28 september 2025 per ongeluk heeft ingesloten in een (kelderbox in een) garage, onder een appartementencomplex en daar enkele uren heeft vastgezeten. Hij had een gebroken pols en had daarom veel pijn. De rechtbank kan op basis van overige gegevens in het dossier niet vaststellen hoe lang de verdachte heeft vastgezeten in de garage en volgt daarom zijn verklaring dat hij daar enkele uren heeft gezeten. Hij heeft geprobeerd om uit de garage te komen door lawaai te maken.
Volledig
Ook heeft hij verschillende familieleden en de politie gebeld. Dit heeft niet geholpen, waarna hij tijdens het derde telefoongesprek met de politie heeft gezegd dat hij de kartonnen dozen die naast hem lagen in de fik zou steken. Op de foto’s in het dossier is te zien dat er naast de verdachte kartonnen dozen op de grond lagen. De verdachte heeft de kartonnen dozen vervolgens in brand gestoken. Het vuur ontwikkelde zich snel tot grote vlammen. De politie is ter plaatse gekomen en heeft de brand geblust. Volgens de politie was er een groot gevaar voor uitbreiding van de brand, omdat er een airco-unit boven de vlammen hing en enkele meters verderop meerdere scooters en fietsen stonden. Een plafondplaat had inmiddels al vlamgevat. Gelet op deze omstandigheden verwerpt de rechtbank de lezing en het daarop gebaseerde verweer van de advocaat dat er geen gevaar voor goederen kon ontstaan. Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat de brand kon overslaan naar andere goederen die in de buurt stonden. Concluderend was er naar het oordeel van de rechtbank dan ook gevaar voor de in de garage aanwezige vervoersmiddelen en airco-unit te duchten. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte dan ook vrijgesproken. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: hij op of omstreeks 28 september 2025 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met verschillende (kartonnen) dozen en/of verpakkingsmateriaal - die zich bevonden in een parkeergarage en/of onder een appartementencomplex en/of naast een supermarkt - althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan de dozen en/of het verpakkingsmateriaal en /of een gedeelte van het plafond en /of de muur van die garage geheel of gedeeltelijk is/ zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan - gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de overige in die garage geparkeerd staande vervoersmiddelen en /of andere goederen in die garage en/of het appartementencomplex en/of de supermarkt te duchten was en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de zich in de garage en/of het appartementencomplex en/of de supermarkt bevindende personen te duchten was . De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: feit 1 primair: opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is 4.2. Strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 4.3. Strafbaarheid van de verdachte 4.3.1. Het standpunt van de verdediging De advocaat heeft betoogd dat er sprake was van psychische overmacht bij de verdachte en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft drie uur lang vastgezeten in een garage en heeft in paniek en wanhoop brandgesticht. Die brand was een middel om het doel, namelijk weg te kunnen komen, te bewerkstelligen. Hij heeft ook geprobeerd om uit de garage te komen door lawaai te maken. Hij heeft geschreeuwd en op de deur gebonkt. Daarnaast heeft hij meerdere familieleden en de politie gebeld en gevraagd of hij uit de garage kon worden gehaald. Dit heeft niet geholpen, waardoor hij uiteindelijk geen andere mogelijkheid zag dan brand te stichten zodat hij uit deze situatie kon ontsnappen. Door deze acute omstandigheden, is de verdachte in een dusdanige ongewone psychische toestand gebracht dat zijn wilsvrijheid was aangetast. Onderhavige situatie heeft een paniekreactie bij de verdachte doen ontstaan waaraan hij geen weerstand kon bieden en waardoor hij geen andere keuze meer had dan te handelen zoals hij heeft gedaan. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 4.3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht moet worden verworpen, omdat niet gebleken is van een van buiten komende drang waartegen weerstand redelijkerwijs niet kon worden gevergd. 4.3.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat er sprake is van een van buiten komende drang waartegen het wellicht niet onmogelijk is zich te verweren, maar waarbij van een verdachte in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij daartegen weerstand biedt. Er moet sprake zijn van een zodanige acute en onweerstaanbare druk, dat in gemoede kan worden gezegd dat de wilsvrijheid van de dader is aangetast. Daarbij moet rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval en ook met de persoonlijkheidskenmerken van de verdachte. De rechtbank overweegt dat psychische overmacht enkel in uitzonderlijke gevallen wordt aangenomen. De omstandigheden zoals die door de advocaat worden geschetst, leveren naar het oordeel van de rechtbank geen acute en onweerstaanbare druk van buitenaf op. Het is niet aannemelijk geworden dat er geen andere, minder ingrijpende uitweg was voor de verdachte uit de geschetste situatie dan het plegen van het bewezenverklaarde feit. In het laatste gesprek met de politie heeft de politie duidelijk gezegd dat ze zouden komen, maar dat het even kon duren. De situatie die de verdachte schetst was vervelend, maar niet zodanig benard dat hij naar een gevaarlijk middel als brandstichting mocht grijpen. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat geen sprake was van een drang waartegen de verdachte geen weerstand kon of behoefde te bieden. De rechtbank verwerpt het verweer. Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 5 Straf 5.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 226 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden: • meldplicht bij reclassering; • ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname; • dagbesteding; • beheersing middelengebruik; - een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. 5.2. Het standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de conclusies van het psychologisch rapport. Eén van de conclusies is de verdachte het tenlastegelegde licht verminderd toe te rekenen. De advocaat heeft verzocht de door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf te matigen. De verdachte is bereid om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. 5.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 227 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 120 uren. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze straf is gekomen. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in (de kelderbox van) een garage onder een appartementencomplex. De verdachte had zichzelf ingesloten en in de veronderstelling dat hierdoor de garagedeur zou opengaan, heeft hij karton in brand gestoken. Door het handelen van de verdachte was gevaar voor goederen te duchten.
