Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:2447
Civiel recht
Beschikking
6,171 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2447 text/xml public 2026-05-19T13:39:16 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11838260 \ AE VERZ 25-54 Uitspraak Beschikking NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2447 text/html public 2026-05-19T13:39:02 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2447 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11838260 \ AE VERZ 25-54 Deelgeschil. Val bij inladen bestelbus. Geen werkgeversaansprakelijkheid. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer / rekestnummer: 11838260 \ AE VERZ 25-54 Beschikking van 6 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. S.F. Soeltan, tegen 1 [verweerder sub 1] B.V., te [plaats] , hierna te noemen: [verweerder sub 1] , 2. ALLIANZ BENELUX N.V. , te Rotterdam, hierna te noemen: Allianz, verwerende partijen, gemachtigde: mr. R.J. Schellevis. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 7 producties, - het verweerschrift met 4 producties, - de mondelinge behandeling van 8 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van [verzoeker] . 1.2 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] was werkzaam bij [verweerder sub 1] en was verantwoordelijk voor het inladen, vervoeren en bezorgen van meubels. Op 24 februari 2020 is hij bij het inladen van de bestelbus ten val gekomen. Hierdoor heeft [verzoeker] een verbrijzelde radiuskop en een scheur in zijn linker elleboogbot opgelopen. Daarvan ervaart [verzoeker] nog steeds klachten. In deze procedure verzoekt [verzoeker] een verklaring voor recht dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van het ongeval en een verklaring voor recht dat Allianz de schade moet vergoeden. Ook verzoekt [verzoeker] om begroting en betaling van de kosten voor dit deelgeschil. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoeker] af, maar begroot wel de kosten van dit deelgeschil. 3 De beoordeling De zaak is geschikt voor deelgeschil 3.1 [verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt. 3.2 De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv). 3.3 Het staat niet ter discussie dat de zaak geschikt is om in deelgeschil te behandelen. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken. Geen aansprakelijkheid van [verweerder sub 1] 3.4 [verzoeker] heeft zijn verzoeken gebaseerd op artikel 7:658 BW. Lid 1 van dit artikel vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (Hoge Raad 11 april 2008, NJ 2008/465). [verweerder sub 1] is als werkgever van [verzoeker] op grond van artikel 7:658 BW dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen, die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat sprake zou zijn van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] is in dit geschil geen onderdeel van het partijdebat. 3.5 Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat [verzoeker] de schade heeft geleden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Dat staat dus vast. Vervolgens is de vraag of [verweerder sub 1] als werkgever haar zorgplicht op grond van artikel 7:658 lid 1 BW heeft geschonden. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [verweerder sub 1] haar zorgplicht niet heeft geschonden. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. 3.6 Partijen verschillen van mening over de toedracht van het ongeval. Volgens [verzoeker] is het ongeval als volgt ontstaan: [verzoeker] was samen met collega [A] meubels aan het inladen in de bestelbus. Omdat het regende, moest de lading snel ingeladen worden, omdat de meubels anders nat zouden worden. [verzoeker] en [A] stonden op het uiterste randje van de bestelbus om de meubels naar achter te duwen, zodat de deuren van de bus dicht konden worden gedaan. [verzoeker] stond schuin tegen de lading aan te duwen, totdat zijn linkervoet wegschoot, waardoor hij uit balans raakte en uit de vrachtwagen viel. Volgens [verweerder sub 1] is de toedracht van het ongeval anders, namelijk: uit de verklaringen van [A] blijkt dat [verzoeker] is gevallen toen hij zonder lading rennend uit de auto stapte en uitgleed, terwijl [A] bezig was met het vastzetten van de lading met een sjorband. 3.7 Door [verzoeker] is niet aangevoerd wat het verschil van mening over de toedracht van het ongeval voor consequenties heeft voor de zorgplicht van [verweerder sub 1] . De verwijten van [verzoeker] aan [verweerder sub 1] concentreren zich op de natheid van de vloer van de bestelbus, het gebrek aan instructies en verdere voorzorgsmaatregelen. Wat de exacte toedracht van het ongeval is geweest maakt voor de vraag of [verweerder sub 1] haar zorgplicht heeft geschonden geen verschil en daaraan verbindt [verzoeker] zelf dus ook geen consequenties. Hoe dan ook staat vast dat [verzoeker] is gevallen tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden, namelijk bij het inladen van de bestelbus. 