Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-26
ECLI:NL:RBMNE:2026:2742
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
14,857 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2742 text/xml public 2026-05-20T09:54:51 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-26 16/306214-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2742 text/html public 2026-05-20T09:54:33 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2742 Rechtbank Midden-Nederland , 26-03-2026 / 16/306214-23 Veroorzaken verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte heeft - terwijl zij onder invloed was van alcohol - een kettingbotsing veroorzaakt. Straf: taakstraf 200 uur. OBM: 730 dagen waarvan 666 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/306214-23 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. I.J.M. de Wit (hierna: de advocaat); de officier van justitie: mr. L.E. van Zijl. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat: feit 1: op 13 november 2023 in De Meern onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd; feit 2 primair: op 13 november 2023 in De Meern op de A12 als bestuurder van een auto een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door, terwijl zij onder invloed was van alcohol, en het verkeer vóór haar langzaam reed of stilstond (file), niet (voldoende) op het verkeer voor haar te letten en met onverminderde snelheid op de file in te rijden, waardoor een kettingbotsing is ontstaan en [slachtoffer 1] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen; subsidiair: op 13 november 2023 in De Meern op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair van de beschuldiging heeft gepleegd. Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval (feit 2 primair) gaat de officier van justitie uit van aanmerkelijke schuld. Daarnaast vindt zij dat het letsel van het slachtoffer moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat voert geen verweer over het bewijs van feit 1, het rijden onder invloed. Ten aanzien van feit 2 stelt de advocaat zich op het standpunt dat feit 2 primair bewezen kan worden verklaard, in die zin dat het rijgedrag van de verdachte gekwalificeerd kan worden als aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend. Van de zwaardere gradaties van schuld is geen sprake en hier moet de verdachte dan ook gedeeltelijk voor worden vrijgesproken. Volgens de advocaat kan het letsel van het slachtoffer niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Deze verweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2 primair De rechtbank oordeelt dat feit 1 (het rijden onder invloed van alcohol) en feit 2 primair (schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet (hierna: WVW)) zijn bewezen. De verdachte bekent ook dat zij beide feiten heeft gepleegd, zoals deze hieronder in paragraaf 3.4 bewezen zijn verklaard. De advocaat heeft, met uitzondering van de gedeeltelijke vrijspraak voor de zwaardere gradaties van schuld aan het ongeval dan aanmerkelijke schuld en de betwisting dat het letsel van het slachtoffer gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel, ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. Omdat de feiten verder niet betwist worden, noemt de rechtbank alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert, met een aanvullende bewijsoverweging over onder andere de kwalificatie van het rijgedrag en het letsel. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan: de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 12 maart 2026; een proces-verbaal van aanrijding ; - een proces-verbaal van rijden onder invloed ; - een proces-verbaal van FO verkeer over de signaleringsborden ; - een proces-verbaal van de verklaring van getuige [getuige] ; - een geschrift, te weten een voorlopige ontslagbrief, over het letsel van slachtoffer [slachtoffer 1] ; - een proces-verbaal van de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] ; - een geschrift, te weten de schriftelijke slachtofferverklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] . 3.3.2. Bewijsoverwegingen Vastgestelde feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken het volgende vast. De verdachte reed op 13 november 2023 rond 16:49 uur in haar auto over de snelweg A12 in Utrecht. Er knipperden op dat moment matrixborden die een snelheidsbeperking van 50 en/of 70 kilometer per uur aangaven. Getuige [getuige] kwam net als de verdachte bij De Meern de snelweg op en heeft verklaard dat zij zag dat de matrixborden 50 km aangaven. Op de snelweg was op dat moment langzaam rijdend of stilstaand verkeer en er ontstond een file. De verdachte heeft verklaard dat zij net de snelweg was opgereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, dat zij de matrixborden niet heeft gezien en dat zij ook niet heeft gezien dat het verkeer vóór haar langzaam reed of stilstond. Op enig moment is de verdachte met onverminderde snelheid tegen de achterkant van een auto voor haar gereden, waarna een kettingbotsing ontstond. Vóór de botsing is er door een of meer andere weggebruikers geclaxonneerd om de verdachte te waarschuwen. Door de botsing heeft de bestuurder van de auto waar de verdachte tegenaan reed (slachtoffer [slachtoffer 1] ) letsel opgelopen. Na het ongeval heeft de verdachte meegewerkt aan een ademanalyseonderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat het alcoholgehalte in de adem van de verdachte 850 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was, daar waar het alcoholgehalte bij een ervaren bestuurder