Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:2378
Civiel recht
Wraking
4,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2378 text/xml public 2026-05-12T15:30:43 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 609455 HA RK 26-66 Uitspraak Wraking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2378 text/html public 2026-05-12T15:28:43 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2378 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 609455 HA RK 26-66 De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af. Uit de diepgang of wijze van de vraagstelling (open of gesloten) kan, zonder meer, geen gerechtvaardigde schijn van partijdigheid volgen. De rechter mag ook vragen stellen buiten de kern van het geschil om. De in een vraag besloten aanname van een rechter leidt, zonder meer, ook niet tot de objectieve schijn van partijdigheid. Dat de rechter zich soms scherp heeft geuit, levert het onderhavige geval ook geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid op. Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Utrecht Zaaknummer: 609455 HA RK 26-66 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 mei 2025 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van: [verzoekster] , gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: verzoekster, bijgestaan door mr. F.J. Bloem-Timmermans, advocaat in Zwolle. 1 De procedure 1.1. Mr. F.J. Bloem-Timmermans heeft op 1 april 2026 namens verzoekster, mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. Mr. H.A.M. Pinckaers (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer: 12082644 UE VERZ 26-41 (hierna: de hoofdzaak). 1.2. Het wrakingsverzoek is op 21 april 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig: Mr. F.J. Bloem-Timmermans; [A] , manager facilitaire zaken en vastgoed bij verzoekster; [B] , HR business partner bij verzoekster; Mr. H.A.M. Pinckaers; [C] , verweerder in de hoofdzaak; Mr. Y.M. van der Meulen, de gemachtigde van [C] in de hoofdzaak. 1.3. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend. 1.4. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het wrakingsverzoek 2.1. Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend om de redenen dat bij de rechter tijdens de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak op 30 maart 2026 sprake was van de schijn van partijdigheid door (1) onbehoorlijke bejegening van de gemachtigde mr. F.J. Bloem-Timmermans, (2) vooringenomenheid en (3) een uitval naar de griffier. De bejegening bestond eruit dat de gemachtigde op zitting van de rechter te horen kreeg dat zij ‘de pech’ had dat zij de rechter was op deze zaak en dat zij bepaalde welke vragen relevant waren of niet. Dit gebeurde nadat de gemachtigde de relevantie van een bepaald door de rechter aangesneden onderwerp aan de orde stelde. Volgens verzoekster was dit onderwerp (de inname van de bedrijfsauto) geen punt van discussie tussen partijen en daarmee niet relevant. Ook meent zij dat dit incident getuigt van een gebrek aan objectiviteit, omdat de rechter haar aannames over de ingeleverde auto niet eerst verifieerde. Ter illustratie van de vooringenomenheid van de rechter worden door verzoekster in haar wrakingsverzoek een viertal voorbeelden genoemd. Deze voorbeelden bestaan eruit dat: de rechter bij aanvang aangaf dat zij het een lastige zaak vond, maar niet doorvroeg en geen open vragen stelde, zodat onduidelijk bleef wat er nu zo lastig was; de rechter smalend reageerde op een door verzoekster gegeven voorbeeld over het onvoldoende functioneren van de werknemer, waardoor de indruk werd gewekt dat de rechter het standpunt van verzoekster niet serieus nam; de rechter ervan uitging dat [C] (de verweerder in de hoofdzaak), zich onveilig had gevoeld en daarom opnames van een gesprek had gemaakt; de rechter geen open, maar gesloten vragen stelde waarin aannames lagen besloten. Door een uitval naar de griffier (over het geluid van het typen) voelde de (gemachtigde van) verzoekster zich tenslotte nog minder vrij om haar visie op de zaak te delen met de rechter. 2.2. Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft de gemachtigde van verzoekster de gronden herhaald en nogmaals gesteld dat op de zitting geen sprake was van een veilige sfeer voor een open debat. [A] heeft dit bevestigd. 