3.8 Het ongeval kenmerkt zich door het alledaagse karakter van de handeling van het in- en uitstappen in de bestelbus tijdens het laden van de meubelen via de tredeplank van de bestelbus. [verzoeker] is gewend om deze handeling tientallen keren per dag uit te voeren en deed dit werk al zo’n twee jaar bij [verweerder sub 1] . [verzoeker] was dus ook bekend met de hoogte van de bestelbus en de tredeplank. Het betreft weliswaar een relatief hoge opstap, namelijk van ongeveer 45 cm tot aan de tredeplank en van ongeveer 45 cm van de tredeplank tot aan de vloer van de bestelbus, maar dit was voor [verzoeker] een bekende hoogte. [verzoeker] moest immers dagelijks werken met deze bestelbus. Daarnaast heeft [verweerder sub 1] veiligheidsschoenen aan [verzoeker] ter beschikking gesteld, die hij op het moment van het ongeval ook droeg. Ook heeft [verweerder sub 1] ervoor zorg gedragen dat zowel de vloer van de bestelbus als de tredeplank waren voorzien van een antislipvloer. Dat blijkt uit het rapport van [deskundige] (productie 2 bij het verzoekschrift). De onderzoeker van [deskundige] heeft ook uit eigen waarneming verklaard dat de vloer van de bestelbus en de trede stroef aanvoelden in natte toestand.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2447 text/xml public 2026-05-19T13:39:16 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11838260 \ AE VERZ 25-54 Uitspraak Beschikking NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2447 text/html public 2026-05-19T13:39:02 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2447 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11838260 \ AE VERZ 25-54 Deelgeschil. Val bij inladen bestelbus. Geen werkgeversaansprakelijkheid. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer / rekestnummer: 11838260 \ AE VERZ 25-54 Beschikking van 6 mei 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. S.F. Soeltan, tegen 1 [verweerder sub 1] B.V., te [plaats] , hierna te noemen: [verweerder sub 1] , 2. ALLIANZ BENELUX N.V. , te Rotterdam, hierna te noemen: Allianz, verwerende partijen, gemachtigde: mr. R.J. Schellevis. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 7 producties, - het verweerschrift met 4 producties, - de mondelinge behandeling van 8 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van [verzoeker] . 1.2 De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] was werkzaam bij [verweerder sub 1] en was verantwoordelijk voor het inladen, vervoeren en bezorgen van meubels. Op 24 februari 2020 is hij bij het inladen van de bestelbus ten val gekomen. Hierdoor heeft [verzoeker] een verbrijzelde radiuskop en een scheur in zijn linker elleboogbot opgelopen. Daarvan ervaart [verzoeker] nog steeds klachten. In deze procedure verzoekt [verzoeker] een verklaring voor recht dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van het ongeval en een verklaring voor recht dat Allianz de schade moet vergoeden. Ook verzoekt [verzoeker] om begroting en betaling van de kosten voor dit deelgeschil. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoeker] af, maar begroot wel de kosten van dit deelgeschil. 3 De beoordeling De zaak is geschikt voor deelgeschil 3.1 [verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt. 3.2 De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv). 3.3 Het staat niet ter discussie dat de zaak geschikt is om in deelgeschil te behandelen. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken. Geen aansprakelijkheid van [verweerder sub 1] 3.4 [verzoeker] heeft zijn verzoeken gebaseerd op artikel 7:658 BW. Lid 1 van dit artikel vereist een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen en gereedschappen, alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (Hoge Raad 11 april 2008, NJ 2008/465). [verweerder sub 1] is als werkgever van [verzoeker] op grond van artikel 7:658 BW dus gehouden die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen, die zich bij de uitoefening door de werknemer van zijn werkzaamheden zouden kunnen voordoen, te voorkomen. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in het eerste lid van artikel 7:658 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat sprake zou zijn van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] is in dit geschil geen onderdeel van het partijdebat. 3.5 Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat [verzoeker] de schade heeft geleden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Dat staat dus vast. Vervolgens is de vraag of [verweerder sub 1] als werkgever haar zorgplicht op grond van artikel 7:658 lid 1 BW heeft geschonden. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [verweerder sub 1] haar zorgplicht niet heeft geschonden. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. 3.6 Partijen verschillen van mening over de toedracht van het ongeval. Volgens [verzoeker] is het ongeval als volgt ontstaan: [verzoeker] was samen met collega [A] meubels aan het inladen in de bestelbus. Omdat het regende, moest de lading snel ingeladen worden, omdat de meubels anders nat zouden worden. [verzoeker] en [A] stonden op het uiterste randje van de bestelbus om de meubels naar achter te duwen, zodat de deuren van de bus dicht konden worden gedaan. [verzoeker] stond schuin tegen de lading aan te duwen, totdat zijn linkervoet wegschoot, waardoor hij uit balans raakte en uit de vrachtwagen viel. Volgens [verweerder sub 1] is de toedracht van het ongeval anders, namelijk: uit de verklaringen van [A] blijkt dat [verzoeker] is gevallen toen hij zonder lading rennend uit de auto stapte en uitgleed, terwijl [A] bezig was met het vastzetten van de lading met een sjorband. 3.7 Door [verzoeker] is niet aangevoerd wat het verschil van mening over de toedracht van het ongeval voor consequenties heeft voor de zorgplicht van [verweerder sub 1] . De verwijten van [verzoeker] aan [verweerder sub 1] concentreren zich op de natheid van de vloer van de bestelbus, het gebrek aan instructies en verdere voorzorgsmaatregelen. Wat de exacte toedracht van het ongeval is geweest maakt voor de vraag of [verweerder sub 1] haar zorgplicht heeft geschonden geen verschil en daaraan verbindt [verzoeker] zelf dus ook geen consequenties. Hoe dan ook staat vast dat [verzoeker] is gevallen tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden, namelijk bij het inladen van de bestelbus. 3.8 Het ongeval kenmerkt zich door het alledaagse karakter van de handeling van het in- en uitstappen in de bestelbus tijdens het laden van de meubelen via de tredeplank van de bestelbus. [verzoeker] is gewend om deze handeling tientallen keren per dag uit te voeren en deed dit werk al zo’n twee jaar bij [verweerder sub 1] . [verzoeker] was dus ook bekend met de hoogte van de bestelbus en de tredeplank. Het betreft weliswaar een relatief hoge opstap, namelijk van ongeveer 45 cm tot aan de tredeplank en van ongeveer 45 cm van de tredeplank tot aan de vloer van de bestelbus, maar dit was voor [verzoeker] een bekende hoogte. [verzoeker] moest immers dagelijks werken met deze bestelbus. Daarnaast heeft [verweerder sub 1] veiligheidsschoenen aan [verzoeker] ter beschikking gesteld, die hij op het moment van het ongeval ook droeg. Ook heeft [verweerder sub 1] ervoor zorg gedragen dat zowel de vloer van de bestelbus als de tredeplank waren voorzien van een antislipvloer. Dat blijkt uit het rapport van [deskundige] (productie 2 bij het verzoekschrift). De onderzoeker van [deskundige] heeft ook uit eigen waarneming verklaard dat de vloer van de bestelbus en de trede stroef aanvoelden in natte toestand.
Volledig
3.9 De vraag is of er een verdergaande zorgplicht op [verweerder sub 1] rustte dan het ter beschikking stellen van een antislip vloer en traptrede en veiligheidsschoenen. [verzoeker] heeft onder meer aangevoerd dat [verweerder sub 1] de bestelbus had moeten voorzien van een laadklep en dat [verweerder sub 1] haar medewerkers instructies en aanwijzingen had moeten geen over het uitoefenen van de werkzaamheden. Dit kantonrechter volgt dat standpunt niet. Waar het in deze zaak namelijk om gaat is dat het in- en uitstappen in de bus voor [verzoeker] in de uitoefening van de werkzaamheden zo alledaags was, dat van [verweerder sub 1] als werkgever in het kader van de zorgplicht niet meer hoeft te worden verlangd dan dat zij al heeft gedaan en ter beschikking heeft gesteld. 3.10 [verzoeker] heeft nog aangevoerd dat [verweerder sub 1] haar zorgplicht heeft geschonden doordat [verweerder sub 1] ten tijde van het ongeval niet zou beschikken over een RI&E (Risico-Inventarisatie en -Evaluatie). De kantonrechter gaat daaraan voorbij. Of [verweerder sub 1] namelijk al dan niet beschikte over een RI&E, maakt voor de vraag of [verweerder sub 1] haar zorgplicht heeft geschonden niet uit, omdat hiervoor al is overwogen dat [verweerder sub 1] geen verdere voorzorgsmaatregelen (voor de werkzaamheden in en rondom de bestelbus) hoefde te treffen en dat dit dus ook niet in een RI&E opgenomen hoefde te worden. 3.11 De kantonrechter komt tot de conclusie dat de verzoeken van [verzoeker] zullen worden afgewezen. Kosten deelgeschil worden begroot 3.12 De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. 3.13 Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. 