Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:2445
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,199 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2445 text/xml public 2026-05-19T13:43:51 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11958141 \ MC EXPL 25-6068 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2445 text/html public 2026-05-19T13:43:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2445 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11958141 \ MC EXPL 25-6068 Verzekeraar vordert achterstallige premie. De verweren van gedaagde slagen niet. De vordering wordt toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11958141 \ MC EXPL 25-6068 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van N.V. UNIVÉ SCHADE , te Assen, eisende partij, hierna te noemen: Univé, gemachtigde: LikiFin, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 28 oktober 2025, - de conclusie van antwoord met producties, - de conclusie van repliek met producties, - de conclusie van dupliek met producties. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1 Univé vordert betaling van achterstallige maandpremies. [gedaagde] is het oneens met de vordering. Volgens [gedaagde] heeft hij geen bedrijfsverzekering maar een particuliere verzekering afgesloten. Daarnaast vindt [gedaagde] de premiestijging door twee schades onterecht. De verweren van [gedaagde] slagen niet. De vordering van Univé wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. 3 De beoordeling [gedaagde] heeft eerst een zakelijke verzekeringsovereenkomst gesloten 3.1 Univé stelt dat [gedaagde] in per 7 februari 2025 een zakelijke verzekeringsovereenkomst heeft gesloten. [gedaagde] bevestigt dat hij destijds gezegd heeft dat hij een bedrijf heeft. Volgens [gedaagde] heeft Univé de auto daarom zakelijk verzekerd, terwijl de auto voor privégebruik was. Op verzoek van [gedaagde] is de verzekering per 31 mei 2025 omgezet naar een particuliere verzekering. 3.2 Het polisblad (productie 1 bij de dagvaarding) heeft als titel: ‘Autoverzekering zakelijk’. Op het polisblad staan de gegevens van het bedrijf van [gedaagde] vermeld. Bij ‘Doelgroep’ en ‘Activiteit’ staat ‘Detailhandel’ en bij ‘Gebruik’ staat ‘Zakelijk voor eigen bedrijf’. Op basis van dit polisblad had het voor [gedaagde] duidelijk moeten zijn dat hij een zakelijke verzekering had afgesloten. De verzekeringsperiode is op 7 februari 2025 ingegaan. [gedaagde] kon de verzekering elke dag opzeggen. Voor de periode tussen 7 februari 2025 en 31 mei 2025 is [gedaagde] de premie voor de zakelijke verzekering verschuldigd. Voor de periode na 31 mei 2025 heeft Univé creditfacturen voor de zakelijke verzekering op de vordering in mindering gebracht. De hoogte van de premie 3.3 [gedaagde] is het er niet mee eens dat Univé de premie heeft verhoogd. [gedaagde] vindt dat Univé de schade na twee voorvallen bij de verzekeraars van de aansprakelijke partijen had moeten innen. Het gaat om een voorval op 17 november 2023 en een voorval op 4 november 2024. [gedaagde] zegt dat in 2023 een vrouw hem heeft aangereden en dat het haar fout was. [gedaagde] zegt dat hij in 2024 opnieuw is aangereden, ditmaal van achteren door een bus, en dat dit ook niet zijn fout was. Univé heeft de reparaties van ongeveer € 6.000,- en ongeveer € 8.000,- aan [gedaagde] betaald. 3.4 Univé zegt hierover dat zij de voorvallen heeft beoordeeld en dat zij samen met de andere verzekeraar tot de conclusie is gekomen dat er sprake was van een gedeelde aansprakelijkheid. Daarom is de no-claimkorting aangepast. Univé verwijst naar de algemene voorwaarden waarin staat dat Univé het recht heeft om zelfstandig over de aansprakelijkheid te beslissen. [gedaagde] is aan die beslissing gebonden. Dit staat in punt 9.1 van de algemene voorwaarden. 3.5 De kantonrechter volgt het standpunt van Univé. Het klopt dat [gedaagde] gebonden is aan de beslissing van Univé over de aansprakelijkheid. Als [gedaagde] het daar niet mee eens was, had hij een klacht bij Univé kunnen indienen. De conclusie is dat Univé de no-claimkorting mocht aanpassen. Dit betekent dat [gedaagde] de bedragen verschuldigd is die Univé gevorderd heeft. Schuldenproblematiek 3.6 [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij schulden heeft, maar dat hij gemotiveerd is om dit samen met de gemeente en zijn bewindvoerder op te lossen. Deze omstandigheid maakt het oordeel niet anders. De kantonrechter heeft ambtshalve geconstateerd dat er op dit moment geen bewind is uitgesproken. De financiële positie van [gedaagde] doet er niet aan af dat hij de achterstallige premie wel verschuldigd is en dus zal moeten betalen. Buitengerechtelijke kosten 3.7 Univé vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Univé heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Univé heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 48,40 zal worden toegewezen. Slotsom 3.8 Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom - incassokosten € € 1.056,87 48,40 + totaal € 1.105,27 De proceskosten 3.9 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Univé worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 149,71 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 849,71 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan Univé te betalen een bedrag van € 1.105,27, 4.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 849,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. PM/45352