niet hoger mag zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Juridisch kader De verdachte wordt er onder feit 2 primair van beschuldigd dat zij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat zij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor een bewezenverklaring van deze schuld, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht. Beoordeling Bij de beoordeling van de (mate van) schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden. De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een auto in het algemeen voortdurende voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder vraagt. In de verkeerssituatie in deze zaak mocht daarnaast extra voorzichtigheid van de verdachte worden verwacht. Toen de verdachte over de snelweg reed, was het namelijk avondspits (het was maandag rond 16:49 uur) en was er sprake van langzaam rijdend of stilstaand verkeer en uiteindelijk filevorming.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2742 text/xml public 2026-05-20T09:54:51 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-26 16/306214-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Utrecht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2742 text/html public 2026-05-20T09:54:33 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2742 Rechtbank Midden-Nederland , 26-03-2026 / 16/306214-23 Veroorzaken verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte heeft - terwijl zij onder invloed was van alcohol - een kettingbotsing veroorzaakt. Straf: taakstraf 200 uur. OBM: 730 dagen waarvan 666 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/306214-23 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. I.J.M. de Wit (hierna: de advocaat); de officier van justitie: mr. L.E. van Zijl. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat: feit 1: op 13 november 2023 in De Meern onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd; feit 2 primair: op 13 november 2023 in De Meern op de A12 als bestuurder van een auto een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door, terwijl zij onder invloed was van alcohol, en het verkeer vóór haar langzaam reed of stilstond (file), niet (voldoende) op het verkeer voor haar te letten en met onverminderde snelheid op de file in te rijden, waardoor een kettingbotsing is ontstaan en [slachtoffer 1] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen; subsidiair: op 13 november 2023 in De Meern op de hiervoor beschreven manier gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt. De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair van de beschuldiging heeft gepleegd. Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval (feit 2 primair) gaat de officier van justitie uit van aanmerkelijke schuld. Daarnaast vindt zij dat het letsel van het slachtoffer moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat voert geen verweer over het bewijs van feit 1, het rijden onder invloed. Ten aanzien van feit 2 stelt de advocaat zich op het standpunt dat feit 2 primair bewezen kan worden verklaard, in die zin dat het rijgedrag van de verdachte gekwalificeerd kan worden als aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend. Van de zwaardere gradaties van schuld is geen sprake en hier moet de verdachte dan ook gedeeltelijk voor worden vrijgesproken. Volgens de advocaat kan het letsel van het slachtoffer niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Deze verweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2 primair De rechtbank oordeelt dat feit 1 (het rijden onder invloed van alcohol) en feit 2 primair (schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet (hierna: WVW)) zijn bewezen. De verdachte bekent ook dat zij beide feiten heeft gepleegd, zoals deze hieronder in paragraaf 3.4 bewezen zijn verklaard. De advocaat heeft, met uitzondering van de gedeeltelijke vrijspraak voor de zwaardere gradaties van schuld aan het ongeval dan aanmerkelijke schuld en de betwisting dat het letsel van het slachtoffer gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel, ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. Omdat de feiten verder niet betwist worden, noemt de rechtbank alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert, met een aanvullende bewijsoverweging over onder andere de kwalificatie van het rijgedrag en het letsel. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan: de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 12 maart 2026; een proces-verbaal van aanrijding ; - een proces-verbaal van rijden onder invloed ; - een proces-verbaal van FO verkeer over de signaleringsborden ; - een proces-verbaal van de verklaring van getuige [getuige] ; - een geschrift, te weten een voorlopige ontslagbrief, over het letsel van slachtoffer [slachtoffer 1] ; - een proces-verbaal van de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] ; - een geschrift, te weten de schriftelijke slachtofferverklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] . 