Volledig
Ook heeft hij verschillende familieleden en de politie gebeld. Dit heeft niet geholpen, waarna hij tijdens het derde telefoongesprek met de politie heeft gezegd dat hij de kartonnen dozen die naast hem lagen in de fik zou steken. Op de foto’s in het dossier is te zien dat er naast de verdachte kartonnen dozen op de grond lagen. De verdachte heeft de kartonnen dozen vervolgens in brand gestoken. Het vuur ontwikkelde zich snel tot grote vlammen. De politie is ter plaatse gekomen en heeft de brand geblust. Volgens de politie was er een groot gevaar voor uitbreiding van de brand, omdat er een airco-unit boven de vlammen hing en enkele meters verderop meerdere scooters en fietsen stonden. Een plafondplaat had inmiddels al vlamgevat. Gelet op deze omstandigheden verwerpt de rechtbank de lezing en het daarop gebaseerde verweer van de advocaat dat er geen gevaar voor goederen kon ontstaan. Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat de brand kon overslaan naar andere goederen die in de buurt stonden. Concluderend was er naar het oordeel van de rechtbank dan ook gevaar voor de in de garage aanwezige vervoersmiddelen en airco-unit te duchten. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte dan ook vrijgesproken. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: hij op of omstreeks 28 september 2025 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met verschillende (kartonnen) dozen en/of verpakkingsmateriaal - die zich bevonden in een parkeergarage en/of onder een appartementencomplex en/of naast een supermarkt - althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan de dozen en/of het verpakkingsmateriaal en /of een gedeelte van het plafond en /of de muur van die garage geheel of gedeeltelijk is/ zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan - gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de overige in die garage geparkeerd staande vervoersmiddelen en /of andere goederen in die garage en/of het appartementencomplex en/of de supermarkt te duchten was en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de zich in de garage en/of het appartementencomplex en/of de supermarkt bevindende personen te duchten was . De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op: feit 1 primair: opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is 4.2. Strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 4.3. Strafbaarheid van de verdachte 4.3.1. Het standpunt van de verdediging De advocaat heeft betoogd dat er sprake was van psychische overmacht bij de verdachte en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft drie uur lang vastgezeten in een garage en heeft in paniek en wanhoop brandgesticht. Die brand was een middel om het doel, namelijk weg te kunnen komen, te bewerkstelligen. Hij heeft ook geprobeerd om uit de garage te komen door lawaai te maken. Hij heeft geschreeuwd en op de deur gebonkt. Daarnaast heeft hij meerdere familieleden en de politie gebeld en gevraagd of hij uit de garage kon worden gehaald. Dit heeft niet geholpen, waardoor hij uiteindelijk geen andere mogelijkheid zag dan brand te stichten zodat hij uit deze situatie kon ontsnappen. Door deze acute omstandigheden, is de verdachte in een dusdanige ongewone psychische toestand gebracht dat zijn wilsvrijheid was aangetast. Onderhavige situatie heeft een paniekreactie bij de verdachte doen ontstaan waaraan hij geen weerstand kon bieden en waardoor hij geen andere keuze meer had dan te handelen zoals hij heeft gedaan. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 4.3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht moet worden verworpen, omdat niet gebleken is van een van buiten komende drang waartegen weerstand redelijkerwijs niet kon worden gevergd. 4.3.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat er sprake is van een van buiten komende drang waartegen het wellicht niet onmogelijk is zich te verweren, maar waarbij van een verdachte in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij daartegen weerstand biedt. Er moet sprake zijn van een zodanige acute en onweerstaanbare druk, dat in gemoede kan worden gezegd dat de wilsvrijheid van de dader is aangetast. Daarbij moet rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval en ook met de persoonlijkheidskenmerken van de verdachte. De rechtbank overweegt dat psychische overmacht enkel in uitzonderlijke gevallen wordt aangenomen. De omstandigheden zoals die door de advocaat worden geschetst, leveren naar het oordeel van de rechtbank geen acute en onweerstaanbare druk van buitenaf op. Het is niet aannemelijk geworden dat er geen andere, minder ingrijpende uitweg was voor de verdachte uit de geschetste situatie dan het plegen van het bewezenverklaarde feit. In het laatste gesprek met de politie heeft de politie duidelijk gezegd dat ze zouden komen, maar dat het even kon duren. De situatie die de verdachte schetst was vervelend, maar niet zodanig benard dat hij naar een gevaarlijk middel als brandstichting mocht grijpen. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat geen sprake was van een drang waartegen de verdachte geen weerstand kon of behoefde te bieden. De rechtbank verwerpt het verweer. Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 5 Straf 5.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: - een gevangenisstraf van 226 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden: • meldplicht bij reclassering; • ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname; • dagbesteding; • beheersing middelengebruik; - een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. 5.2. Het standpunt van de verdediging De advocaat heeft de rechtbank verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de conclusies van het psychologisch rapport. Eén van de conclusies is de verdachte het tenlastegelegde licht verminderd toe te rekenen. De advocaat heeft verzocht de door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf te matigen. De verdachte is bereid om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. 5.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 227 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 120 uren. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze straf is gekomen. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in (de kelderbox van) een garage onder een appartementencomplex. De verdachte had zichzelf ingesloten en in de veronderstelling dat hierdoor de garagedeur zou opengaan, heeft hij karton in brand gestoken. Door het handelen van de verdachte was gevaar voor goederen te duchten.
Volledig
De gevolgen van een brandstichting zijn bijna nooit te voorzien. Vuur is onvoorspelbaar en de gevolgen hadden veel groter kunnen zijn als het vuur, dat het plafond al had bereikt, was overgeslagen op andere goederen in de garage of als de politie de brand niet op tijd had geblust. Een dergelijk feit levert niet alleen kostbare materiële schade op, maar zorgt daarnaast voor onrust in de maatschappij en vergroot de gevoelens van onveiligheid. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 5 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor brandstichting is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapport van een psycholoog die de verdachte heeft onderzocht van 30 december 2025. Uit dit rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken, een stoornis in het gebruik van alcohol in vroege remissie en een stoornis in het gebruik van cocaïne in vroege remissie. Daarnaast is bij de verdachte sprake van emotieregulatie-problematiek en kan dit worden versterkt door middelengebruik. Ten tijde van het tenlastegelegde was de verdachte in hevige mate onder invloed van alcohol en waren de emoties hoog opgelopen, onder andere omdat hij ervaarde dat hij niet werd geholpen, gehoord of serieus genomen, wat deels raakt aan de borderline persoonlijkheidsproblematiek. Vervolgens is hij overgegaan tot het tenlastegelegde. De psycholoog adviseert de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, indien bewezen, licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Het recidiverisico op een delict zoals ten laste is gelegd wordt in de huidige omstandigheden ingeschat als matig. Het recidiverisico op algemeen geweld wordt op de langere termijn en bij het uitblijven van behandeling ingeschat op matig-hoog. Volgens de psycholoog is behandeling bij een forensische polikliniek zoals De Waag, gericht op de persoonlijkheids- en emotieregulatie-problematiek nodig om het recidiverisico te minimaliseren. Ook dient er verdiepingsdiagnostiek naar ADHD plaats te vinden en dient er aandacht zijn voor de belastende en/of traumatiserende ervaringen in het verleden. De psycholoog adviseert bij een terugval in middelengebruik, een (naderende) crisissituatie of als ambulante behandeling onvoldoende van de grond komt een klinische opname in een forensische behandelinstelling zoals een forensische verslavingskliniek (FVK). De psycholoog vindt het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels)voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht het meest passend. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 maart 2026. Daarin staat dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is aangemeld voor behandeling bij Terwille. Het recidiverisico wordt ingeschat op gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. De op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat de ernst van dit strafbare feit, mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een fors voorwaardelijk strafdeel op te leggen en daar bijzondere voorwaarden aan te verbinden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Het is belangrijk dat de verdachte zo snel mogelijk begint aan de voor hem noodzakelijke behandeling. Bovendien heeft de verdachte vanaf het begin openheid van zaken gegeven. Om voornoemde redenen zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan geëist en zal de rechtbank de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de periode die hij in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 227 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd en door de officier van justitie zijn gevorderd. Dit betekent dat de verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft, mits hij zich aan de voorwaarden houdt. De gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf is enerzijds bedoeld om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en de opgelegde bijzondere voorwaarden na te leven Om recht te doen aan de ernst van het strafbare feit, zal de rechtbank ook een taakstraf van 120 uur opleggen, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal, gelet op de straf die zij aan de verdachte zal opleggen, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 7 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 227 (tweehonderdzevenentwintig) dagen ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd: zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak; zich laat behandelen door Terwille of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Volledig