2.3. De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie en tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter heeft daarin aangegeven dat het gebruik van het woord ‘pech’ door haar niet bedoeld was als een schrobbering, maar om erop te wijzen dat het haar rol als rechter is om op zitting de regie te voeren en te beslissen of een vraag gesteld mag worden. De rechter heeft verder aangegeven dat bij haar geen sprake was van vooringenomenheid en dat zij inderdaad heeft gezegd dat zij het een lastige zaak vond. Volgens de rechter heeft zij aan beide partijen meer en mindere kritische vragen gesteld en ook meer en minder open vragen gesteld. Dit heeft zij gedaan in haar zoektocht naar relevante informatie en een minnelijke oplossing. Ook heeft de rechter benoemd dat zij ter zitting is ingegaan op het door verzoekster gegeven voorbeeld over het onvoldoende functioneren van de werknemer, zonder daarbij af te willen doen aan het argument dat verzoekster maakte met dat voorbeeld. Tot slot heeft de rechter aangegeven dat zij de griffier tijdens de zitting heeft gevraagd minder hard mee te typen, maar dat dit geen aanwijzing vormt voor vooringenomenheid jegens één van de partijen. 2.4. De rechter heeft tijdens de zitting van de wrakingskamer nog aangegeven dat zij op bepaalde punten scherp is geweest, maar niet alleen tegen verzoekster. De rechter betreurt het dat verzoekster haar optreden als partijdig heeft ervaren, maar vindt dat zij geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid heeft gewekt. 3 De beoordeling Het toetsingskader 3.1. In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.2. De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet doet of zegt) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. Het oordeel van de wrakingskamer 3.3. De wrakingskamer zal de door verzoekster gestelde punten puntsgewijs behandelen. 3.4. Ten aanzien van het punt over de onbehoorlijke bejegening door de rechter van de gemachtigde, overweegt de wrakingskamer als volgt. De rechter is gebonden aan de door verzoekster ingediende vordering, maar de rechter heeft de ruimte om vragen te stellen buiten de kern van het geschil om, bijvoorbeeld om te onderzoeken hoe de verhouding is tussen partijen en in het kader van een mogelijke minnelijke regeling. In dit geval heeft verweerder in de hoofdzaak als feit naar voren gebracht dat zijn bedrijfsauto is ingenomen. Ook als partijen over de inname van de bedrijfsauto geen geschil hebben, is het aan de rechter om te bepalen of zij daarover een vraag stelt, zeker nu de inname voor verweerder in de hoofdzaak kennelijk wel een bepaalde rol speelde in het geschil tussen partijen. 3.5. Met betrekking tot de gestelde vooringenomenheid van de rechter, overweegt de wrakingskamer het volgende. Uit de zittingsaantekeningen volgt dat beide partijen de gelegenheid hebben gehad om tijdens de mondelinge behandeling (schriftelijke) aantekeningen voor te dragen. Vervolgens heeft de rechter vragen van uiteenlopende aard aan partijen gesteld en hebben partijen op elkaar kunnen reageren.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2378 text/xml public 2026-05-12T15:30:43 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 609455 HA RK 26-66 Uitspraak Wraking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2378 text/html public 2026-05-12T15:28:43 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2378 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 609455 HA RK 26-66 De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af. Uit de diepgang of wijze van de vraagstelling (open of gesloten) kan, zonder meer, geen gerechtvaardigde schijn van partijdigheid volgen. De rechter mag ook vragen stellen buiten de kern van het geschil om. De in een vraag besloten aanname van een rechter leidt, zonder meer, ook niet tot de objectieve schijn van partijdigheid. Dat de rechter zich soms scherp heeft geuit, levert het onderhavige geval ook geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid op. Beslissing RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Utrecht Zaaknummer: 609455 HA RK 26-66 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 mei 2025 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van: [verzoekster] , gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: verzoekster, bijgestaan door mr. F.J. Bloem-Timmermans, advocaat in Zwolle. 1 De procedure 1.1. Mr. F.J. Bloem-Timmermans heeft op 1 april 2026 namens verzoekster, mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. Mr. H.A.M. Pinckaers (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer: 12082644 UE VERZ 26-41 (hierna: de hoofdzaak). 1.2. Het wrakingsverzoek is op 21 april 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig: Mr. F.J. Bloem-Timmermans; [A] , manager facilitaire zaken en vastgoed bij verzoekster; [B] , HR business partner bij verzoekster; Mr. H.A.M. Pinckaers; [C] , verweerder in de hoofdzaak; Mr. Y.M. van der Meulen, de gemachtigde van [C] in de hoofdzaak. 1.3. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend. 1.4. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het wrakingsverzoek 2.1. Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend om de redenen dat bij de rechter tijdens de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak op 30 maart 2026 sprake was van de schijn van partijdigheid door (1) onbehoorlijke bejegening van de gemachtigde mr. F.J. Bloem-Timmermans, (2) vooringenomenheid en (3) een uitval naar de griffier. De bejegening bestond eruit dat de gemachtigde op zitting van de rechter te horen kreeg dat zij ‘de pech’ had dat zij de rechter was op deze zaak en dat zij bepaalde welke vragen relevant waren of niet. Dit gebeurde nadat de gemachtigde de relevantie van een bepaald door de rechter aangesneden onderwerp aan de orde stelde. Volgens verzoekster was dit onderwerp (de inname van de bedrijfsauto) geen punt van discussie tussen partijen en daarmee niet relevant. Ook meent zij dat dit incident getuigt van een gebrek aan objectiviteit, omdat de rechter haar aannames over de ingeleverde auto niet eerst verifieerde. Ter illustratie van de vooringenomenheid van de rechter worden door verzoekster in haar wrakingsverzoek een viertal voorbeelden genoemd. Deze voorbeelden bestaan eruit dat: de rechter bij aanvang aangaf dat zij het een lastige zaak vond, maar niet doorvroeg en geen open vragen stelde, zodat onduidelijk bleef wat er nu zo lastig was; de rechter smalend reageerde op een door verzoekster gegeven voorbeeld over het onvoldoende functioneren van de werknemer, waardoor de indruk werd gewekt dat de rechter het standpunt van verzoekster niet serieus nam; de rechter ervan uitging dat [C] (de verweerder in de hoofdzaak), zich onveilig had gevoeld en daarom opnames van een gesprek had gemaakt; de rechter geen open, maar gesloten vragen stelde waarin aannames lagen besloten. Door een uitval naar de griffier (over het geluid van het typen) voelde de (gemachtigde van) verzoekster zich tenslotte nog minder vrij om haar visie op de zaak te delen met de rechter. 2.2. Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft de gemachtigde van verzoekster de gronden herhaald en nogmaals gesteld dat op de zitting geen sprake was van een veilige sfeer voor een open debat. [A] heeft dit bevestigd. 2.3. De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie en tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter heeft daarin aangegeven dat het gebruik van het woord ‘pech’ door haar niet bedoeld was als een schrobbering, maar om erop te wijzen dat het haar rol als rechter is om op zitting de regie te voeren en te beslissen of een vraag gesteld mag worden. De rechter heeft verder aangegeven dat bij haar geen sprake was van vooringenomenheid en dat zij inderdaad heeft gezegd dat zij het een lastige zaak vond. Volgens de rechter heeft zij aan beide partijen meer en mindere kritische vragen gesteld en ook meer en minder open vragen gesteld. Dit heeft zij gedaan in haar zoektocht naar relevante informatie en een minnelijke oplossing. Ook heeft de rechter benoemd dat zij ter zitting is ingegaan op het door verzoekster gegeven voorbeeld over het onvoldoende functioneren van de werknemer, zonder daarbij af te willen doen aan het argument dat verzoekster maakte met dat voorbeeld. Tot slot heeft de rechter aangegeven dat zij de griffier tijdens de zitting heeft gevraagd minder hard mee te typen, maar dat dit geen aanwijzing vormt voor vooringenomenheid jegens één van de partijen. 2.4. De rechter heeft tijdens de zitting van de wrakingskamer nog aangegeven dat zij op bepaalde punten scherp is geweest, maar niet alleen tegen verzoekster. De rechter betreurt het dat verzoekster haar optreden als partijdig heeft ervaren, maar vindt dat zij geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid heeft gewekt. 3 De beoordeling Het toetsingskader 3.1. In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.2. De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet doet of zegt) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. Het oordeel van de wrakingskamer 3.3. De wrakingskamer zal de door verzoekster gestelde punten puntsgewijs behandelen. 3.4. Ten aanzien van het punt over de onbehoorlijke bejegening door de rechter van de gemachtigde, overweegt de wrakingskamer als volgt. De rechter is gebonden aan de door verzoekster ingediende vordering, maar de rechter heeft de ruimte om vragen te stellen buiten de kern van het geschil om, bijvoorbeeld om te onderzoeken hoe de verhouding is tussen partijen en in het kader van een mogelijke minnelijke regeling. In dit geval heeft verweerder in de hoofdzaak als feit naar voren gebracht dat zijn bedrijfsauto is ingenomen. Ook als partijen over de inname van de bedrijfsauto geen geschil hebben, is het aan de rechter om te bepalen of zij daarover een vraag stelt, zeker nu de inname voor verweerder in de hoofdzaak kennelijk wel een bepaalde rol speelde in het geschil tussen partijen. 3.5. Met betrekking tot de gestelde vooringenomenheid van de rechter, overweegt de wrakingskamer het volgende. Uit de zittingsaantekeningen volgt dat beide partijen de gelegenheid hebben gehad om tijdens de mondelinge behandeling (schriftelijke) aantekeningen voor te dragen. Vervolgens heeft de rechter vragen van uiteenlopende aard aan partijen gesteld en hebben partijen op elkaar kunnen reageren.