3.3.2. Bewijsoverwegingen Vastgestelde feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken het volgende vast. De verdachte reed op 13 november 2023 rond 16:49 uur in haar auto over de snelweg A12 in Utrecht. Er knipperden op dat moment matrixborden die een snelheidsbeperking van 50 en/of 70 kilometer per uur aangaven. Getuige [getuige] kwam net als de verdachte bij De Meern de snelweg op en heeft verklaard dat zij zag dat de matrixborden 50 km aangaven. Op de snelweg was op dat moment langzaam rijdend of stilstaand verkeer en er ontstond een file. De verdachte heeft verklaard dat zij net de snelweg was opgereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, dat zij de matrixborden niet heeft gezien en dat zij ook niet heeft gezien dat het verkeer vóór haar langzaam reed of stilstond. Op enig moment is de verdachte met onverminderde snelheid tegen de achterkant van een auto voor haar gereden, waarna een kettingbotsing ontstond. Vóór de botsing is er door een of meer andere weggebruikers geclaxonneerd om de verdachte te waarschuwen. Door de botsing heeft de bestuurder van de auto waar de verdachte tegenaan reed (slachtoffer [slachtoffer 1] ) letsel opgelopen. Na het ongeval heeft de verdachte meegewerkt aan een ademanalyseonderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat het alcoholgehalte in de adem van de verdachte 850 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was, daar waar het alcoholgehalte bij een ervaren bestuurder niet hoger mag zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Juridisch kader De verdachte wordt er onder feit 2 primair van beschuldigd dat zij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat zij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor een bewezenverklaring van deze schuld, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht. Beoordeling Bij de beoordeling van de (mate van) schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden. De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een auto in het algemeen voortdurende voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder vraagt. In de verkeerssituatie in deze zaak mocht daarnaast extra voorzichtigheid van de verdachte worden verwacht. Toen de verdachte over de snelweg reed, was het namelijk avondspits (het was maandag rond 16:49 uur) en was er sprake van langzaam rijdend of stilstaand verkeer en uiteindelijk filevorming.
Volledig
Dat bestuurders extra voorzichtig moesten zijn werd ook aangeven op de matrixborden boven de snelweg die een snelheidsbeperking aangaven van 70 en/of 50 kilometer per uur. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat zij nog maar net op de snelweg reed en nog vaart aan het maken was. Juist in zo een situatie mag van bestuurders worden verwacht dat zij extra alert zijn op het verkeersbeeld en hun rijgedrag daarop aanpassen. De verdachte heeft echter niet (voldoende) haar aandacht op de weg gericht gehouden. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij ‘er in haar gedachten niet bij was’. Hierdoor heeft de verdachte niet gezien dat de matrixborden knipperden en een snelheidsbeperking aangaven, niet gezien dat er voor haar op de weg een file ontstond door langzaam rijdend of stilstaand verkeer en ook niet opgemerkt dat er meerdere malen werd getoeterd toen zij met volle snelheid op de filevorming afreed. Van slechts een kort moment van onoplettendheid is geen sprake geweest. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte al op een afstand van 340 meter voor de file werd gewaarschuwd door de matrixborden. Gelet op haar eigen verklaring dat zij met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur reed, betekent dit dat zij bij het passeren van de borden nog ruim 13 seconden de tijd heeft gehad om haar snelheid aan te passen aan het langzaam rijdende verkeer. Dat heeft zij echter niet gedaan. Hieruit blijkt dat zij gedurende een langere tijd onoplettend is geweest. Daar komt bij dat de verdachte onder invloed was van een forse hoeveelheid alcohol. In dit verband overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat de rijvaardigheid negatief beïnvloed wordt wanneer er sprake is van alcoholgebruik. Hierdoor is een bestuurder minder goed in staat te anticiperen op onverwachte gebeurtenissen en ook is de reactiesnelheid vertraagd. Deze feiten en omstandigheden samen bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte met het (hiervoor beschreven) verkeersgedrag tekortgeschoten is ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. De verdachte had anders kunnen en moeten handelen dan zij heeft gedaan. De rechtbank kwalificeert dit verkeersgedrag van de verdachte – net als de officier van justitie en de verdediging – als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag of roekeloos rijgedrag. Om vast te kunnen stellen dat daarvan sprake is, is namelijk meer nodig dan wat er in deze zaak bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de zwaardere ten laste gelegde schuldgradaties van zeer onvoorzichtig en onoplettend en roekeloos rijgedrag. Zwaar lichamelijk letsel De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het letsel van het slachtoffer vanwege de aard en ernst hiervan, de lange duur van het herstel maar ook naar algemeen spraakgebruik, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Uit de medische verklaring en de verklaring van het slachtoffer op 13 december 2023 volgt dat zij als gevolg van het door de verdachte veroorzaakte ongeval onder andere gebroken oogkassen, een gebroken neus, een spierscheur in haar rechterkuit en een scheur in haar schedel heeft opgelopen. 14 hechtingen in het achterhoofd en opname in het ziekenhuis was noodzakelijk. Daarnaast blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, die op 1 mei 2025 (ongeveer anderhalf jaar na het ongeval) aan het dossier is toegevoegd, dat zij op dat moment nog steeds niet volledig was hersteld. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen vindt dat de verdachte artikel 6 WVW heeft overtreden, dat zij aanmerkelijke schuld heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval en dat het slachtoffer door ten gevolge van de verkeersovertredingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 2 primair. Daarnaast vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder invloed van de in de tenlastelegging vermelde forse hoeveelheid alcohol heeft gereden en komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van feit 1. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: Feit 1 op 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 850 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; Feit 2, primair op 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - terwijl de matrixborden op 340 meter van de plaats van het ongeval vandaan met geel knipperende lampen een aangepaste snelheid aangaf, te weten 50 en/of 70 km/u en - terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die A12 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en - met onverminderde snelheid, en - (daarbij) niet, althans onvoldoende acht te slaan op de vóór haar gelegen rijbanen en het zich vóór haar bevindende verkeer op die rijbanen en (vervolgens) - de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig aan te passen dat zij in staat was om die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg/rijbaan kon overzien en deze vrij was en (vervolgens) - met onverminderdesnelheid op het langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer in te rijden, waardoor zij in botsing is gekomen met een voor haar op de weg bevindende voertuig en (aldus) dat voertuig waar verdachte met haar personenauto mee in botsing is gekomen, in botsing is gekomen met het zich dáárvoor bevindende voertuig (een zogenaamde "kettingbotsing"), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten - gebroken oogkassen en holtes en neus en - scheur in de schedel met bloeding en - spierscheur in de rechterkuit en - 14 hechtingen in het achterhoofd, werd toegebracht, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeldin artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: De eendaadse samenloop van feit 1: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994; en feit 2 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid van deze wet. 4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert; een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte een blanco strafblad heeft, openheid van zaken heeft gegeven en contact heeft gezocht met de slachtoffers. De verdachte is momenteel de schade van de slachtoffers aan het afbetalen. Daarnaast heeft de verdachte haar rijbewijs nodig voor haar werk.
Volledig
Dat bestuurders extra voorzichtig moesten zijn werd ook aangeven op de matrixborden boven de snelweg die een snelheidsbeperking aangaven van 70 en/of 50 kilometer per uur. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat zij nog maar net op de snelweg reed en nog vaart aan het maken was. Juist in zo een situatie mag van bestuurders worden verwacht dat zij extra alert zijn op het verkeersbeeld en hun rijgedrag daarop aanpassen. De verdachte heeft echter niet (voldoende) haar aandacht op de weg gericht gehouden. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij ‘er in haar gedachten niet bij was’. Hierdoor heeft de verdachte niet gezien dat de matrixborden knipperden en een snelheidsbeperking aangaven, niet gezien dat er voor haar op de weg een file ontstond door langzaam rijdend of stilstaand verkeer en ook niet opgemerkt dat er meerdere malen werd getoeterd toen zij met volle snelheid op de filevorming afreed. Van slechts een kort moment van onoplettendheid is geen sprake geweest. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte al op een afstand van 340 meter voor de file werd gewaarschuwd door de matrixborden. Gelet op haar eigen verklaring dat zij met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur reed, betekent dit dat zij bij het passeren van de borden nog ruim 13 seconden de tijd heeft gehad om haar snelheid aan te passen aan het langzaam rijdende verkeer. Dat heeft zij echter niet gedaan. Hieruit blijkt dat zij gedurende een langere tijd onoplettend is geweest. Daar komt bij dat de verdachte onder invloed was van een forse hoeveelheid alcohol. In dit verband overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat de rijvaardigheid negatief beïnvloed wordt wanneer er sprake is van alcoholgebruik. Hierdoor is een bestuurder minder goed in staat te anticiperen op onverwachte gebeurtenissen en ook is de reactiesnelheid vertraagd. Deze feiten en omstandigheden samen bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte met het (hiervoor beschreven) verkeersgedrag tekortgeschoten is ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. De verdachte had anders kunnen en moeten handelen dan zij heeft gedaan. De rechtbank kwalificeert dit verkeersgedrag van de verdachte – net als de officier van justitie en de verdediging – als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag of roekeloos rijgedrag. Om vast te kunnen stellen dat daarvan sprake is, is namelijk meer nodig dan wat er in deze zaak bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de zwaardere ten laste gelegde schuldgradaties van zeer onvoorzichtig en onoplettend en roekeloos rijgedrag. Zwaar lichamelijk letsel De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het letsel van het slachtoffer vanwege de aard en ernst hiervan, de lange duur van het herstel maar ook naar algemeen spraakgebruik, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Uit de medische verklaring en de verklaring van het slachtoffer op 13 december 2023 volgt dat zij als gevolg van het door de verdachte veroorzaakte ongeval onder andere gebroken oogkassen, een gebroken neus, een spierscheur in haar rechterkuit en een scheur in haar schedel heeft opgelopen. 