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2445 text/xml public 2026-05-19T13:43:51 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11958141 \ MC EXPL 25-6068 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2445 text/html public 2026-05-19T13:43:33 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2445 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11958141 \ MC EXPL 25-6068 Verzekeraar vordert achterstallige premie. De verweren van gedaagde slagen niet. De vordering wordt toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11958141 \ MC EXPL 25-6068 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van N.V. UNIVÉ SCHADE , te Assen, eisende partij, hierna te noemen: Univé, gemachtigde: LikiFin, tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 28 oktober 2025, - de conclusie van antwoord met producties, - de conclusie van repliek met producties, - de conclusie van dupliek met producties. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1 Univé vordert betaling van achterstallige maandpremies. [gedaagde] is het oneens met de vordering. Volgens [gedaagde] heeft hij geen bedrijfsverzekering maar een particuliere verzekering afgesloten. Daarnaast vindt [gedaagde] de premiestijging door twee schades onterecht. De verweren van [gedaagde] slagen niet. De vordering van Univé wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. 3 De beoordeling [gedaagde] heeft eerst een zakelijke verzekeringsovereenkomst gesloten 3.1 Univé stelt dat [gedaagde] in per 7 februari 2025 een zakelijke verzekeringsovereenkomst heeft gesloten. [gedaagde] bevestigt dat hij destijds gezegd heeft dat hij een bedrijf heeft. Volgens [gedaagde] heeft Univé de auto daarom zakelijk verzekerd, terwijl de auto voor privégebruik was. Op verzoek van [gedaagde] is de verzekering per 31 mei 2025 omgezet naar een particuliere verzekering. 3.2 Het polisblad (productie 1 bij de dagvaarding) heeft als titel: ‘Autoverzekering zakelijk’. Op het polisblad staan de gegevens van het bedrijf van [gedaagde] vermeld. Bij ‘Doelgroep’ en ‘Activiteit’ staat ‘Detailhandel’ en bij ‘Gebruik’ staat ‘Zakelijk voor eigen bedrijf’. Op basis van dit polisblad had het voor [gedaagde] duidelijk moeten zijn dat hij een zakelijke verzekering had afgesloten. De verzekeringsperiode is op 7 februari 2025 ingegaan. [gedaagde] kon de verzekering elke dag opzeggen. Voor de periode tussen 7 februari 2025 en 31 mei 2025 is [gedaagde] de premie voor de zakelijke verzekering verschuldigd. Voor de periode na 31 mei 2025 heeft Univé creditfacturen voor de zakelijke verzekering op de vordering in mindering gebracht. De hoogte van de premie 3.3 [gedaagde] is het er niet mee eens dat Univé de premie heeft verhoogd. [gedaagde] vindt dat Univé de schade na twee voorvallen bij de verzekeraars van de aansprakelijke partijen had moeten innen. Het gaat om een voorval op 17 november 2023 en een voorval op 4 november 2024. [gedaagde] zegt dat in 2023 een vrouw hem heeft aangereden en dat het haar fout was. [gedaagde] zegt dat hij in 2024 opnieuw is aangereden, ditmaal van achteren door een bus, en dat dit ook niet zijn fout was. Univé heeft de reparaties van ongeveer € 6.000,- en ongeveer € 8.000,- aan [gedaagde] betaald. 3.4 Univé zegt hierover dat zij de voorvallen heeft beoordeeld en dat zij samen met de andere verzekeraar tot de conclusie is gekomen dat er sprake was van een gedeelde aansprakelijkheid. Daarom is de no-claimkorting aangepast. Univé verwijst naar de algemene voorwaarden waarin staat dat Univé het recht heeft om zelfstandig over de aansprakelijkheid te beslissen. [gedaagde] is aan die beslissing gebonden. Dit staat in punt 9.1 van de algemene voorwaarden. 3.5 De kantonrechter volgt het standpunt van Univé. Het klopt dat [gedaagde] gebonden is aan de beslissing van Univé over de aansprakelijkheid. Als [gedaagde] het daar niet mee eens was, had hij een klacht bij Univé kunnen indienen. De conclusie is dat Univé de no-claimkorting mocht aanpassen. Dit betekent dat [gedaagde] de bedragen verschuldigd is die Univé gevorderd heeft. Schuldenproblematiek 3.6 [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij schulden heeft, maar dat hij gemotiveerd is om dit samen met de gemeente en zijn bewindvoerder op te lossen. Deze omstandigheid maakt het oordeel niet anders. De kantonrechter heeft ambtshalve geconstateerd dat er op dit moment geen bewind is uitgesproken. De financiële positie van [gedaagde] doet er niet aan af dat hij de achterstallige premie wel verschuldigd is en dus zal moeten betalen. Buitengerechtelijke kosten 3.7 Univé vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Univé heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Univé heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 48,40 zal worden toegewezen. Slotsom 3.8 Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom - incassokosten € € 1.056,87 48,40 + totaal € 1.105,27 De proceskosten 3.9 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Univé worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 149,71 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 849,71 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan Univé te betalen een bedrag van € 1.105,27, 4.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 849,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. PM/45352