De gevolgen van een brandstichting zijn bijna nooit te voorzien. Vuur is onvoorspelbaar en de gevolgen hadden veel groter kunnen zijn als het vuur, dat het plafond al had bereikt, was overgeslagen op andere goederen in de garage of als de politie de brand niet op tijd had geblust. Een dergelijk feit levert niet alleen kostbare materiële schade op, maar zorgt daarnaast voor onrust in de maatschappij en vergroot de gevoelens van onveiligheid. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 5 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor brandstichting is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapport van een psycholoog die de verdachte heeft onderzocht van 30 december 2025. Uit dit rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken, een stoornis in het gebruik van alcohol in vroege remissie en een stoornis in het gebruik van cocaïne in vroege remissie. Daarnaast is bij de verdachte sprake van emotieregulatie-problematiek en kan dit worden versterkt door middelengebruik. Ten tijde van het tenlastegelegde was de verdachte in hevige mate onder invloed van alcohol en waren de emoties hoog opgelopen, onder andere omdat hij ervaarde dat hij niet werd geholpen, gehoord of serieus genomen, wat deels raakt aan de borderline persoonlijkheidsproblematiek. Vervolgens is hij overgegaan tot het tenlastegelegde. De psycholoog adviseert de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, indien bewezen, licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Het recidiverisico op een delict zoals ten laste is gelegd wordt in de huidige omstandigheden ingeschat als matig. Het recidiverisico op algemeen geweld wordt op de langere termijn en bij het uitblijven van behandeling ingeschat op matig-hoog. Volgens de psycholoog is behandeling bij een forensische polikliniek zoals De Waag, gericht op de persoonlijkheids- en emotieregulatie-problematiek nodig om het recidiverisico te minimaliseren. Ook dient er verdiepingsdiagnostiek naar ADHD plaats te vinden en dient er aandacht zijn voor de belastende en/of traumatiserende ervaringen in het verleden. De psycholoog adviseert bij een terugval in middelengebruik, een (naderende) crisissituatie of als ambulante behandeling onvoldoende van de grond komt een klinische opname in een forensische behandelinstelling zoals een forensische verslavingskliniek (FVK). De psycholoog vindt het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels)voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht het meest passend. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 maart 2026. Daarin staat dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is aangemeld voor behandeling bij Terwille. Het recidiverisico wordt ingeschat op gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. De op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat de ernst van dit strafbare feit, mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een fors voorwaardelijk strafdeel op te leggen en daar bijzondere voorwaarden aan te verbinden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Het is belangrijk dat de verdachte zo snel mogelijk begint aan de voor hem noodzakelijke behandeling. Bovendien heeft de verdachte vanaf het begin openheid van zaken gegeven. Om voornoemde redenen zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan geëist en zal de rechtbank de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de periode die hij in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 227 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd en door de officier van justitie zijn gevorderd. Dit betekent dat de verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft, mits hij zich aan de voorwaarden houdt. De gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf is enerzijds bedoeld om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en de opgelegde bijzondere voorwaarden na te leven Om recht te doen aan de ernst van het strafbare feit, zal de rechtbank ook een taakstraf van 120 uur opleggen, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal, gelet op de straf die zij aan de verdachte zal opleggen, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 7 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 227 (tweehonderdzevenentwintig) dagen ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 180 (honderdtachtig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd: zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak; zich laat behandelen door Terwille of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.