14 hechtingen in het achterhoofd en opname in het ziekenhuis was noodzakelijk. Daarnaast blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring, die op 1 mei 2025 (ongeveer anderhalf jaar na het ongeval) aan het dossier is toegevoegd, dat zij op dat moment nog steeds niet volledig was hersteld. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen vindt dat de verdachte artikel 6 WVW heeft overtreden, dat zij aanmerkelijke schuld heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval en dat het slachtoffer door ten gevolge van de verkeersovertredingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 2 primair. Daarnaast vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder invloed van de in de tenlastelegging vermelde forse hoeveelheid alcohol heeft gereden en komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van feit 1. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: Feit 1 op 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 850 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; Feit 2, primair op 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - terwijl de matrixborden op 340 meter van de plaats van het ongeval vandaan met geel knipperende lampen een aangepaste snelheid aangaf, te weten 50 en/of 70 km/u en - terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die A12 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en - met onverminderde snelheid, en - (daarbij) niet, althans onvoldoende acht te slaan op de vóór haar gelegen rijbanen en het zich vóór haar bevindende verkeer op die rijbanen en (vervolgens) - de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig aan te passen dat zij in staat was om die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg/rijbaan kon overzien en deze vrij was en (vervolgens) - met onverminderdesnelheid op het langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer in te rijden, waardoor zij in botsing is gekomen met een voor haar op de weg bevindende voertuig en (aldus) dat voertuig waar verdachte met haar personenauto mee in botsing is gekomen, in botsing is gekomen met het zich dáárvoor bevindende voertuig (een zogenaamde "kettingbotsing"), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten - gebroken oogkassen en holtes en neus en - scheur in de schedel met bloeding en - spierscheur in de rechterkuit en - 14 hechtingen in het achterhoofd, werd toegebracht, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeldin artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994; De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: De eendaadse samenloop van feit 1: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994; en feit 2 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid van deze wet. 4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot: een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert; een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte een blanco strafblad heeft, openheid van zaken heeft gegeven en contact heeft gezocht met de slachtoffers. De verdachte is momenteel de schade van de slachtoffers aan het afbetalen. Daarnaast heeft de verdachte haar rijbewijs nodig voor haar werk.
Volledig
Gelet op deze omstandigheden verzoekt de advocaat om aan te sluiten bij de eis van de officier van justitie voor wat betreft de (hoogte van de) taakstraf en daarnaast een deels voorwaardelijke rijontzegging op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode dat de verdachte haar rijbewijs al kwijt is geweest. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd De verdachte heeft zich als bestuurder van een auto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte is de weg op gegaan nadat ze in de uren daarvoor een halve fles wodka had op gedronken en weinig had geslapen. Zij had moeten beseffen dat ze daardoor absoluut niet meer in staat was om te rijden. Toen zij de snelweg opkwam merkte ze niet dat de matrixborden aangaven dat er langzamer moest worden gereden. Ze is met volle snelheid achterop een file ingereden en heeft hierdoor een kettingbotsing veroorzaakt. De bestuurder van de auto waar zij achterop reed, mevrouw [slachtoffer 1] , heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Mevrouw [slachtoffer 1] vertelt in haar slachtofferverklaring dat ze te kampen had met forse pijnklachten en een gebrek aan energie en dat het leven van het hele gezin door het ongeluk ingrijpend is veranderd. Bij het ongeval was nog een derde auto betrokken. De bestuurder van deze auto, mevrouw [slachtoffer 2] , heeft ook verklaard dat het ongeval langdurig impact heeft gehad op haar werk- en privéleven. Naast dit slachtoffer zijn er door de kettingbotsing ook andere verkeersdeelnemers geconfronteerd met het handelen van de verdachte. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 30 januari 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook na dit verkeersongeval (tot aan de datum van de zitting een periode van meer dan 2 jaar) is de verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld, waarbij de verdachte verkeerde onder invloed van alcohol (meer dan 570 µg/l alcohol) en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een rijontzegging van 2 jaar als uitgangspunt genomen. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van het oriëntatiepunt en geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen en om daarnaast de rijontzegging deels voorwaardelijk op te leggen. Hierbij let de rechtbank onder andere op het blanco strafblad van de verdachte, waardoor de indruk ontstaat dat dit om een weliswaar ernstig, maar eenmalig incident gaat. De verdachte heeft op zitting laten zien dat zij gevoelens van schaamte en spijt heeft en dat zij zich bewust is van haar schuld aan het ongeval. Na het ongeval heeft de verdachte uit zichzelf meerdere malen contact opgenomen met de beide slachtoffers van het verkeersongeval en haar excuses aangeboden. Inmiddels betaalt de verdachte maandelijks een fors bedrag om de geleden schade van de slachtoffers te vergoeden. De verdachte neemt dus haar verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid neemt zij ook door hulp te zoeken voor zichzelf. De verdachte heeft verklaard dat depressieve gevoelens een rol speelden bij haar alcoholinname en vervolgens bij het bewezenverklaarde. De rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte haar toevlucht zocht in de alcohol en vervolgens de auto in is gestapt en andere verkeersdeelnemers in gevaar bracht. Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook dat de verdachte haar les uit het ongeval heeft getrokken en professionele hulp zoekt voor haar psychische problemen. De rechtbank stelt tot slot vast dat ten tijde van de uitspraak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Dit betekent dat het te lang heeft geduurd voordat de strafzaak is behandeld. Als uitgangspunt geldt namelijk dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop de verdachte is aangehouden als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, namelijk 12 november 2023. Tussen die datum en de datum van het vonnis ligt een periode van meer dan vier maanden die de redelijke termijn overschrijdt. Het tijdsverloop sinds het ongeval is groot en dat is niet aan de verdachte te wijten. Dat betekent dat de rechtbank het tijdsverloop en de (beperkte) overschrijding van de redelijke termijn wel in strafmatigende zin meeweegt. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 200 uur op. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) rijontzegging opleggen voor de duur van 730 dagen, waarbij - gelet op het tijdsverloop en de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden - het onvoorwaardelijke deel overeenkomt met de tijd dat het rijbewijs van de verdachte al ingevorderd en ingehouden is geweest, te weten 64 dagen. De overige 666 dagen worden voorwaardelijk opgelegd. Deze bijkomende straf wordt opgelegd met het doel om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw onder invloed van middelen deel te nemen aan het verkeer en onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De rechtbank wijkt wat betreft de rijontzegging af van de eis van de officier van justitie, omdat zij meer rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop in deze zaak. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 9, 14a, 14b, 14c en 55 van het Wetboek van Strafrecht; artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 7 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uur ; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis; Rijontzegging ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 730 dagen ; bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest (64 dagen); bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, namelijk 666 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast; Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
Volledig
Gelet op deze omstandigheden verzoekt de advocaat om aan te sluiten bij de eis van de officier van justitie voor wat betreft de (hoogte van de) taakstraf en daarnaast een deels voorwaardelijke rijontzegging op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode dat de verdachte haar rijbewijs al kwijt is geweest. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd De verdachte heeft zich als bestuurder van een auto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De verdachte is de weg op gegaan nadat ze in de uren daarvoor een halve fles wodka had op gedronken en weinig had geslapen. Zij had moeten beseffen dat ze daardoor absoluut niet meer in staat was om te rijden. Toen zij de snelweg opkwam merkte ze niet dat de matrixborden aangaven dat er langzamer moest worden gereden. Ze is met volle snelheid achterop een file ingereden en heeft hierdoor een kettingbotsing veroorzaakt. De bestuurder van de auto waar zij achterop reed, mevrouw [slachtoffer 1] , heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Mevrouw [slachtoffer 1] vertelt in haar slachtofferverklaring dat ze te kampen had met forse pijnklachten en een gebrek aan energie en dat het leven van het hele gezin door het ongeluk ingrijpend is veranderd. Bij het ongeval was nog een derde auto betrokken. De bestuurder van deze auto, mevrouw [slachtoffer 2] , heeft ook verklaard dat het ongeval langdurig impact heeft gehad op haar werk- en privéleven. Naast dit slachtoffer zijn er door de kettingbotsing ook andere verkeersdeelnemers geconfronteerd met het handelen van de verdachte. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 30 januari 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook na dit verkeersongeval (tot aan de datum van de zitting een periode van meer dan 2 jaar) is de verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee. Strafkader Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld, waarbij de verdachte verkeerde onder invloed van alcohol (meer dan 570 µg/l alcohol) en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een rijontzegging van 2 jaar als uitgangspunt genomen. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van het oriëntatiepunt en geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen en om daarnaast de rijontzegging deels voorwaardelijk op te leggen. Hierbij let de rechtbank onder andere op het blanco strafblad van de verdachte, waardoor de indruk ontstaat dat dit om een weliswaar ernstig, maar eenmalig incident gaat. De verdachte heeft op zitting laten zien dat zij gevoelens van schaamte en spijt heeft en dat zij zich bewust is van haar schuld aan het ongeval. Na het ongeval heeft de verdachte uit zichzelf meerdere malen contact opgenomen met de beide slachtoffers van het verkeersongeval en haar excuses aangeboden. Inmiddels betaalt de verdachte maandelijks een fors bedrag om de geleden schade van de slachtoffers te vergoeden. De verdachte neemt dus haar verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid neemt zij ook door hulp te zoeken voor zichzelf. De verdachte heeft verklaard dat depressieve gevoelens een rol speelden bij haar alcoholinname en vervolgens bij het bewezenverklaarde. De rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte haar toevlucht zocht in de alcohol en vervolgens de auto in is gestapt en andere verkeersdeelnemers in gevaar bracht. Tegelijkertijd ziet de rechtbank ook dat de verdachte haar les uit het ongeval heeft getrokken en professionele hulp zoekt voor haar psychische problemen. De rechtbank stelt tot slot vast dat ten tijde van de uitspraak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Dit betekent dat het te lang heeft geduurd voordat de strafzaak is behandeld. Als uitgangspunt geldt namelijk dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop de verdachte is aangehouden als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, namelijk 12 november 2023. Tussen die datum en de datum van het vonnis ligt een periode van meer dan vier maanden die de redelijke termijn overschrijdt. Het tijdsverloop sinds het ongeval is groot en dat is niet aan de verdachte te wijten. Dat betekent dat de rechtbank het tijdsverloop en de (beperkte) overschrijding van de redelijke termijn wel in strafmatigende zin meeweegt. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 200 uur op. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) rijontzegging opleggen voor de duur van 730 dagen, waarbij - gelet op het tijdsverloop en de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden - het onvoorwaardelijke deel overeenkomt met de tijd dat het rijbewijs van de verdachte al ingevorderd en ingehouden is geweest, te weten 64 dagen. De overige 666 dagen worden voorwaardelijk opgelegd. Deze bijkomende straf wordt opgelegd met het doel om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw onder invloed van middelen deel te nemen aan het verkeer en onvoorzichtig en onoplettend te rijden. De rechtbank wijkt wat betreft de rijontzegging af van de eis van de officier van justitie, omdat zij meer rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop in deze zaak. 6 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 9, 14a, 14b, 14c en 55 van het Wetboek van Strafrecht; artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 7 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uur ; - beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis; Rijontzegging ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 730 dagen ; bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest (64 dagen); bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte, namelijk 666 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd , tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast; Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Garvelink, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
Volledig
Bijlage: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 zij op of omstreeks 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 850 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn 2 zij op of omstreeks 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl de matrixborden op 340 meter van de plaats van het ongeval vandaan met geel knipperende lampen een aangepaste snelheid aangaf, te weten 50 en/of 70 km/u en/of - terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die A12 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en/of - met onverminderde snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse (op zich boven de weg bevindende matrixborden aangegeven) toegestane maximumsnelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was te rijden en/of - (daarbij) niet, althans onvoldoende acht te slaan op de vóór haar gelegen rijbanen en/of het zich vóór haar bevindende verkeer op die rijbanen en/of (vervolgens) - de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig aan te passen dat zij in staat was om die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg/rijbaan kon overzien en deze vrij was en/of (vervolgens) - met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid op het langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer in te rijden, waardoor - zij in botsing is gekomen met een voor haar op de weg bevindende voertuig en (aldus) dat voertuig waar verdachte met haar personenauto mee in botsing is gekomen, in botsing is gekomen met het zich dáárvoor bevindende voertuig (een zogenaamde "kettingbotsing"), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten - gebroken oogkassen en/of holtes en/of neus en/of - scheur in de schedel met bloeding en/of - spierscheur in de rechterkuit en/of - 14 hechtingen in het achterhoofd, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A12, - terwijl de matrixborden op 340 meter van de plaats van het ongeval vandaan met geel knipperende lampen een aangepaste snelheid aangaf, te weten 50 en/of 70 km/u en/of - terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die A12 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en/of - met onverminderde snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse (op zich boven de weg bevindende matrixborden aangegeven) toegestane maximumsnelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was heeft gereden en/of - (daarbij) niet, althans onvoldoende acht heeft geslagen op de vóór haar gelegenrijbanen en/of het zich vóór haar bevindende verkeer op die rijbanen en/of (vervolgens) - de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig aan heeft gepast dat zij in staat was om die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg/rijbaan kon overzien en deze vrij was en/of (vervolgens) - met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid op het langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer in heeft gereden, waardoor - zij in botsing is gekomen met een voor haar op de weg bevindende voertuig en (aldus) dat voertuig waar verdachte met haar personenauto mee in botsing is gekomen, in botsing is gekomen met het zich dáárvoor bevindende voertuig (een zogenaamde "kettingbotsing"), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2023348675, doorgenummerd pagina 1 tot en met 61. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 6 tot en met 10. Pagina 40 tot en met 44. Pagina 1 tot en met 10 van het Aanvullend procesdossier (losbladig). Pagina 31. Pagina 22 tot en met 25. Pagina 19.
Volledig
Bijlage: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1 zij op of omstreeks 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 850 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn 2 zij op of omstreeks 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl de matrixborden op 340 meter van de plaats van het ongeval vandaan met geel knipperende lampen een aangepaste snelheid aangaf, te weten 50 en/of 70 km/u en/of - terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die A12 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en/of - met onverminderde snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse (op zich boven de weg bevindende matrixborden aangegeven) toegestane maximumsnelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was te rijden en/of - (daarbij) niet, althans onvoldoende acht te slaan op de vóór haar gelegen rijbanen en/of het zich vóór haar bevindende verkeer op die rijbanen en/of (vervolgens) - de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig aan te passen dat zij in staat was om die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg/rijbaan kon overzien en deze vrij was en/of (vervolgens) - met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid op het langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer in te rijden, waardoor - zij in botsing is gekomen met een voor haar op de weg bevindende voertuig en (aldus) dat voertuig waar verdachte met haar personenauto mee in botsing is gekomen, in botsing is gekomen met het zich dáárvoor bevindende voertuig (een zogenaamde "kettingbotsing"), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten - gebroken oogkassen en/of holtes en/of neus en/of - scheur in de schedel met bloeding en/of - spierscheur in de rechterkuit en/of - 14 hechtingen in het achterhoofd, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 13 november 2023 te De Meern, gemeente Utrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A12, - terwijl de matrixborden op 340 meter van de plaats van het ongeval vandaan met geel knipperende lampen een aangepaste snelheid aangaf, te weten 50 en/of 70 km/u en/of - terwijl op de voor haar, verdachte, gelegen rijbaan van die A12 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file) en/of - met onverminderde snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse (op zich boven de weg bevindende matrixborden aangegeven) toegestane maximumsnelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was heeft gereden en/of - (daarbij) niet, althans onvoldoende acht heeft geslagen op de vóór haar gelegenrijbanen en/of het zich vóór haar bevindende verkeer op die rijbanen en/of (vervolgens) - de snelheid van de door haar bestuurde personenauto niet zodanig aan heeft gepast dat zij in staat was om die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij die weg/rijbaan kon overzien en deze vrij was en/of (vervolgens) - met onverminderde, althans met (te) hoge snelheid op het langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer in heeft gereden, waardoor - zij in botsing is gekomen met een voor haar op de weg bevindende voertuig en (aldus) dat voertuig waar verdachte met haar personenauto mee in botsing is gekomen, in botsing is gekomen met het zich dáárvoor bevindende voertuig (een zogenaamde "kettingbotsing"), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2023348675, doorgenummerd pagina 1 tot en met 61. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Pagina 6 tot en met 10. Pagina 40 tot en met 44. Pagina 1 tot en met 10 van het Aanvullend procesdossier (losbladig). Pagina 31. Pagina 22 tot en met 25. Pagina 19.