3.14 [verzoeker] maakt aanspraak op € 5.705,15 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. De advocaat van [verzoeker] hanteert een uurtarief van € 230,- exclusief btw en rekent 20,5 uur voor de werkzaamheden met betrekking tot dit deelgeschil. [verzoeker] heeft geen specificatie overgelegd van de bestede uren. Met [verweerder sub 1] is de kantonrechter van oordeel dat het wenselijk is dat urenspecificaties voor de kosten (van te voren) ingediend worden in deelgeschillen om een verantwoorde toetsing en begroting van de kosten van het deelgeschil mogelijk te maken. Desondanks zal de kantonrechter de kosten begroten omdat het maken van de kosten als zodanig niet als onredelijk is aan te merken. [verweerder sub 1] . heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het gevorderde uurtarief. Het verweer van [verweerder sub 1] beperkt zich voor wat betreft het urenaantal tot de bij voorbaat in rekening gebrachte 2 uur voor het bestuderen en bespreken van het verweerschrift. [verweerder sub 1] kan hierin gevolgd worden en dat brengt de rechtbank ertoe om 1 uur minder te begroten als zijnde redelijk. 3.15 De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 19,5 uren × € 230,00 exclusief btw, dus op € 5.426,85 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en [verweerder sub 1] . niet veroordelen tot betaling daarvan. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 wijst de verzoeken van [verzoeker] af, 4.2 begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.426,85 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Deze beschikking is gegeven door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. WM (5442)
Volledig
3.9 De vraag is of er een verdergaande zorgplicht op [verweerder sub 1] rustte dan het ter beschikking stellen van een antislip vloer en traptrede en veiligheidsschoenen. [verzoeker] heeft onder meer aangevoerd dat [verweerder sub 1] de bestelbus had moeten voorzien van een laadklep en dat [verweerder sub 1] haar medewerkers instructies en aanwijzingen had moeten geen over het uitoefenen van de werkzaamheden. Dit kantonrechter volgt dat standpunt niet. Waar het in deze zaak namelijk om gaat is dat het in- en uitstappen in de bus voor [verzoeker] in de uitoefening van de werkzaamheden zo alledaags was, dat van [verweerder sub 1] als werkgever in het kader van de zorgplicht niet meer hoeft te worden verlangd dan dat zij al heeft gedaan en ter beschikking heeft gesteld. 3.10 [verzoeker] heeft nog aangevoerd dat [verweerder sub 1] haar zorgplicht heeft geschonden doordat [verweerder sub 1] ten tijde van het ongeval niet zou beschikken over een RI&E (Risico-Inventarisatie en -Evaluatie). De kantonrechter gaat daaraan voorbij. Of [verweerder sub 1] namelijk al dan niet beschikte over een RI&E, maakt voor de vraag of [verweerder sub 1] haar zorgplicht heeft geschonden niet uit, omdat hiervoor al is overwogen dat [verweerder sub 1] geen verdere voorzorgsmaatregelen (voor de werkzaamheden in en rondom de bestelbus) hoefde te treffen en dat dit dus ook niet in een RI&E opgenomen hoefde te worden. 3.11 De kantonrechter komt tot de conclusie dat de verzoeken van [verzoeker] zullen worden afgewezen. Kosten deelgeschil worden begroot 3.12 De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. 3.13 Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. 3.14 [verzoeker] maakt aanspraak op € 5.705,15 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. De advocaat van [verzoeker] hanteert een uurtarief van € 230,- exclusief btw en rekent 20,5 uur voor de werkzaamheden met betrekking tot dit deelgeschil. [verzoeker] heeft geen specificatie overgelegd van de bestede uren. Met [verweerder sub 1] is de kantonrechter van oordeel dat het wenselijk is dat urenspecificaties voor de kosten (van te voren) ingediend worden in deelgeschillen om een verantwoorde toetsing en begroting van de kosten van het deelgeschil mogelijk te maken. Desondanks zal de kantonrechter de kosten begroten omdat het maken van de kosten als zodanig niet als onredelijk is aan te merken. [verweerder sub 1] . heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het gevorderde uurtarief. Het verweer van [verweerder sub 1] beperkt zich voor wat betreft het urenaantal tot de bij voorbaat in rekening gebrachte 2 uur voor het bestuderen en bespreken van het verweerschrift. [verweerder sub 1] kan hierin gevolgd worden en dat brengt de rechtbank ertoe om 1 uur minder te begroten als zijnde redelijk. 3.15 De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 19,5 uren × € 230,00 exclusief btw, dus op € 5.426,85 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en [verweerder sub 1] . niet veroordelen tot betaling daarvan. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 wijst de verzoeken van [verzoeker] af, 4.2 begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.426,85 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Deze beschikking is gegeven door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. WM (5442)